Ivanhoe

Chapter 44

Chapter 443,864 wordsPublic domain

"Gij hebt zulks ten onrechte geloofd, heer ridder," antwoordde Athelstane; "en Wamba heeft gelogen. Mijne tanden zijn in een goeden staat, zooals ik dadelijk bij het avondeten toonen zal.--Dit heb ik evenwel den Tempelier niet te danken, daar zijn zwaard in zijn hand draaide, en de scherpte afgewend werd door mijne strijdknots, waarmede ik zijn slag wilde weren, zoodat hij mij met de platte kling trof; had ik mijn stalen helm op gehad, dan zou ik het niet gevoeld, en hem op mijn beurt een slag gegeven hebben, die hem den terugtocht zou gespaard hebben. Maar zóó viel ik, wel is waar bedwelmd, maar ongekwetst ter neer. Van beiden zijden werden er anderen neêrgehouwen en op mij neêrgeworpen, zoodat ik mijn zinnen niet herkreeg, voordat ik mij in eene doodkist bevond, die gelukkig open was, en geplaatst voor het altaar in de St. Edmunds kerk. Ik niesde meermalen, zuchtte, ontwaakte, en wilde opstaan, toen de Sacristijn en de Abt vol schrik op het gedruisch kwamen aanloopen, verbaasd, onzeker, en geheel niet tevreden, den man levend te vinden, wiens erfgenamen zij zich hadden voorgenomen te worden. Ik vroeg om wijn;--men gaf mij wat; maar die moet ter deeg toebereid geweest zijn, want ik sliep nog vaster dan te voren, en ontwaakte gedurende verscheidene uren niet. Ik vond mijn armen met windsels omwonden,--mijn voeten zoo vast gebonden, dat mijn enkels mij bij de gedachte daaraan nog zeer doen;--de plaats was geheel duister, naar ik geloof de _oubliette_ van hun vervloekt klooster,--en uit de doffe, stikkende lucht begreep ik, dat men ze ook tot begraafplaats gebruikte. Er kwamen zonderlinge gedachten bij mij op over hetgeen er met mij gebeurd was, toen de deur van mijn kerker kraakte, en twee schurken van monniken binnentraden. Zij wilden mij overreden dat ik in het vagevuur was, maar ik kende al te wel de kuchende, kortademige stem van den Pater Abt.--Heilige Jeremias! hoe verschilde ze van den toon, waarop hij gewoon was mij om een stuk gebraad te vragen!--de hond heeft wel eens van Kerstdag tot Driekoningen met mij gezwelgd."

"Geduld, edele Athelstane," zei de Koning, "schep adem,--vertel uwe geschiedenis op uw gemak;--waarachtig zulk een verhaal is even aardig om aan te hooren als een roman!"

"Neen, bij het kruis van Bromholme, het was geen roman!--een gerstebrood en een kruik water,--dat hebben ze mij gegeven, die schurken, welken mijn vader en ik zelf verrijkt hebben, toen hun voornaamste inkomsten nog bestonden uit de stukken spek en schepels koren, welke ze aan arme slaven en lijfeigenen voor hun gebeden afnamen,--dat slecht, ondankbaar addergebroedsel!--gerstebrood en slootwater voor zulk een beschermer als ik geweest ben! Ik zal hen met nest en al verbranden, al word ik ook in den ban gedaan!"

"Maar in den naam der Heilige Maagd, edele Athelstane," zei Cedric, de hand van zijn vriend grijpende, "hoe zijt gij aan dit dreigend gevaar ontsnapt?--Werden hun harten vermurwd?"

"Hun harten vermurwd!" herhaalde Athelstane.--"Smelten rotsen voor de zon! Ik zou er nog geweest zijn, had niet eenig gedruisch, dat, zooals ik thans begrijp, hun optocht was naar mijn lijkmaal, terwijl ze zeer wel wisten, hoe en waar ik levend begraven was, den zwerm uit den korf gelokt. Ik hoorde hen hunne lijkpsalmen brommen, in het geheel niet denkende dat die voor het welzijn van mijne ziel gezongen werden door hen, die mijn lichaam op deze wijze uithongerden. Ze gingen intusschen weg, en ik wachtte lang naar voedsel,--en geen wonder, want de jichtige Sacristijn had al te veel met zijn eigen maaltijd te doen, om aan den mijne te denken. Eindelijk kwam hij met wankelende schreden en een sterken geur van wijn en specerijen bij zich, naar beneden. De goede kost had zijn hart verzacht, want hij liet mij een brok pastei en een flesch wijn inplaats van mijn vorig voedsel. Ik at, dronk en gevoelde mij versterkt; waarop, tot overmaat van geluk, de Sacristijn, die te beneveld was om zijn ambt van sluiter goed waar te nemen, de deur bij het slot langs sloot, zoodat ze in plaats van toe te zijn, aan stond. Het licht, de spijs, de wijn wekten mijn geestvermogens op. De ring, waaraan mijn ketenen bevestigd waren, was meer verroest, dan ik, of de schurkachtige Abt, vermoed hadden. Het ijzer zelf kon de vochtigheid van dien helschen kerker niet wederstaan!"

"Schep adem, edele Athelstane," zei Richard, "en gebruik eenige verversching, eer ge zulk een verschrikkelijk verhaal vervolgt."

"Gebruiken!" hervatte Athelstane. "Ik heb heden reeds vijf maal wat gebruikt,--en echter zou een stukje van die malsche ham mij wel toelachen, en ik bid u, edele heeren, mij met een beker wijn bescheid te doen!"

De gasten, ofschoon nog stom van verbazing, deden evenwel hun uit het graf verrezen gastheer bescheid, die daarop met zijn verhaal voortging. Hij had inderdaad thans veel meer toehoorders dan toen hij begon; want, nadat Edith eenige noodzakelijke bevelen gegeven had, om de zaken in het kasteel in orde te brengen, was ze den verrezene naar het vertrek der vreemdelingen gevolgd, vergezeld door zoo vele gasten, mannen en vrouwen, als in de kleine kamer dringen konden; terwijl anderen op de trap stonden, een onvolkomen verhaal van de zaak opvingen, en het nog onnauwkeuriger aan diegenen welke beneden waren, overbrachten, die het alweder onder het buitenstaande volk verspreidden, op een wijze, die geheel niet met de ware toedracht der zaak overeenkwam. Intusschen vervolgde Athelstane de geschiedenis van zijn ontvluchting.

"Toen ik zag, dat ik van den ring losgeraakt was, sleepte ik mij de trap op, zoo goed als een man, die met ketenen beladen en door het vasten uitgeput is, kon; en na lang rondgetast te hebben, werd ik eindelijk door een vroolijk lied naar de kamer gelokt, waar de waardige Sacristijn, met verlof, een duivelsmis vierde met een grooten, zwaarhoofdigen en breedgeschouderden kloosterbroeder, die er eerder als een dief, dan als een geestelijke uitzag. Ik overviel hen en mijn doodskleederen, zoowel als de klank van mijn ketenen, deed mij meer op een bewoner van de andere dan van deze wereld gelijken.

"Beiden stonden verstomd; maar toen ik den Sacristijn met mijn vuist ter neêr wierp, sloeg de andere kerel, zijn drinkgezel, met een zware knots naar mij."

"Dat moet broeder Tuck zijn, bij alles, wat kostelijk is!" zei Richard, Ivanhoe aanziende.

"Het mag de duivel zijn!" zei Athelstane. "Tot mijn geluk miste hij zijn doel, en toen ik op hem aankwam om handgemeen met hem te worden, zette hij het op een loopen. Ik liet niet na mij van de ketens te bevrijden, door middel van den sleutel, welke onder anderen in den gordel van den Sacristijn hing, en de gedachte kwam bij mij op, om den schurk met den bundel sleutels de hersens in te slaan; maar het stuk pastei en de flesch wijn, welke de schelm mij in mijn gevangenschap gebracht had, verteederden mijn hart; dus liet ik hem na eenige welgemeende schoppen, op den grond liggen, stak wat gebraden vleesch en een lederen wijnzak, waarmede de twee eerwaarde broeders bezig waren, op, ging naar den stal, en vond op een afgezonderde plaats mijn eigen best telpaard, dat zonder twijfel voor het bijzonder gebruik van den Abt ter zijde gezet was. Zoodoende kwam ik hierheen met allen spoed, terwijl mannen en vrouwen voor mij vluchtten, overal waar ik kwam, mij voor een spook houdende, te meer, dat ik de lijkkap over mijn gezicht getrokken had, om niet herkend te worden. Ik zou in mijn eigen kasteel niet toegelaten zijn, zoo men niet gemeend had, dat ik de bediende van een goochelaar was, die de lieden op het slotplein zeer verlustigt, als men in overweging neemt, dat ze vergaderd zijn om de begrafenis van hun heer te vieren. Zooals ik zei, de voorsnijder dacht, dat ik zoo gekleed was, om een rol in de maskerade te spelen, en dus werd ik binnengelaten, ontdekte mij slechts aan mijne moeder en at een hartig brokje, voordat ik u, mijn edelen vriend, opzocht."

"En ge hebt mij gevonden," zei Cedric, "gereed om onze dappere voornemens voor eer en vrijheid weêr op te vatten. Ik zeg u, nooit zal er een zoo gunstige morgen als de eerstvolgende voor de bevrijding van den edelen Saksischen stam aanbreken!"

"Spreek mij niet van iemand te bevrijden," zei Athelstane; "het is goed, dat ik zelf bevrijd ben. Ik heb meer lust om dien schelmschen Abt te straffen. Hij zal van de muren van dit kasteel van Coningsburgh hangen, in zijn priesterlijk gewaad, en als de trap te nauw is voor zijn dik lichaam, dan zal ik hem van buiten laten ophijschen."

"Maar mijn zoon", zei Edith, "denk aan zijn heilig ambt!"

"Denk aan mijn driedaagsche vasten!" hernam Athelstane; "ik wil hun bloed hebben, tot den laatsten man toe! Front-de-Boeuf werd om veel geringere zaken levend verbrand; want hij hield toch eene goede tafel voor zijne gevangenen, en deed slechts te veel knoflook in zijn laatste soep. Maar deze schijnheilige, ondankbare slaven, die vleiers, die zich zoo dikwijls zelven aan mijne tafel genoodigd hebben, die mij soep, noch knoflook, noch iets anders gaven, zij zullen sterven, bij de ziel van Hengist!"

"Maar de Paus, edele vriend!" zei Cedric.

"Maar de duivel, edele vriend!" antwoordde Athelstane; "ze zullen sterven! Geen woord meer! Al waren ze de beste monniken op aarde, dan zou de wereld toch nog wel zonder hen bestaan kunnen!"

"Schaam u, edele Athelstane," hervatte Cedric; "vergeet zulke ellendelingen in de roemrijke loopbaan, welke vóór u ligt. Zeg dezen Normandischen Prins Richard van Anjou, dat, hoe dapper hij ook zij, hij den troon van Alfred niet onbetwist zal bezitten, zoo lang een mannelijke afstammeling van den Heiligen Belijder leeft, om hem zijn rechten te betwisten."

"Hoe!" zei Athelstane, "is dit de edele Koning Richard?"

"Het is Richard Plantagenet zelf," antwoordde Cedric; "evenwel behoef ik u niet te herinneren, dat, daar hij als een vrijwillige gast hierheen is gekomen, hij beleedigd noch gevangen gehouden mag worden;--ge kent uw plicht als gastheer jegens hem!"

"Ja, op mijn woord!" zei Athelstane; "en mijn plicht als onderdaan bovendien; want hier zweer ik hem trouw, met hart en ziel!"

"Mijn zoon," zei Edith, "denk aan uwe koninklijke rechten!"

"Denk aan de bevrijding van Engeland, ontaarde vorst!" riep Cedric.

"Moeder en vriend," hervatte Athelstane, "houdt op met uwe verwijten;--brood en water en een kerker zijn wonderbaarlijke geneesmiddelen tegen de eerzucht, en ik ben wijzer uit het graf opgestaan, dan ik er in nedergedaald ben. De helft van die ijdele gekheden werden mij door dien ellendigen Abt Wolfram in het oor geblazen, en ge kunt thans zelf oordeelen, of hij een raadsman is, dien men vertrouwen kan. Sedert die plannen in werking gebracht zijn, heb ik niets gekend dan overhaaste reizen, slechte vertering, slagen, stooten en gevangenis; en buitendien kunnen ze slechts met het vermoorden van eenige duizenden onschuldige menschen eindigen. Ik zeg u, dat ik koning op mijn eigene goederen zijn wil en nergens anders, en mijn eerste daad van heerschappij zal zijn den Abt op te hangen!"

"En mijn pupil Rowena?" zei Cedric;--"ik vertrouw toch, dat gij niet voornemens zijt haar te verlaten?"

"Vader Cedric," hernam Athelstane, "wees redelijk. Jonkvrouw Rowena geeft niet om mij;--zij houdt meer van den pink van den handschoen van mijn neef Wilfrid dan van mijn geheelen persoon. Daar staat zij om het zelve te bekennen.--Neen, bloos niet, nicht; het is geene schande een ridder van het hof meer te beminnen, dan een landedelman;--en lach ook niet, Rowena, want doodskleederen en een afgevallen gezicht zijn, God weet het, geen onderwerp om er over te lachen! Maar als gij volstrekt lachen wilt, dan zal ik een betere aanleiding voor u vinden.--Geef mij uwe hand, of liever leen ze mij, want ik vraag ze u slechts als vriend. Hier, neef Wilfrid van Ivanhoe, ten uwen voordeele ontzeg ik en zweer ik af--Wel! Bij St. Dunstan, onze neef Wilfrid is verdwenen!--En toch, zoo mijne oogen niet nog verblind zijn door het vasten, dan heb ik hem toch daareven hier zien staan!"

Allen keken thans rond en vroegen naar Ivanhoe; maar hij was verdwenen. Men vernam eindelijk, dat een Jood naar hem gevraagd had, en dat hij, na een kort gesprek met dezen, Gurth om zijne wapenrusting geroepen en het kasteel verlaten had.

"Schoone nicht," zei Athelstane tegen Rowena, "kon ik denken, dat deze, plotselinge verdwijning van Ivanhoe door eenige andere dan de gewichtigste redenen veroorzaakt ware, dan zou ik zelf--"

Maar hij had nauwelijks haar hand laten varen, toen hij bemerkte, dat Ivanhoe verdwenen was, of Rowena, die zich in de uiterste verlegenheid bevond, had de eerste gelegenheid gebruikt om uit het vertrek te ontsnappen.

"Waarachtig!" zei Athelstane, "de vrouwen zijn onder alle dieren het minst te vertrouwen, behalve monniken en abten. Ik wil een ketter zijn, als ik geen dank van haar verwachtte, en misschien nog wel een kus. Deze vervloekte grafkleederen zijn zeker behekst, want iedereen ontvlucht mij. Tot u wend ik mij, edele Koning Richard, met de gelofte van getrouwheid, welke ik, als een getrouw onderdaan--"

Maar Koning Richard was ook heengegaan en niemand wist waarheen. Eindelijk hoorde men, dat hij naar het slotplein gevlogen was, den Jood, die met Ivanhoe gesproken had, bij zich had laten komen, en dat hij, na een kort gesprek met hem, driftig om zijn paard geroepen, zich er op geworpen, den Jood gedwongen had een ander te bestijgen, en met zooveel haast voortgereden was, dat, zooals Wamba zei, het leven van den ouden Jood geen duit waard was.

"Bij mijn ziel!" riep Athelstane, "het is zeker, dat Zernebock gedurende mijne afwezigheid mijn kasteel betooverd heeft! Ik keer in mijn lijkgewaad terug, als uit het graf opgestaan, en ieder, met wien ik spreek, verdwijnt, zoodra hij mijn stem hoort!--Maar het baat niet er over te praten! Komt, vrienden, gij, die nog overgebleven zijt, volgt mij naar de eetzaal, eer er nog meer van ons verdwijnen.--Die zaal is, vertrouw ik, nog al tamelijk wel bezet, gelijk bij de lijkplechtigheid van een oud-Saksischen edelman betaamt; en zoo wij nog langer dralen, wie weet of de duivel niet met het avondeten wegvliegt!"

DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat Mobray's zonden hem den boezem drukken, Zoo hevig, dat zijn schuimend ros den rug breekt. En over hals en kop zijn ruiter neêrsmakt In 't strijdperk,--den afvall'gen schurk!

Richard II.

Ons verhaal keert nu terug tot den omtrek van het kasteel of Preceptorij van Templestowe, omtrent het uur toen het lot beslissen zou over het leven of den dood van Rebekka. Het was een tooneel van drukte en leven, alsof de bewoners van de geheele buurt op een landelijk feest verzameld waren. Maar de begeerte om bloed en dood te zien, is niet alleen eigen aan die duistere eeuwen; ofschoon men toen door de zwaardvechtersoefeningen van tweestrijd en toernooi gewoon was aan het bloedig tooneel van dappere mannen door elkanders hand te zien vallen. Zelfs in onze dagen, nu men een hooger begrip van zedelijkheid heeft, verzamelen eene terechtstelling, eene vechtpartij, een oploop, of eene bijeenkomst van radicale hervormers, tallooze toeschouwers, met groot gevaar voor hen, die zelven weinig ander belang daarbij hebben, dan om te zien hoe het toegaat, en of de helden van den dag, van welken aard ook, hun verkregen roem waardig zijn.

De blikken van eene zeer aanzienlijke menigte waren dus op de poort van de Preceptorij van Templestowe gevestigd om den optocht te zien, terwijl een nog grooter aantal reeds het toernooiplein omringde, dat tot het kasteel behoorde. Dit plein lag dicht bij de Preceptorij, en was met zorg ingericht voor krijgshaftige en ridderlijke oefeningen. Het besloeg de bovenste vlakte van een zacht hellenden heuvel, was zorgvuldig met palissaden omgeven, en daar de Tempeliers gaarne toeschouwers hadden om getuigen te zijn van hunne behendigheid in het gebruik der wapens, had men er talrijke galerijen en banken ten behoeve der menigte opgericht.

Bij de tegenwoordige gelegenheid was er aan het oostelijke einde een troon opgericht voor den Grootmeester, omringd met eereplaatsen voor de Preceptoren en ridders van de Orde. Hierover fladderde de heilige standaard, _le Beau-Séant_ genaamd, het vaandel en tegelijk het veldgeschrei der Tempeliers.

Aan het tegenovergestelde einde van het strijdperk was een brandstapel, zoodanig rondom een paal, die diep in den grond zat, opgericht, dat er plaats genoeg overbleef voor het slachtoffer, om in den noodlottigen kring te treden, om met de boeien, welke gereed hingen, aan den paal geklonken te worden. Naast dit toestel des doods stonden vier zwarte slaven, wier kleur en Afrikaansche trekken, toen weinig in Engeland bekend, de menigte verschrikten, die hen beschouwde als duivels, die met hun helsch werk bezig waren. Deze mannen verroerden zich niet, behalve nu en dan, op bevel van een mensch, die hun opperhoofd scheen, om de gereed liggende brandstoffen te schikken en op te stapelen. Zij zagen niet naar het volk; zij schenen zelfs zijne tegenwoordigheid niet te bespeuren, en evenmin op iets anders te letten, dan op het verrichten van hun eigen verschrikkelijk ambt. En wanneer zij in gesprek met elkander hun dikke lippen openden en hun witte tanden toonden, alsof zij grijnsden uit blijdschap over het verwachte moordtooneel, kon het verschrikte volk nauwelijks nalaten te gelooven, dat zij wezenlijk de booze geesten waren, met wie de tooverheks gemeenschap had gehad, en welke thans, nu haar tijd om was, gereed stonden om de vreeselijke straf aan haar te voltrekken. Men fluisterde elkander toe, en deelde elkander al de daden mede, welke de Satan in dat woeste en ongelukkige tijdvak verricht had, natuurlijk niet nalatende den duivel meer op zijne rekening te zetten, dan hem toekwam.

"Hebt gij niet gehoord, vader Dennet," zei een boer tegen een ander, die reeds vrij gevorderd in jaren was, "dat de duivel den grooten Saksischen Thane, Athelstane van Coningsburgh, gehaald heeft!"

"Ja, maar hij heeft hem toch ook teruggebracht, dank zij God en den heiligen Dunstan!"

"Wat is dat?" zei een jong, vroolijk gezel, gekleed in een groen wambuis, met goud geborduurd, en gevolgd door een grooten jongen, die een harp op den rug droeg, en dus zijn beroep te kennen gaf. De minnezanger scheen van geen lagen stand te zijn; want zonder nog op den glans van zijn rijk geborduurd kleed te letten, droeg hij om den hals een zilveren keten, waaraan de stemsleutel zijner harp hing. Op zijn rechterarm blonk een zilveren plaat, waarop, in plaats van, zooals gewoonlijk, het wapen van den edele, tot wiens huisgezin hij behoorde, slechts het woord _Sherwood_ gegrift was.--"Wat wilt gij daarmede zeggen?" vroeg de vroolijke minnezanger, zich in het gesprek der boeren mengende: "Ik ben hier gekomen, om één onderwerp voor een lied te zoeken, en bij onze Heilige Maagd, ik zou dubbel verheugd zijn er twee te vinden!"

"Het is volkomen bewezen," zei de oudste boer, "dat Athelstane van Coningsburgh, na vier weken dood geweest te zijn--"

"Dat is onmogelijk," hernam de minnezanger; "ik heb hem levend gezien bij het toernooi van Ashby-de-la-Zouche."

"En toch was hij dood, of ten minste begraven," hervatte de jongere boer; "want ik heb de monniken van St. Edmunds klooster den lijkzang over hem hooren zingen; en buitendien was er een prachtig lijkmaal en rouwfeest te Coningsburgh, zooals het behoorde; en ik zou er heen gegaan zijn zonder Mabel Parkin, die--"

"Maar uw verhaal, vrienden, uw verhaal!" viel hem de minnezanger een weinig ongeduldig in de rede.

"Ja, ja, de geschiedenis maar," zei een dikke monnik, die naast hen stond, op een stok leunende, die het midden hield tusschen een pelgrimsstaf en een strijdknots, en waarschijnlijk voor beide diende, naar dat de gelegenheid eischte,--"uw geschiedenis," zei de kloeke geestelijke, "laat den dag er niet over verloopen;--wij hebben niet veel tijd te verliezen."

"Als het uw eerwaarde behaagt," zei Dennet, "een dronken priester kwam den Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken.--"

"Het behaagt mijn eerwaarde niet," antwoordde de geestelijke, "dat er zulk een dier als een dronken priester zijn zou; of, als er een is, dat een leek hem zoo noeme! Wees beleefd, vriend, en verbeeld u den heiligen man alleen in gepeins verzonken, wat het hoofd duizelig en den voet onzeker maakt, even alsof het lichaam met nieuwen wijn gevuld ware.--Ik heb het zelf ondervonden!"

"Goed dan," hervatte vader Dennet; "een heilige broeder dan kwam den Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken; de bezoeker was een soort van verloopen priester, die de helft van het wild, dat in het woud gestolen wordt, velt, die den klank van een beker liever hoort, dan dien van de misklok, en een stuk ham boven tien gebedenboeken de voorkeur geeft; voor het overige een goede, vroolijke vent, die een strijdknots zwaait, een boog spant, en het in de danszaal volhoudt tegen den beste in Yorkshire."

"Dit laatste gedeelte van uwe rede, Dennet," zei de minnezanger, "heeft u een paar ribben gered!"

"Stil maar; ik vrees hem niet!" hervatte Dennet; "ik ben wat oud en stijf, maar toen ik bij Doncaster in het worstelperk trad,--"

"Maar het verhaal,--het verhaal, vriend!" riep weder de minnezanger.

"Wel, het verhaal komt hierop neder: Athelstane van Coningsburgh werd in St. Edmunds klooster begraven,"--

"Dat is een grove leugen," zei de monnik; "want ik heb hem naar zijn eigen kasteel van Coningsburgh zien dragen."

"Nu, verhaal dan de geschiedenis zelf," zei Dennet, zich knorrig over dit herhaalde tegenspreken afwendende; en het was met eenige moeite, dat de boer overgehaald werd, op verzoek van zijn makker en den minnezanger, om zijn verhaal te hervatten.--"Deze twee _matige_ broeders dan," zei hij eindelijk, "dewijl deze eerwaarde man volstrekt hebben wil dat zij dit waren, hadden goeden wijn en goed bier, en ik weet niet wat al meer, gedurende het grootste gedeelte van een zomerschen dag gedronken, toen zij opgewekt werden door een zwaar gezucht en het gerammel van ketens en de gedaante van den overledenen Athelstane trad in het vertrek, zeggende: "Gij onwaardige herders!"

"Dat is gelogen," riep de monnik driftig, "hij sprak geen enkel woord!"

"Ha, ha! broeder Tuck," zei de minnezanger, den monnik ter zijde nemende; "wij hebben een nieuwen haas opgejaagd, zooals ik zie!"

"Ik zeg u, Allan-a-Dale," hervatte de heremiet, "ik heb Athelstane van Coningsburgh even goed gezien, als ooit vleeschelijke oogen een levend mensch gezien hebben. Hij had het grafkleed aan, en bracht een graflucht mede.--Een vat wijn zal het mij niet uit het geheugen spoelen."

"Bah!" antwoordde de minnezanger, "gij schertst!"

"Geloof mij nooit weder," hervatte de monnik, "zoo ik hem niet een slag met mijn knots gegeven heb, die een os zou ter neêr geveld hebben, en die door zijn lichaam heen ging, evenals door een rookwolk."

"Bij St. Hubertus!" zei de minnezanger, "het is een wonderbaar verhaal, en geschikt om op rijm gebracht te worden naar de oude wijs: "de Smart kwam bij den ouden monnik!""

"Lach maar, als gij lust hebt," hervatte broeder Tuck; "maar als gij mij op het zingen van zulk een liedje betrapt, dan moge de eerste de beste geest of duivel mij hals over kop met zich meênemen.--Neen, neen, ik vatte aanstonds het voornemen op, om bij het een of ander goed werk tegenwoordig te zijn, zooals het verbranden van eene heks, een Godsgericht, of een soortgelijke Gode welgevallige verrichting!"