Ivanhoe

Chapter 43

Chapter 433,824 wordsPublic domain

Er zijn weinig schoonere en bekoorlijker natuurtooneelen in Engeland, dan in de nabijheid van deze oude Saksische vesting. De stille en liefelijke rivier, de Don, stroomt door een breed dal, waarin bouwland rijkelijk met bosschen afgewisseld wordt, en op een berg, welke van den oever der rivier opstijgt, verheft zich het oude kasteel, verdedigd door muren en grachten, dat, zooals de Saksische naam aanduidt, vóór de Verovering, een residentie der Koningen van Engeland was. De buitenmuren werden waarschijnlijk door de Normandiërs bijgebouwd; maar het binnenste getuigt van eene zeer groote oudheid. Het oudste gedeelte van het kasteel ligt op eene hoogte in een hoek van de binnenplaats, en vormt een volkomen cirkel van omtrent vijf en twintig voet in middellijn. De muur is van buitengewone dikte en door zes ontzaglijk groote, gemetselde steunpilaren verdedigd, welke tegen de zijden van den toren aanleunen, als het ware om dien te schragen. Deze massieve stutten zijn naar boven toe hol, en loopen in een soort van torentjes uit, welke met het binnenste van het hoofdgebouw zelf in verbinding staan. Het voorkomen van dit groote gebouw op een afstand, met deze zonderlinge bijgebouwen, is even belangwekkend voor de beminnaars van het schilderachtige, als het binnenste van het kasteel zelf voor den ijverigen oudheidkundige, wiens verbeelding daardoor in de tijden der Zeven Koninkrijken verplaatst wordt. Een hol in de nabijheid van het kasteel wordt als het graf van den beroemden Hengist aangewezen, en verscheidene zeer oude en bezienswaardige gedenkteekenen worden op het kerkhof in de buurt getoond.

Toen Richard en zijn gevolg dit ruw en toch statig gebouw naderden, was het niet, zooals heden, door uitwendige versterkingen omringd. De Saksische bouwmeester had zijne kunst uitgeput om het hoofdgebouw tot verdediging geschikt te maken, en er was geene andere omheining dan een ruwe borstwering van palissaden.

Eene groote zwarte banier, welke van den top van den toren waaide, duidde aan dat de begrafenisplechtigheden van den laatsten eigenaar nog gevierd werden. Deze vlag droeg geen teeken van de geboorte of van den rang des overledenen, want wapens waren toen eene nieuwigheid, zelfs onder de Normandische ridderschap, en geheel onbekend bij de Saksers. Maar boven de poort hing eene andere banier, waarop de ruw geschilderde afbeelding van een schimmel, de afstamming en den rang van den overledene te kennen gaf, door het welbekend zinnebeeld van Hengist en zijne krijgers.

Rondom het kasteel heerschte groote drukte; want zulke begrafenisfeesten waren eene aanleiding tot algemeene en kwistige gastvrijheid, waaraan niet alleen zij, die in eenige, zelfs de verste betrekking tot den doode stonden, maar alle voorbijreizenden genoodigd werden deel te nemen. De rijkdom en het aanzien van den overleden Athelstane maakten, dat deze plechtigheden op de ruimst mogelijke schaal gevierd werden.

Men zag dus talrijke benden de hoogte waarop het kasteel stond, op- en afstijgen; en toen de Koning en zijn gevolg door de open en onbewaakte poorten reden, bood de inwendige ruimte een tooneel aan, dat met de aanleiding tot deze bijeenkomst niet gemakkelijk overeen te brengen was. Aan den éénen kant waren de koks bezig met zware ossen en vette schapen te braden; aan den anderen waren okshoofden bier aangestoken, ten behoeve van alle aankomelingen. Men zag groepen van allerlei stand, die de hun aangebodene spijs en drank gretig verslonden. De half naakte Saksische lijfeigene stilde zijn halfjarigen honger en dorst door één dag van zwelgerij en dronkenschap;--de meer welgestelde burger en gildebroeder gebruikte de spijzen met smaak, of sprak oordeelkundig over de hoeveelheid van het mout en de bekwaamheid van den brouwer. Men zag ook eenigen van den minderen Normandischen adel, die men aan hun geschoren kinnen en korte mantels onderscheiden kon, en niet minder daardoor, dat ze altijd bij elkander bleven en de geheele plechtigheid met groote minachting aanschouwden, zelfs terwijl ze zich verwaardigden van al het goede gebruik te maken, dat zoo mild werd opgedischt.

Bedelaars waren er natuurlijk in groote menigte, zoowel als rondzwervende soldaten, die uit Palestina waren teruggekeerd (ten minste naar hun eigen zeggen); kramers stelden hunne waren ten toon, reizende handwerkers vroegen om arbeid, en pelgrims en verloopen priesters, Saksische minnezangers en barden uit Wallis, prevelden gebeden en lokten onwelluidende tonen uit hunne harpen, violen en citers. De één roemde Athelstane in eene treurige lijkrede; een ander roemde in een Saksisch gedicht zijn geslachtslijst en de hardklinkende, barbaarsche namen van zijn edele voorouders. Narren en goochelaars ontbraken er niet, en men was niet van oordeel, dat de aanleiding tot de bijeenkomst de uitoefening van hunne kunsten onbetamelijk of ongepast maakte. De begrippen der Saksers bij die gelegenheid waren inderdaad even natuurlijk als ruw. Als de droefheid dorst leed, dan was er te drinken;--was ze hongerig, dan was er te eten;--als ze op het hart lag en het ter neêr drukte, dan waren er middelen tot vroolijkheid, of ten minste tot afleiding voorhanden, die de aanwezigen niet beneden zich achtten tot hun troost te besteden, ofschoon nu en dan de mannen, alsof zij zich plotseling de reden herinnerden, welke hen bijeengebracht had, allen tegelijk steunden, terwijl de vrouwen, in groot getal tegenwoordig, haar stem verhieven en luide weeklachten lieten hooren.

Dit was het tooneel op het slotplein van Coningsburgh, toen Richard met zijn gevolg optrad. De huishofmeester, die zich niet verwaardigde om acht te slaan op de groepen van mindere gasten, welke gestadig in- en uitgingen, ten minste niet meer dan noodig was om de orde te handhaven, werd door het voorkomen van den Koning en Ivanhoe getroffen; maar vooral daar hij zich verbeeldde, dat de trekken van den laatste hem bekend waren. Buitendien was de verschijning van twee ridders, zooals zij door hun kleeding bleken te zijn, een zeldzame gebeurtenis bij eene Saksische plechtigheid, en kon niet anders dan als een soort van eer voor den overledene en zijne familie beschouwd worden. In zijn zwart gewaad en met zijn witten ambtsstaf in de hand, maakte dus deze gewichtige personage ruimte door de bonte vergadering van gasten, en geleidde Richard en Ivanhoe naar den ingang van den toren. Gurth en Wamba vonden spoedig kennissen op het plein, en waagden het niet verder door te dringen, tot hunne tegenwoordigheid gevorderd werd.

TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Ik vond hen bezig met Marcello's lijk. Er werd een melodij gehoord, zoo plechtig, Te midden van geween en treurgezangen, Gelijk oude vrouwen, die bij dooden waken, Gewoon zijn aan te heffen heel den nacht.

Oud Tooneelstuk.

De ingang van den grooten toren van het kasteel van Coningsburgh is zeer eigenaardig, en getuigt van de ruwe eenvoudigheid der vroege tijden, toen het opgericht werd. Een trap, zoo steil en smal, dat ze bijna loodrecht staat, leidt naar een laag portaal in de zuidzijde van den toren, waardoor de nieuwsgierige oudheidkundige nog toegang krijgen kan tot eene tweede kleine trap, welke in den dikken hoofdmuur gemaakt was, en die naar de derde verdieping van het gebouw voerde.--De beide benedenste verdiepingen zijn gevangenissen, of gewelven, welke geen andere lucht of licht krijgen dan door een vierkant gat in de derde verdieping, met welke zij door een ladder gemeenschap schijnen gehad te hebben. Tot de bovenste vertrekken in den toren, die in het geheel uit vier verdiepingen bestaat, komt men langs trappen, in de buitenmuren aangebracht.

Langs dezen moeielijken ingang werd de goede Koning Richard, gevolgd door zijn getrouwen Ivanhoe, in het groote vertrek, dat de geheele derde verdieping beslaat, gebracht. De laatste had den tijd om zijn gezicht in zijn mantel te wikkelen, daar hij het beter vond, zich niet aan zijn vader te vertoonen, eer de Koning hem een teeken zou geven. Er zaten in dit vertrek rondom een groote eiken tafel een twaalftal van de doorluchtige stamhouders van de Saksische familiën der aangrenzende graafschappen. Het waren allen oude, of ten minste bejaarde mannen; want de jongeren hadden, tot groot verdriet der ouders, evenals Ivanhoe, vele der scheidsmuren omvergeworpen, welke sedert eene halve eeuw de Normandische overwinnaars van de overwonnen Saksers gescheiden hadden. De terneêrgeslagen en droevige blikken van deze eerwaardige mannen, hunne stilte en bedroefde houding, leverde eene sterke tegenstelling met de lichtvaardigheid der gasten buiten het kasteel. Hunne grijze lokken en lange, zware baarden en hunne ouderwetsche kleederen en ruime zwarte mantels pasten goed bij het zonderling en ruw vertrek, waarin zij zaten, en gaven hun het voorkomen van eene verzameling der oude aanbidders van Wodan, die in het leven teruggeroepen waren, om te treuren over het verval van hun volksroem.

Ofschoon Cedric van gelijken rang als zijne landslieden was, scheen hij echter, met algemeen goedvinden, als hoofd der vergadering te handelen. Bij het binnenkomen van Richard, die hen alleen als de dappere Zwarte Ridder bekend was, stond hij deftig op, en verwelkomde hem met de gewone groete "_Weas heal!_" terwijl hij een beker wijn ophief. De Koning, wien de gewoonten zijner Engelsche onderdanen niet vreemd waren, beantwoordde dit met de gewone woorden: _Drinc heal!_ en ledigde een beker, die hem door den schenker overhandigd werd. Dezelfde beleefdheid werd jegens Ivanhoe in acht genomen, die zijn vader stilzwijgend bescheid gaf, en het gewoon antwoord verving door eene buiging, uit vrees dat zijn stem herkend zou worden.

Toen deze plechtigheid voorbij was, stond Cedric op en Richard de hand aanbiedende, geleidde hij hem in een kleine en zeer ruwe kapel, welke, als het ware, in een van de uitwendige bogen uitgehold was. Daar er geene opening was, behalve een zeer nauw luchtgat, zou deze plaats bijna geheel duister geweest zijn zonder het licht van twee fakkels, welke met een rooden en somberen gloed het gewelfde dak en de naakte muren, het ruwe steenen altaar en het kruis vertoonden. Voor dit altaar stond een baar en aan iedere zijde er van knielden drie priesters, die hun rozenkrans baden en hunne gebeden prevelden, met den schijn der meeste aandacht. Voor dezen dienst werd een rijk losgeld door de moeder des overledenen aan het klooster van St. Edmund betaald; en om het ten volle te verdienen, hadden zich al de broeders, behalve de kreupele Sacristijn, naar Coningsburgh begeven, waar zes van hen zich gedurig met het verrichten der godsdienstige plechtigheden bij Athelstane's lijkbaar bezig hielden, terwijl de anderen niet in gebreke bleven gebruik te maken van de ververschingen en vermaken, welke hun aangeboden werden. Gedurende deze vrome wacht, droegen de monniken bijzondere zorg om hunne gezangen geen oogenblik af te breken, uit vrees dat Zernebock, de Appollyon der oude Saksers, zijne klauwen aan den overleden Athelstane zou slaan. Niet minder bezorgd waren ze om te beletten dat eenig leek het lijkkleed aan zou raken, dat vroeger bij de begrafenis van St. Edmund gediend had, en dat door ongewijde handen ontheiligd zou wezen. Wanneer zulk eene oplettendheid den overledene wezenlijk van nut had kunnen zijn, dan had hij eenig recht om ze van de broederschap van St. Edmund te verwachten, daar de moeder van Athelstane te kennen gegeven had, dat zij, behalve honderd goudstukken voor het losgeld zijner ziel, aan het klooster het grootste gedeelte van de landerijen des overledenen wilde schenken, ten einde men gedurig missen zou lezen voor zijne ziel en voor die van haren echtgenoot.

Richard en Wilfrid volgden den Sakser Cedric naar het vertrek waar de doode rustte, en terwijl hij hen met een plechtstatig gelaat op de baar van Athelstane wees, volgden zij zijn voorbeeld en maakten eerbiedig een kruis, terwijl ze een kort gebed voor het heil der ziel van den gestorvene prevelden.

Na deze godsdienstige plechtigheid, gaf Cedric hun weder een teeken om hem te volgen, terwijl hij zachtjes over den steenen vloer sloop; en na eenige trappen opgegaan te zijn, opende hij, met groote voorzichtigheid de deur van een bidvertrekje, dat aan de kapel grensde. Het was omtrent acht voet in het vierkant en even als de kapel zelve in den muur gehouwen. Het luchtgat, dat het verlichtte, stond naar het westen en daar het naar binnen toe aanmerkelijk wijder werd, baande zich een straal der ondergaande zon een weg tot in deze duistere ruimte, en vertoonde een vrouw van eerbiedwaardig voorkomen, wier gelaat nog de duidelijke sporen van uitstekende schoonheid droeg. Haar lang rouwgewaad en haar krans van cypressen verhoogden de blankheid van haar gelaat en de schoonheid van hare blonde, loshangende vlechten, welke de tijd gedund noch vergrijsd had. Haar gelaat drukte de diepste droefheid uit, die met onderwerping samen kan gaan. Op de steenen tafel vóór haar, stond een ivoren kruis, waar naast een misboek lag, welks bladzijden rijk beschilderd en welks band met gouden krammen en sloten versierd was.

"Edele Edith," zei Cedric, na een oogenblik te hebben stil gestaan, om Richard en Wilfrid tijd te geven, de vrouw des huizes te beschouwen, "dit zijn waardige vreemdelingen, gekomen om in uwe smart te deelen. En deze, in het bijzonder, is de dappere ridder, die zoo heldhaftig voor de verlossing van hem gestreden heeft, dien wij heden betreuren."

"Zijne dapperheid verdient mijn dank," hernam de vrouw, "ofschoon het de wil des Hemels was, dat ze te vergeefs betoond zou worden. Ik betuig ook mijn dank voor zijne beleefdheid en voor die van zijn makker, daar zij herwaarts zijn gekomen om de weduwe van Adeling en de moeder van Athelstane in het uur harer diepe smart en droefheid te bezoeken. Ik vertrouw hen aan uwe zorg, waarde neef, overtuigd dat gij hun de gastvrijheid zult betoonen, welke dit kasteel nog aanbieden kan."

De gasten maakten eene diepe buiging voor de bedroefde moeder en verwijderden zich met hun gastvrijen leidsman.

Een andere wenteltrap bracht hen in een vertrek van dezelfde grootte als dat, waarin zij eerst geweest waren en dat zich er vlak onder bevond. Uit deze kamer vernamen zij, nog eer de deur geopend werd, een zacht en droefgeestig gezang. Toen zij binnen traden, bevonden zij zich in tegenwoordigheid van omtrent twintig vrouwen en meisjes van aanzienlijke Saksische geslachten. Vier jonkvrouwen, door Rowena voorgegaan, zongen een hymne voor de ziel des overledenen, waarvan wij slechts een paar verzen hebben kunnen ontcijferen:

Tot stof en asch Keert al wat was; De huurling lei weêrom Zijn tooisel af Voor worm en graf,-- Verrottingseigendom.

Onzeker vloog Uw ziel omhoog, Naar 't rijk van smarte en weên. Uw pijn vangt aan Voor d'euveldaân, Bedreven hier beneên.

Maria's woord, Maak in dat oord Uw boete kort van duur! Tot u 't gebed En 't loflied redt, Uit hel en vagevuur.

Terwijl dit gezang op zachten en droefgeestigen toon gezongen werd, waren de overige meisjes in twee groepen verdeeld, waarvan de een bezig was om een grooten zijden lijkmantel, bestemd om Athelstane's doodkist te bedekken, met borduursel te versieren, zoo goed hare bekwaamheid en haar smaak dat toelieten, terwijl de anderen zich bezig hielden met uit bloemkorven, die vóór haar stonden, kransen te vlechten, voor hetzelfde droevige doel bestemd. Het gedrag der meisjes was hoogst betamelijk, al toonde het dan ook geene diepe droefheid, maar tusschenbeide haalde een gefluister, of een glimlach, haar de berispingen van de meer gestrenge vrouwen op den hals, en hier en daar kon men eene jonkvrouw zien, die er meer belang in scheen te stellen om te onderzoeken hoe het rouwgewaad haar stond, dan in de droefgeestige plechtigheid, tot welke ze zich voorbereidden. De stemming werd (om de waarheid te bekennen), ook geheel niet veranderd door de verschijning van twee vreemde ridders, die menigen blik en menig gefluister veroorzaakten. Rowena alleen, te trotsch om ijdel te zijn, begroette haren verlosser met bevallige beleefdheid. Haar gedrag was ernstig, maar niet neerslachtig; en het is zeer onzeker, of de gedachte aan Ivanhoe en aan de onzekerheid van zijn lot, niet evenveel deel aan haar ernst had, als de dood van haar bloedverwant.

Voor Cedric echter, die, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, bij zulke gelegenheden niet zeer helder zag, scheen de droefheid zijner pupil zooveel grooter dan die der overige jonkvrouwen, dat hij noodig oordeelde den vreemden de verklaring daarvan in deze woorden toe te fluisteren: "Zij was de verloofde bruid van den edelen Athelstane."--Het is zeer twijfelachtig, of deze mededeeling Wilfrid's neiging om in de droefheid der rouwdragenden te Coningsburgh te deelen, versterkte.

Nadat Cedric de gasten aldus plechtig in de verschillende kamers, waarin de lijkplechtigheid van Athelstane op onderscheidene wijze gevierd werd, rondgeleid had, bracht hij hen in een klein vertrek, hetwelk, gelijk hij zeide, uitsluitend tot de ontvangst van aanzienlijke gasten bestemd was, die wegens hunne mindere betrekking tot den overledene niet geneigd zouden zijn, zich met diegenen te vereenigen, die onmiddellijk door dit ongelukkig voorval getroffen werden. Hij zorgde voor hun gemak en wilde zich juist verwijderen, toen de Zwarte Ridder hem bij de hand vatte.

"Ik verzoek u, edele _Thane_," zei hij, "u te herinneren, dat gij bij ons laatste scheiden beloofdet mij een gunst toe te staan voor den dienst, welken ik het geluk had u te bewijzen."

"Hij is toegestaan eer gij hem noemt, edele ridder," antwoordde Cedric, "maar in dit droevig oogenblik--"

"Daaraan heb ik ook reeds gedacht," hernam de Koning;--"maar mijn tijd is kort;--ook schijnt het mij niet ongepast toe, dat wij bij het sluiten van het graf van den edelen Athelstane zekere vooroordeelen en verkeerde meeningen begraven."

"Heer ridder," viel Cedric, rood wordende, den Koning in de rede, "ik hoop, dat uwe bede u zelven en geen anderen betreft; want het is niet gepast, dat een vreemdeling zich zou bemoeien met eene zaak, die de eer van mijn huis betreft."

"Ik wil er mij ook niet mede bemoeien," zei de Koning op zachten toon, "dan voor zoover gij mij zelf vergunt er deel in te nemen. Daar gij mij tot hiertoe slechts als den Zwarten Ridder gekend hebt, zoo verneem thans dat ik Richard Plantagenet ben."

"Richard van Anjou!" riep Cedric uit, met de grootste verbazing achteruit tredende.

"Neen, edele Cedric,--Richard van Engeland!--wiens dierbaarst belang, wiens vurigste wensch het is alle landskinderen met elkander vereenigd te zien.--Hoe, waardige _Thane_! buigt ge de knie niet voor uw Vorst?"

"Nog nooit boog ik ze voor Normandisch bloed!" antwoordde Cedric.

"Bewaar deze hulde dan," zei de Koning, "tot ik door mijn onpartijdige behandeling van Normandiërs en Saksers mijn recht er op zal bewezen hebben."

"Prins," hernam Cedric, "ik heb uwe dapperheid en waarde altijd recht laten wedervaren.--Ook ben ik niet onbewust van uwe aanspraken op den troon door uwe afstamming van Mathilde, de nicht van Edgar Atheling en de dochter van Malcolm van Schotland. Maar Mathilde, ofschoon van het koninklijk Saksisch bloed, had geen recht op de kroon."

"Ik wil niet met u over mijne aanspraken twisten, edele _Thane_;" zei Richard bedaard, "maar ik wil u verzoeken rond te zien, waar ge anderen vinden zult, die tegen de mijne in de weegschaal kunnen gelegd worden."

"En zijt ge hier gekomen om mij dit te zeggen, Prins?" zei Cedric;--"om mij den ondergang van mijn geslacht te verwijten, eer het graf over den laatsten spruit van het Saksisch koningschap gesloten is?"--Zijn gelaat werd somber onder het spreken.--"Dit was stout en onbezonnen gehandeld!"

"Dat niet, bij het heilige kruis!" hernam de Koning; "het geschiedde in het oprecht vertrouwen, dat de eene brave man in den anderen stellen kan, zonder het minste gevaar te loopen."

"Ge hebt gelijk, heer Koning;--want ik erken, dat ge Koning zijt en blijven zult, in weerwil van mijne zwakke tegenkanting.--Ik durf het eenige middel om dit te beletten, niet gebruiken, ofschoon ge mij zelf aan eene sterke verzoeking blootgesteld hebt!"

"En nu mijne bede," zei de Koning, "welke ik niet met minder vertrouwen doe, ofschoon gij geweigerd hebt, mijne wettige heerschappij te erkennen. Ik eisch van u, als man van uw woord, op straffe van voor trouweloos, meineedig en eerloos gehouden te worden, om den dapperen ridder Wilfrid van Ivanhoe vergiffenis en uwe vaderlijke liefde te schenken. Bij deze verzoening begrijpt gij, dat ik belang heb;--het geluk van mijn vriend, en het slechten der oneenigheid onder mijn getrouw volk."

"En dit is Wilfrid?" vroeg Cedric, op zijn zoon wijzende.

"Mijn vader!--mijn vader!" riep Ivanhoe, zich aan zijn voeten werpende, "schenk mij uwe vergiffenis!"

"Gij hebt ze, mijn zoon!" hervatte Cedric, hem opheffende. "De zoon van Hereward weet woord te houden, al heeft hij het ook aan een Normandiër gegeven. Maar laat mij u in de kleeding en met de wapens uwer Saksische voorouders zien;--geene korte mantels, geene luchtige mutsen, geene bonte vederbos in mijn nederig huis. Hij, die de zoon van Cedric zijn wil, moet toonen, dat hij van Saksische afkomst is. Gij wilt spreken," voegde hij er op een ernstigen toon bij, "en ik vermoed het onderwerp. De Jonkvrouw Rowena moet twee jaren lang rouwen, als over een verloofden echtgenoot;--al onze Saksische voorouders zouden ons verloochenen, zoo wij aan eene nieuwe verbintenis dachten, eer het graf van den man, dien zij huwen moest, en die hare hand door zijne geboorte en afkomst waardig was, nog gesloten is. De geest van Athelstane zelven zou van zijne bloedige lijkbaar opstaan, en vóór ons verschijnen, om ons van zulk eene onteering zijner nagedachtenis terug te houden!"

Het scheen alsof Cedric's woorden een geest opgewekt hadden, want nauwelijks had hij ze geuit, of de deur vloog open, en Athelstane stond voor hen in zijn doodsgewaad, bleek, vervallen, en volkomen als iemand, die uit het graf is opgestaan. [38]

Deze verschijning verwekte de grootste ontsteltenis en schrik bij alle aanwezigen. Cedric sprong terug, zoo ver als de muur van het vertrek toeliet, leunde er tegen, alsof hij niet in staat was te blijven staan, en staarde op de gedaante van zijn vriend met opengespalkte oogen en een mond, dien hij niet scheen te kunnen sluiten. Ivanhoe maakte een kruis, en zei gebeden op in het Saksisch-Latijn, of Normandisch-Fransch, zooals ze hem voor den geest kwamen, terwijl Richard beurtelings "_Benedicite!_" riep en "_Mort de ma vie!_" vloekte.

Intusschen hoorde men een verschrikkelijk gedruisch beneden in het huis, daar eenigen schreeuwden: "Vat de verraderlijke monniken!" anderen: "Werpt hen in de gevangenis!" en weêr anderen: "Smijt hen van de hoogste bolwerken af!"

"In Gods naam!" zei Cedric, zich tot den gewaanden geest van zijn overleden vriend wendende, "indien gij een sterveling zijt, spreek!--indien gij een geest van een afgestorvene zijt, zeg dan, waarom gij ons weder bezoekt, of wat ik doen kan, om uwe ziel tot rust te brengen.--Levend of dood, edele Athelstane, spreek tot Cedric!"

"Dat zal ik," antwoordde de verschijning zeer bedaard, "zoodra ik adem geschept heb, en gij mij den tijd geeft.--Levend, zeidet gij?--Ik leef zoo goed als een mensch leven kan, die van brood en water geleefd heeft gedurende drie dagen, welke mij drie eeuwen toeschijnen.--Ja, brood en water, vader Cedric! Bij den hemel en alle heiligen! er is in drie volle dagen geen beter voedsel over mijn lippen gekomen, en het is door Gods voorzienigheid, dat ik thans hier ben, om u zulks te verhalen!"

"Hoe, edele Athelstane?" zei de Zwarte Ridder; "ik heb zelf gezien, dat gij door den trotschen Tempelier ter neêr geveld werdt bij de bestorming van Torquilstone, en zooals ik dacht, en Wamba verhaalde, was uw schedel tot aan de tanden toe door gekloofd!"