Chapter 42
"Staat op, vrienden," zei Richard, op vriendelijken toon, hen aanziende met een gelaat, waarop zijne gewone opgeruimdheid reeds alle teekens van toorn overwonnen had, en op welks trekken geen spoor meer van den zoo even geleverden woedenden strijd te zien was, behalve de hoogere kleur, welke de inspanning veroorzaakt had.--"Staat op, vrienden! uw wangedrag zoowel in het bosch als in het veld, is uitgewischt door de diensten, welke gij aan mijne verdrukte onderdanen onder de muren van Torquilstone bewezen hebt, en door de redding, welke uw koning u heden te danken heeft. Staat op, mijn getrouwen, en weest ook in het vervolg goede onderdanen.--En gij, brave Locksley,--"
"Noem mij niet langer Locksley, mijn vorst; maar ken mij onder een anderen naam, welken ik vrees, dat de faam te ver heeft uitgebazuind, dan dat die uwe koninklijke ooren niet zou bereikt hebben.--Ik ben Robin Hood van het bosch van Sherwood."
"Koning der vogelvrijverklaarden, en vorst van alle vroolijke makkers!" zei de Koning; "wie zou een naam niet gehoord hebben, welke tot naar Palestina is overgewaaid? Maar wees verzekerd, dappere vriend! dat geene daad, welke gij in onze afwezigheid en gedurende de onrustige tijden, die er het gevolg van waren, gepleegd hebt, tot uw nadeel zal strekken."
"Wel is het spreekwoord waar," zei Wamba, hem in de rede vallende, maar met een weinig minder moedwil dan gewoonlijk: "als de kat weg is dansen de muizen!"
"Hoe, Wamba, zijt gij nog daar!" zei Richard; "daar ik uwe stem zoo lang niet gehoord had, meende ik, dat gij de vlucht genomen hadt."
"Ik de vlucht nemen!" hervatte Wamba. "Wanneer vindt gij ooit de Dwaasheid van de Dapperheid gescheiden? Daar ligt het zegeteeken van mijn zwaard, dat schoone grijze paard, dat ik hartelijk wenschte weder op zijn pooten te zien, mits zijn meester in zijne plaats daar uitgestrekt was. Het is waar, ik bleef eerst een weinig uit den weg, want een bont jakje houdt geene lanssteken tegen, zooals een stalen harnas. Maar zoo ik niet veel met de punt gevochten heb, zult gij toch moeten toegeven, dat ik tot den aanval geblazen heb."
"En dat wel met goed gevolg, eerlijke Wamba!" hernam de Koning. "Uw dienst zal niet vergeten worden."
"_Confiteor! Confiteor!_" riep op onderdanigen toon eene stem naar den Koning:--"mijn Latijn wil mij niet meer helpen;--maar ik beken mijn hoogverraad, en verzoek absolutie eer ik ter dood geleid word!"
Richard keek om, en ontwaarde den vroolijken monnik op zijne knieën, zijne rozenkrans tellende, terwijl zijn knots, welke gedurende de schermutseling niet werkeloos geweest was, naast hem op het gras lag. Zijn gelaatstrekken had hij de uitdrukking van het diepst mogelijk berouw doen aannemen, daar hij de oogen opsloeg en de hoeken van den mond neêrgetrokken had, gelijk de kwasten van een beurs, zooals Wamba placht te zeggen. Evenwel werd deze nederige vertooning van ongeveinsd berouw wonderlijk gelogenstraft door een spotachtigen trek, die er onder te voorschijn kwam, en die scheen aan te duiden, dat zijne vrees en zijn berouw beiden even oprecht waren.
"Waarom zijt gij zoo terneergeslagen, dolle priester?" zei Richard. "Vreest gij dat uw bisschop vernemen zal, hoe getrouw gij onze Heilige Maagd en St. Dunstan dient?--Stil, man! vrees niets; Richard van Engeland verraadt geene geheimen, welke bij de wijnflesch uitlekken."
"Neen, genadigste Vorst," hernam de kluizenaar (wel bekend onder den naam van broeder Tuck bij hen, die de volksvertellingen van Robin Hood kennen); "het is de bisschopsstaf niet, dien ik vrees, maar den schepter.--Helaas! dat mijne heiligschendende vuist ooit het oor van den gezalfde des Heeren aangeraakt heeft!"
"Ha! ha!" zei Richard, "waait de wind uit dien hoek?--Inderdaad, ik had den klap vergeten; ofschoon mijn oor den geheelen dag daarvan gesuisd heeft. Maar zoo die flink gegeven was, dan wil ik al deze brave jongens laten oordeelen, of hij niet even goed betaald werd;--of zoo gij denkt, dat ik u nog iets schuldig ben, dan staat u nog een klap ten dienste."
"In het geheel niet," hernam broeder Tuck; "ik heb den mijne terug ontvangen, en dat wel met woeker; moge uw Majesteit uwe schulden altijd even goed betalen!"
"Zoo ik dat maar met klappen kon doen," zei de Koning, "dan zouden mijne schuldeischers weinig reden hebben, om over mijn ledige schatkist te klagen."
"En toch," zei de monnik, zijn schijnheilig gelaat weder aannemende, "weet ik niet, welke boete ik voor dien heiligschendenden slag moet doen!"
"Spreek er niet meer van, broeder," zei de koning; "nadat ik zooveel slagen van Heidenen en ongeloovigen gekregen heb, zou het onverstandig van mij zijn, vertoornd te worden over den klap van een zoo heiligen kluizenaar, als dien van Copmanshurst. Maar, eerlijke monnik, mij dunkt toch, het ware best voor de kerk en u zelven, dat ik u verlof bezorgde, om het monnikskleed uit te trekken, en dat ik u bij mijn lijfwacht aanstelde, ten einde zorg voor mijn persoon te dragen, gelijk te voren voor het altaar van St. Dunstan?"
"Mijn Koning," zei de monnik; "ik vraag u nederig om verschooning hiervan; en gij zult mijne verontschuldiging gaarne aannemen, zoo gij maar weet, hoe de zonde der luiheid mij bekropen heeft.--St. Dunstan--hij zij ons genadig!--blijft rustig in zijn nis, al vergeet ik ook mijne gebeden onder het jagen van een vetten reebok.--Soms blijf ik ook wel een nacht buiten mijne cel, ik weet niet waarom,--en St. Dunstan klaagt nooit,--hij is een zoo stil en vreedzaam meester, als er ooit een van hout gemaakt werd.--Maar lijfwacht te zijn, om mijn Koning en Heer te dienen,--de eer is zonder twijfel groot,--en toch, zoo ik maar eens op zij ging, om eene weduwe in den éénen hoek te troosten, of een hert in den anderen te schieten, dan zou het terstond wezen: "Waar is die hond van een priester? Wie heeft dien verwenschten Tuck gezien? Die schurk van een monnik vernielt meer wild dan al de overigen te zamen," zegt de eene houtvester. "En jaagt iedere schuwe hinde na!" roept een tweede.--Kortom, mijn Koning, ik bid u mij te laten, zooals gij mij gevonden hebt, of, zoo gij eenige goedertierenheid jegens mij betoonen wilt, beschouw mij dan als den armen heremiet van St. Dustan's cel in Copmanshurst, die iedere geringe gave in dank aannemen zal."
"Ik versta u," hervatte de Koning, "en de heilige heremiet zal het vrije jachtrecht genieten in mijn bosch van Warncliffe. Maar let wel: ik sta u in ieder jachttijd slechts drie reebokken toe; als u dit echter geen verontschuldiging geeft om er dertig te schieten, dan ben ik geen Christen ridder of echte Koning."
"Uwe Majesteit kan verzekerd zijn," antwoordde de monnik, "dat ik met de hulp van St. Dunstan middelen zal vinden, om uw allergenadigst geschenk te vermenigvuldigen."
"Ik twijfel er volstrekt niet aan, goede broeder," zei de Koning; "en daar wildbraad maar een droog eten is, zoo zal onze keldermeester bevel hebben, om u jaarlijks een vat Sek, een vaatje Malvezij en drie okshoofden van het beste bier te zenden.--Zoo dit uw dorst niet lescht, dan moet gij aan het Hof komen en kennis maken met onzen bottelier."
"Maar wat krijgt St. Dunstan?" zei de monnik.
"Een kap, een _stola_ en een altaarkleed zult gij ook hebben," vervolgde de Koning, een kruis makende.--"Maar wij mogen onze scherts niet in ernst veranderen, uit vrees dat God ons straffe, omdat wij meer aan onze gekheden dan aan Zijn eer en dienst denken."
"Ik wil voor mijn patroon instaan," zei de priester lachende.
"Sta voor u zelven in, monnik," hernam Koning Richard eenigszins ernstig, maar stak dadelijk daarop den heremiet de hand toe, welke deze een weinig beschaamd en geknield kuste. "Gij doet minder eer aan mijne opene hand dan aan mijn gebalde vuist," zei de Koning; "gij knielt slechts neder voor de eerste, en voor de andere wierpt gij u lang uit op den grond."
Maar de monnik, die vreesde, dat hij misschien den koning weder beleedigen zou door het gesprek te lang op een schertsenden toon voort te zetten,--een misslag, waarvoor zij, die met Vorsten omgaan, zich bijzonder wachten moeten,--maakte eene diepe buiging en trad terug.
Tegelijkertijd verschenen er nog twee nieuwe aankomelingen op het tooneel.
EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Heil u allen, mijn heeren van hoogeren stand, Maar niet meerder gelukkig dan wij op het land! In onze wouden gekomen, Om onze spelen te zien, Onder 't lover der boomen, Willen wij hartlijk het welkom u biên.
Macdonald.
De nieuwe aankomelingen waren Wilfrid van Ivanhoe, op het paard van den Prior van Botolph, en Gurth, die den ridder op diens strijdros vergezelde. De verbazing van Ivanhoe was grenzenloos, toen hij zijn meester met bloed bespat zag, terwijl zes of zeven gesneuvelden op het kleine grasplein uitgestrekt lagen, waar het gevecht plaats had gehad. Niet minder verwonderd was hij, Richard omringd te zien van zoovele menschen, die vogelvrijverklaarden, en dus een gevaarlijk gevolg voor een Vorst schenen te zijn. Hij wist niet, of hij den Koning als den Zwarten Ridder, of op een andere wijze aanspreken zou. Richard bemerkte zijn verlegenheid.
"Vrees niet, Wilfrid," zei hij, "om Richard Plantagenet als zoodanig aan te spreken, daar gij hem in het gezelschap van getrouwe Engelsche onderdanen ziet, ofschoon zij mogelijk door hun vurig Engelsch bloed een weinig van den rechten weg afgedwaald zijn."
"Ridder Wilfrid van Ivanhoe," zei de dappere kapitein, voorwaarts tredende, "mijn verzekeringen kunnen die van onzen Koning geen meerder gewicht geven; maar ik kan wel met eenigen trots zeggen, dat hij onder mannen, die veel geleden hebben, geen getrouwer onderdanen heeft, dan zij die hem nu omringen.
"Ik twijfel er niet aan, dappere vriend," zei Wilfrid, "daar ik u onder het getal zie.--Maar wat beduiden deze teekens van dood en gevaar, deze verslagene mannen en de bebloede wapenrusting van mijn Vorst?"
"Er is hier verraad gepleegd, Ivanhoe," antwoordde de Koning; "maar dank zij dezen braven mannen, het verraad heeft zijn loon gekregen.--Thans echter schiet mij te binnen, dat gij ook een verrader zijt," zei Richard, glimlachende, "een oproerige verrader; want heb ik u geen stellig bevel gegeven om in de Abdij van St. Botolph te blijven uitrusten, tot uwe wonde genezen was?"
"Ze is al genezen," antwoordde Ivanhoe; "ze was niet dieper dan het vel.--Maar waarom, o waarom, edele vorst, kwelt gij dus uwe getrouwe dienaren, en waagt gij uw leven op eenzame reizen en gevaarlijke avonturen, alsof het niet meer waard was, dan dat van een dolenden ridder, die niets anders op de wereld heeft dan hetgeen lans en zwaard hem verschaffen?"
"En Richard Plantagenet," hernam de Koning, "verlangt naar geen anderen roem, dan dien, welken zijn goede lans en zijn goed zwaard hem verschaffen kunnen;--en Richard Plantagenet is er trotscher op, om een avontuur met zijn goed zwaard en zijn sterken arm alleen te doorstaan, dan om een leger van honderdduizend man in den slag aan te voeren."
"Maar uw koninkrijk, mijn Vorst," zei Ivanhoe, "wordt bedreigd met burgeroorlog en ontbinding;--uwe onderdanen met allerlei rampen, indien zij hun vorst in een dezer avonturen, welke gij dagelijks alleen tot uw vermaak opzoekt, en waaraan gij nog zooeven ternauwernood ontsnapt zijt, verliezen."
"Ho! ho! mijn koninkrijk en mijn onderdanen?" antwoordde Richard ongeduldig: "ik zeg u, Wilfrid, de besten onder hen betalen mijn zotheden met gelijke munt.--Bij voorbeeld, mijn zeer getrouwe dienaar, Wilfrid van Ivanhoe wil mijne stellige bevelen niet gehoorzamen, en leest evenwel zijn Koning de les, omdat hij zich niet nauwkeurig naar zijn raad gedraagt. Wie van ons heeft de meeste reden om den ander verwijten te doen?--Maar vergeef mij, mijn getrouwe Wilfrid! De tijd, welken ik in verborgenheid doorgebracht heb en nog doorbrengen moet, is, gelijk ik u te St. Botolph verklaard heb, alleen om mijnen vrienden en getrouwen edelen den tijd te geven, om hunne macht te vereenigen, opdat Richard, als zijne terugkomst bekend wordt, aan het hoofd van zulk een leger sta, dat zijne vijanden schrikken het te zien, en dus het voorgenomen verraad smoren, zonder zelfs het zwaard te trekken. Estoteville en Bohun zullen eerst in vier en twintig uren sterk genoeg zijn om naar York op te trekken; ik moet tijding van Salisbury, uit het zuiden, van Beauchamp, uit Warwickshire, en van Multon en Percy uit het noorden hebben. De Kanselier moet voor Londen kunnen instaan. Een te spoedige verschijning zou mij aan gevaren blootstellen, uit welke mijne lans en mijn zwaard, schoon ik door den boog van den moedigen Robin, of de knots van broeder Tuck en den horen van den wijzen Wamba ondersteund werd, mij niet zouden kunnen redden."
Wilfrid boog onderdanig, daar hij wel wist hoe vergeefs het zijn zou tegen den onbezonnen ridderlijken geest te strijden, die zijn meester zoo dikwerf in gevaren stortte, welke hij gemakkelijk had kunnen vermijden, of liever, welke hij met een onvergeeflijke roekeloosheid opzocht. Wilfrid zuchtte dus, en zweeg; terwijl Richard, verheugd zijn raadsman tot zwijgen gebracht te hebben, ofschoon zijn hart de gegrondheid zijner verwijten erkende, zijn gesprek met Robin Hood vervolgde.--"Koning der roovers," zei hij, "hebt gij geene verversching aan uw broeder Koning aan te bieden? Want deze doode schelmen hebben mij èn werk èn eetlust verschaft."
"In waarheid," hernam de roover, "want ik wil uwe Majesteit niet bedriegen, onze mondvoorraad bestaat voornamelijk,--" hij zweeg eenigszins verlegen.
"Uit wild, veronderstel ik," viel Richard hem vroolijk in de rede; "betere spijs kan er niet zijn, als men honger heeft;--en waarlijk, als een Koning niet te huis blijven wil, om zijn eigen wild te schieten, dan, dunkt mij, moet hij niet hard brommen, als hij het door vreemde handen geveld vindt."
"Zoo uwe Majesteit dus weder eene der rustplaatsen van Robin Hood met uwe tegenwoordigheid vereeren wil," zei Robin, "dan zal het wild niet ontbreken; en een dronk bier, en ook nog wel een beker wijn staan tot uw dienst."
De kapitein ging vooruit om den weg te wijzen, en werd gevolgd door den vroolijken Vorst, die waarschijnlijk vergenoegder was over zijne toevallige ontmoeting met Robin Hood en zijne volgelingen, dan hij geweest zou zijn, als hij zijne koninklijke waardigheid hernomen en in een schitterenden kring van pairs en edelen het voorzitterschap bekleed had. Verandering van gezelschap en avonturen maakten het levensgeluk uit van Richard Leeuwenhart, en het was hem des te bekoorlijker, als het met menigvuldige gevaren gepaard ging. In Koning Richard werd het schitterend, maar onbeduidend karakter van een dolenden ridder bijkans verwezenlijkt, en de persoonlijke roem, welken hij door zijn wapenfeiten verwierf, was hem, wegens zijne vurige verbeelding, veel dierbaarder dan die, welken een staatkundig en wijs gedrag hem zou verschaft hebben. Dus was ook zijn regeering gelijk aan den loop van een schitterend en vluchtig luchtverschijnsel, dat langs het uitspansel snelt, een onnoodig maar geweldig licht in het rond verspreidt en plotseling door een diepe duisternis vervangen wordt; zijne ridderlijke daden verschaften onderwerpen voor dichters en minnezangers, maar aan zijn land geen van die blijvende voordeelen, waarbij de geschiedenis gaarne vertoeft, en welke zij als een voorbeeld aan de nakomelingschap voorstelt. In het tegenwoordig gezelschap echter, vertoonde zich Richard in het voordeeligst licht. Hij was vroolijk, goed geluimd, en beminde de dapperheid, in welken stand hij ze ook vond.--Onder een grooten eik werd het landelijk maal in alle haast voor den Koning van Engeland gereed gemaakt, die omringd was door mannen, welke onlangs door zijne regeering vogelvrij verklaard waren, en thans zijn hof en zijne lijfwacht uitmaakten. Toen de flesch begon rond te gaan, verloren de ruwe gezellen weldra hun ontzag voor de tegenwoordigheid des Konings uit het oog. Gezang en scherts klonken in het rond:--de geschiedenissen van vorige dagen werden verhaald; en eindelijk, terwijl zij op hunne wèl geslaagde overtreding der wetten pochten, herinnerde zich niemand meer, dat hij in tegenwoordigheid van haar natuurlijken beschermer sprak. De vroolijke Koning, die niet meer dan zijn gezelschap zijne waardigheid in het oog hield, lachte, dronk en schertste onder de vroolijke bende. Het natuurlijk gezond verstand van Robin Hood deed hem verlangen een einde aan het tooneel te maken, eer er iets voorviel, dat de eensgezindheid stoorde, te meer, daar hij bespeurde dat Ivanhoe's gelaat betrok. "Wij zijn door de tegenwoordigheid van onzen dapperen Koning vereerd," zei hij ter zijde tot den ridder; "echter wilde ik niet gaarne, dat hij den tijd verbeuzelde, welken de belangen van zijn koninkrijk kostbaar maken."
"Gij hebt gelijk, dappere Robin Hood," antwoordde de ridder, "en gij moet buitendien weten, dat zij, welke met den Koning schertsen, zelfs in zijne vroolijkste luim, slechts met den leeuw spelen, die bij de minste terging tanden en klauwen gebruikt."
"Gij hebt de ware reden van mijne vrees geraden," hernam de kapitein; "mijne lieden zijn van aard en beroep ruw; de Koning is driftig zoowel als vroolijk; en ik weet niet hoe spoedig eene beleediging kan aangedaan, of hoe ernstig ze kan opgenomen worden: het is tijd, dat de maaltijd afgebroken worde."
"Dan moet gij trachten dat te bewerken, dappere schutter," zei Ivanhoe; "want iedere wenk, dien ik getracht heb hem te geven, schijnt slechts te dienen om het feest te verlengen."
"Moet ik dus zoo spoedig gevaar loopen om de genade en de gunst van mijn Vorst te verliezen?" zei Robin Hood zich een oogenblik bedenkende; "maar, bij St. Christophorus, het zal gebeuren! Ik zou zijne genade onwaardig zijn, zoo ik ze niet voor zijn welzijn in de waagschaal stelde.--Hier Scathlock! ga in gindsch kreupelhout, en blaas een Normandisch signaal op uw horen, en dat zonder een oogenblik te dralen, zoo u het leven lief is!"
Scathlock gehoorzaamde, en in minder dan vijf minuten werden de gasten door den klank van een horen verschrikt.
"Het is Malvoisin's horen," riep de Molenaar opspringende, en naar zijn boog grijpende. De monnik liet de flesch vallen en greep naar zijn knots. Wamba bleef in het midden van eene scherts steken, en tastte naar zwaard en schild. Alle overigen grepen naar de wapens.
Mannen, aan zulk eene onveilige leefwijze gewoon, gaan zeer gemakkelijk van den disch tot den strijd over, en voor Richard scheen deze afwisseling slechts een verandering van vermaak te zijn. Hij riep om zijn helm en de zwaarste deelen van zijn wapenrusting, welke hij afgelegd had, en terwijl Gurth ze hem aandeed, gaf hij, onder straffe van zijn grootste misnoegen, Wilfrid streng bevel, om geen deel te nemen in de schermutseling, welke hij verwachtte.
"Gij hebt honderd maal voor mij gestreden, Wilfrid,--en ik heb toegezien. Heden zult gij zien, hoe Richard voor zijn vriend en leenman vechten zal!"
Intusschen had Robin Hood verscheidene van zijn lieden naar verschillende kanten uitgezonden, alsof zij den vijand verkennen moesten; en toen hij zag dat het gezelschap werkelijk verstrooid was, naderde hij Richard, die nu geheel gewapend was, en, de knie buigende, vroeg hij zijn Vorst om vergiffenis.
"Waarvoor, vriend?" zei Richard eenigszins ongeduldig. "Hebben wij u niet reeds volle vergiffenis voor alle overtredingen geschonken? Meent gij dat ons woord een veder is, welke heen en weêr geblazen kan worden? Gij hebt nog geen tijd gehad, om nieuwe zonden te begaan."
"Ja, dat heb ik toch gedaan," antwoordde de schutter, "zoo het een zonde is, mijn Vorst tot zijn eigen best te misleiden. De horen, welken gij gehoord hebt, was niet van Malvoisin, maar werd op mijn bevel geblazen, opdat de maaltijd geëindigd zou worden, uit vrees dat de uren mochten voorbijsnellen, die te gewichtig zijn om verspild te worden."
Toen stond hij op, kruiste de armen op de borst, en wachtte het antwoord des Konings eerder op eene eerbiedige dan op een onderdanige wijze af,--als een man, die bewust is, dat hij misschien beleedigd heeft, maar overtuigd is van de redelijkheid zijner handelwijze. De toorn kleurde Richard's wangen; maar het was slechts de eerste opwelling, die zijn gevoel van billijkheid terstond deed voorbijgaan. "De Koning van Sherwood," zei hij, "misgunt den Koning van Engeland zijn wild en zijne wijnflesch! Het is wèl, stoute Robin!--Maar als gij mij in het vroolijke Londen bezoekt, dan beloof ik u, dat ik een minder schraal gastheer zal zijn. Gij hebt echter gelijk, vriend. Laat ons te paard stijgen en vertrekken. Wilfrid is reeds een uur lang ongeduldig geweest. Zeg mij eens, brave Robin, hebt gij geen vriend onder uwe bende, die, niet tevreden met u raad te geven, ook volstrekt uw handelingen wil bestieren, en een benauwd gezicht zet, als gij het waagt voor u zelven te handelen?"
"Zoo iemand," antwoordde Robin, "is mijn luitenant, de kleine John, die thans op een tocht naar de grenzen van Schotland is; en ik wil Uwe Majesteit bekennen, dat de vrijmoedigheid zijner raadgevingen mij soms mishaagt;--maar, als ik er nog eens over denk, dan kan ik niet lang boos op iemand zijn, die geen anderen beweeggrond voor zijn zorg kan hebben, dan ijver voor de belangen van zijn meester."
"Gij hebt gelijk, vriend," zei Richard, "en als ik steeds aan de ééne zijde Ivanhoe had, om deftigen raad te geven, en dien door zijn ernstig gezicht te ondersteunen, en aan de andere zijde uw persoon, om mij door list te dwingen tot hetgeen gij voor mij best houdt, dan zou ik even weinig vrijen wil hebben, als eenig koning in het Christen- of in het Heidendom.--Maar komt, heeren, laat ons maar naar Coningsburgh rijden, en niet meer aan het gebeurde denken."
Robin Hood verzekerde hem, dat hij een troep op den weg, dien zij nemen moesten, vooruitgezonden had, welke niet in gebreke zou blijven, hen voor alle geheime hinderlagen te waarschuwen; en dat hij er niet aan twijfelde, of zij zouden de wegen veilig vinden, of anders zoo vroegtijdig bericht van het gevaar krijgen, dat zij in staat zouden zijn om zich terug te trekken tot eene sterke bende boogschutters, met welken hij voornemens was den Koning op denzelfden weg te volgen.
De wijze en oplettende voorzorg, welke voor Richard's veiligheid genomen werd, trof zijn gevoel en verdreef de lichte ontevredenheid, welke hij misschien nog koesterde over de list van den kapitein der vogelvrijverklaarden. Hij stak Robin Hood nog eens de hand toe, verzekerde hem van zijne volkomene vergiffenis en toekomstige gunst, zoowel als van zijn vast besluit, om de tirannieke uitoefening van het jachtrecht en andere drukkende wetten te beperken, waardoor zooveel Engelsche landlieden tot oproer gebracht werden. Maar Richard's goede voornemens jegens den stouten roover werden door zijn ontijdigen dood teleurgesteld, en de jachtwet werd aan de onwillige handen van Koning Jan afgeperst, toen hij zijn heldhaftigen broeder opvolgde. Wat het overige van Robin Hood's levensloop, zoowel als het verhaal van zijn verraderlijken dood betreft, dat kan men in die oude met gothische letters gedrukte volksverhalen vinden, welke eertijds voor den geringen prijs van een halven stuiver verkocht werden, maar nu voorwaar "tegen goud opwegen."
De verwachting van den vogelvrijverklaarde aangaande de veiligheid van den weg, werd bevestigd; en de Koning, vergezeld door Ivanhoe, Gurth en Wamba, kwam zonder verder oponthoud in het gezicht van het kasteel van Coningsburgh, terwijl de zon nog aan den hemel stond.