Chapter 41
Ivanhoe, die andere dingen in het hoofd had, dan met den eigenaar over zijn paard te staan redeneeren, leende slechts een half oor zoowel aan de deftige raadgevingen als aan de vroolijke scherts van den Prior; hij sprong dus op het paard, beval zijn schildknaap--want zoo noemde Gurth zich thans,--hem bij te blijven, en volgde het spoor van den Zwarten Ridder in het woud, terwijl de Prior in de poort stond, om hem na te zien, uitroepende: "Heilige Maria! Wat zijn die krijgslieden vlug en vurig! Ik wenschte wel, dat ik hem Malkin niet had toevertrouwd; want daar ik lam van de jicht ben, zou ik ongelukkig zijn als haar iets kwaads overkwam. En echter," voegde hij er bij, "daar ik mijn eigene oude, zwakke ledematen niet zou sparen voor Oud-Engeland, zoo moet ook Malkin zich daarvoor in gevaar begeven, en misschien houdt men wederkeerig ons arm huis eene rijke schenking waardig, of zendt men den ouden Prior een mak rijpaard. En al doen zij ook geen van beide, daar de grooten dikwijls de diensten der geringen vergeten, dan zal ik mij toch wèl beloond rekenen, als ik maar doe wat recht is. En het zal nu ook wel tijd zijn, om de broeders tot het ontbijt in de eetzaal samen te roepen.--Och! ik geloof, dat ze liever hieraan zullen gehoorzamen, dan aan de klok voor de vroegmis en het morgengebed!"
Hierop hinkte de Prior van St. Botolph naar de eetzaal terug, om het voorzitterschap bij den stokvisch en het bier te bekleeden, welke juist voor het ontbijt der monniken opgedragen werden. Ernstig en met een veelbeteekenend gelaat ging hij aan tafel zitten en liet menigen duisteren wenk vallen over de schenkingen, welke het klooster te wachten had, en over de groote diensten, welke hij zelf bewezen had, die op een anderen tijd de aandacht zijner toehoorders zouden geboeid hebben. Maar, daar de stokvisch sterk gezouten en het bier tamelijk krachtig was, waren de kinnebakken der broeders te druk bezig, om hun te vergunnen veel gebruik van hun ooren te maken, en wij lezen niet dat één der broederschap lust gevoelde om gissingen over de wenken van hun opperste te maken, behalve vader Diggory, die geweldig aan kiespijn leed, zoodat hij maar met een kant van den mond kon kauwen.
Intusschen trokken de Zwarte Ridder en zijn gids rustig door het dichte bosch; nu eens bromde de ridder in zich zelven het liedje van den een of anderen verliefden troubadour, dan weder wakkerde hij door zijne vragen de praatzucht van zijn reisgezel aan; zoodat hun gesprek een zonderling mengsel van gezang opleverde, waarvan wij onze lezers gaarne eenig denkbeeld zouden willen geven. Gij moet u dus dezen ridder verbeelden, zooals wij hem beschreven hebben, sterk van lichaam, groot, gespierd en met breede schouders, gezeten op zijn reusachtig zwart strijdros, dat tot zijn gebruik voorbestemd scheen, zoo gemakkelijk droeg het zijn last. De ridder had het vizier van zijn helm open, om vrij adem te kunnen halen; evenwel was het benedenste gedeelte gesloten, zoodat men zijn trekken slechts gedeeltelijk onderscheiden kon. Maar zijn zwart verbrande wangen en zijn groote blauwe oogen, welke met ongewone stoutheid van onder de donkere schaduw van het open vizier schitterden, kon men zien; en de geheele houding en het voorkomen van den ridder getuigden van eene zorgelooze opgeruimdheid en een moedig zelfvertrouwen,--van een gemoed, buiten staat om het gevaar te vreezen, maar altijd gereed om het te trotseeren, als iets waaraan het gewoon was geworden door aanhoudende strijden en avonturen.
De nar droeg zijne gewone zonderlinge kleeding, maar de gebeurtenissen der laatste dagen hadden hem bewogen om een fikschen krommen sabel te voeren, in plaats van zijn houten zwaard, met een schild daarbij; en hij had gedurende het beleg van Torquilstone getoond, dat hij beiden zeer goed wist te gebruiken. Wezenlijk moest de zwakheid van Wamba's brein hoofdzakelijk aan een soort van gedurige prikkelbaarheid worden toegeschreven, die hem steeds dwong van houding te veranderen, en het hem onmogelijk maakte eenige geregelde aaneenschakeling van denkbeelden te volgen, ofschoon hij voor eenige minuten vlug genoeg was om dadelijk iets te verrichten, of het onderwerp van een gesprek te volgen. Te paard dus, wierp hij zich gedurig nu eens voor- dan weder achterwaarts, nu eens op de ooren van het paard, dan bijna op den staart, nu eens hing hij met beide beenen op de eene zijde, dan weder zat hij met zijn gezicht naar den staart, grijnzende gezichten trekkende en duizenderlei kunstjes makende; tot zijn paard eindelijk zijn grappen zoo kwalijk nam, dat het hem lang uit op het groene gras wierp,--iets, dat den ridder bijzonder vermaakte, maar zijn reisgezel noodzaakte in het vervolg bedaarder te rijden.
Op het oogenblik van hunne reis, waarop wij hen weder ontmoeten, was dit vroolijk paar bezig een _virelai_ te zingen, zooals men het noemde, waar de nar den beter onderrichten ridder op een harden, krassenden toon antwoordde. Dus luidde het gezang:
DE RIDDER.
Anna Maria, ontwaakt is de zon, Anna Maria, de morgen begon; 't Vooglenkoor zingt reeds, de nevel trok heen, Rijs, mijn Maria! de morgen verscheen. Anna Maria, ik bid u, ontwaak, 'k Hoor het gejuich van het jagersvermaak, 't Schalt en weerklinkt van den heuvelentop, Anna Maria, eilieve, sta op!
WAMBA.
Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet, Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt; Want wat wij genieten al wakende, is bij Die toovergestalten van luttel waardij. Laat zingen de vooglen als d' ochtend zich meldt, Laat klinken den horen der jagers in 't veld, Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,-- Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u!
"Een aardig lied," zei Wamba, toen zij gedaan hadden; "en, bij mijn zotskap, er zit een goede les in!--Ik was gewoon het te zingen met Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;--de rug doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!"
Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje, waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde:
DE RIDDER EN WAMBA.
Er kwamen drie gasten uit Zuid, West en Noorden, En zongen bij beurten een lied, Opdat ze de weduw van Wycomb bekoorden, En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hen niet?
Een ridder van Tyndaal kwam 't eerste haar nadren, En zong al gedurig zijn lied: Beroemd was waarachtig de stam zijner vadren, En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
Hij stofte op zijn vader, zijn oom, d'eedle heeren, Op titels in 't rijmende lied, Maar ach, zij beduidde hem huiswaarts te keeren, Want 't weeuwtje van Wycomb verhoorde hem niet.
WAMBA.
De tweede bezwoer bij het licht van zijn oogen, Al zingende vroolijk zijn lied; Hij toch was een heerschap in Welschland getogen, En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
Hij heette heer David van Hugo van Morgen, Van Griffith van Tudor, zoo snoefde zijn lied, "Dat gaat niet, één weeuw voor zoo velen te zorgen!" Zoo sprak ze en verhoorde onzen Welschman ook niet.
Een pachter van Kent was de laatste gebleven, Maar zong nu zoo vleiend een lied, Hij roemde zijn rijkdom, zijn vorstelijk leven. En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
DE RIDDER EN WAMBA.
De heer en de ridder, och lagen er achter, Al zongen ze beurtlings een lied; De weduw bekoorde het goed van den pachter, Wat weeuwtje ook ter wereld verhoorde hem niet!
"Ik wilde wel, Wamba," zei de ridder, "dat onze gastheer van den gerechtseik, of de vroolijke monnik, zijn kapelaan, dit lied op den lof van onzen trotschen landman hoorde."
"Dat wilde ik niet," zei Wamba, "zoo niet die horen aan uw bandelier hing!"
"Ja," hernam de ridder, "dit is een pand van Locksley's welwillendheid, schoon ik het waarschijnlijk niet noodig zal hebben. Drie klanken op dien horen zullen, daarvan ben ik zeker, in geval van nood een goede bende van die eerlijke schutters rondom mij verzamelen."
"Ik zou zeggen, de Hemel beware ons daarvoor," hernam de nar, "zoo deze schoone gift geen onderpand was, dat zij ons vreedzaam zouden laten trekken!"
"Wat meent gij," vroeg de ridder; "denkt gij, dat zij ons zonder dit teeken van broederschap zouden aanvallen?"
"Neen, daar zeg ik niets van," antwoordde Wamba; "want groene boomen hebben zoowel ooren als steenen muren. Maar kunt gij mij zeggen, heer ridder:--wanneer is het beter, dat uwe wijnkan en beurs ledig dan vol zijn?"
"Wel, nooit dunkt mij!" antwoordde de ridder.
"Gij verdient wegens dit zotte antwoord nooit eene volle kan of beurs in de hand te hebben! Gij doet best uwe kan te ledigen, eer gij ze aan een Sakser overgeeft; en uw geld te huis te laten, als gij door het groene woud reist."
"Houdt gij onze vrienden dan voor roovers?" vroeg de ridder.
"Dat hebt gij mij niet hooren zeggen, edele heer," antwoordde Wamba; "het verlicht het paard van een reiziger, die een verren tocht te maken heeft, als men hem zijn valies afneemt; en het is wellicht goed voor zijne ziel, als men hem verlost van hetgeen de wortel des kwaads is; derhalve wil ik hun, welke zulke diensten bewijzen, geene harde namen geven. Ik zou slechts mijn valies in huis en mijne beurs op mijne kamer wenschen, als ik deze goede lieden ontmoette; omdat dit hun eenige moeite zou besparen!"
"Wij zijn evenwel verplicht naar hen te verlangen, niettegenstaande den lof, welken gij hun geeft."
"Ik wil van ganscher harte naar hen verlangen," zei Wamba, "maar in de stad, niet in het groene woud, gelijk de Abt van St. Bees, welken zij de mis hebben laten lezen in een ouden hollen eik, tot koorgestoelte."
"Zeg wat gij wilt, Wamba," hernam de ridder, "deze schutters hebben uw meester Cedric, bij Torquilstone, heerlijke diensten bewezen."
"Ja zeker," antwoordde Wamba, "maar dat is de wijze waarop zij met den Hemel handel drijven."
"Met den Hemel handel drijven, Wamba, hoe meent gij dat?"
"Wel, zóó: zij houden rekening-courant met den Hemel, zooals onze oude keldermeester zijn boekhouden placht te noemen, juist zoo goed als Izaäk de Jood ze houdt met zijne schuldenaars,--en evenals hij, geven zij weinig en nemen lang krediet; zonder twijfel tot hun eigen voordeel de zevenvoudige interesten berekenende, welke de Heilige Schrift aan liefdadige leeningen beloofd heeft."
"Geef mij een voorbeeld van wat ge bedoelt, Wamba;--ik versta iets van rekenen en interesten," antwoordde de ridder.
"Wel," zei Wamba, "indien uwe dapperheid zoo onwetend is, dan moet gij leeren, dat deze eerlijke kerels eene goede daad tegen eene andere, welke niet volkomen zoo loffelijk is, laten opwegen; b. v. een kroon, die zij aan een bedelmonnik geven, tegen honderd byzantijnen, welke zij een vetten abt ontnemen; of een meisje, dat zij in het groene woud kussen, tegen eene arme weduwe, die zij ondersteunen."
"Welke van deze laatste was de goede daad en welke de slechte?" viel hem de ridder in de rede.
"Goed gevraagd! Goed gevraagd!" riep Wamba uit. "Geestig gezelschap scherpt het verstand. Ik wil er op zweren, heer ridder, dat gij geen zoo goeden inval gehad hebt, toen gij dronken avondgebeden met den woesten kluizenaar opzeidet. Maar om voort te gaan. De vroolijke schutters stellen het opbouwen eener hut tegen het afbranden van een kasteel,--het oprichten van een kansel tegen het plunderen van eene kerk;--het in vrijheid stellen van een armen gevangene, tegen den moord van een hoogmoedigen schout,--of, om nader ter zaak te komen, het bevrijden van een Saksischen _Franklin_ tegen het levend verbranden van een Normandischen Baron. Kortom, het zijn vriendelijke dieven en hoffelijke roovers; maar het is altijd het gelukkigst hen te ontmoeten, als zij het meest in nood zijn."
"Hoe zoo, Wamba?" vroeg de ridder.
"Wel, dan hebben zij eenig berouw, en willen hun zaken gaarne met den Hemel vereffenen. Maar wanneer de balans opgemaakt is, dan zij de Hemel hem genadig, met wien zij eene nieuwe rekening openen! De reizigers, die hen eerst na hun bewezen diensten bij Torquilstone ontmoeten, zullen schoon gevild worden.--En echter," vervolgde hij, dicht naast den ridder komende, "er zijn kerels, die voor een reiziger veel gevaarlijker zijn dan gindsche vogelvrijverklaarden."
"En wie zijn dat dan; want er zijn zeker geene beren of wolven hier?" vroeg de ridder.
"Maar, wij hebben hier Malvoisin's volk," antwoordde Wamba; "en laat ik u zeggen, dat in tijden van burgeroorlog een tiental er van ten allen tijde even gevaarlijk is als een bende wolven. Zij wachten thans hun oogst, en zijn versterkt door de soldaten, die uit Torquilstone ontsnapt zijn; zoodat, indien wij een troep van deze lieden ontmoetten, wij denkelijk onze heldendaden duur zouden moeten betalen.--Nu bid ik u, heer ridder, wat zoudt gij doen, als wij er twee van ontmoetten?"
"De schurken met mijn lans tegen den grond spijkeren, Wamba, als zij ons de minste verhindering in den weg legden."
"Maar indien er vier waren?"
"Zij zouden evenzoo te pas komen," antwoordde de ridder.
"Maar indien er zes waren," vervolgde Wamba--"en wij, zooals wij hier zijn, met ons beiden;--zoudt gij niet aan Locksley's horen denken?"
"Hoe, om hulp blazen," riep de ridder, "tegen eene bende schurken, welke één goede ridder voor zich heen kan drijven, evenals de wind de verdorde bladeren voor zich heen jaagt!"
"Nu, nu," zei Wamba, "heb de goedheid en laat mij toch eens dien horen van naderbij bezien, welke een zoo machtige stem heeft."
De ridder maakte den horen van zijn bandelier los en gaf hem aan zijn reisgenoot, die hem dadelijk om zijn eigen hals hing.
"Tra-lira-la!" zei hij, die noten fluitende; "ik ken de wijs zoo goed als een ander."
"Hoe meent gij dat, schelm?" zei de ridder; "geef mij den horen terug."
"Stel u gerust, heer ridder, die is in zekere bewaring. Als de dapperheid en de dwaasheid samen reizen, dan moet de dwaasheid den horen dragen, omdat zij het best er op blazen kan."
"Maar, schelm," zei de Zwarte Ridder, "dit gaat te ver,--wacht u om mijn geduld uit te putten!"
"Gebruik geen geweld tegen mij, heer ridder," zei de nar, zich op een afstand van den vertoornden ridder houdende, "of de dwaasheid zal u de hielen laten zien, en de dapperheid, zoo goed zij kan, haar weg door het woud laten zoeken."
"Ha! daar hebt gij mij gevangen," zei de ridder, "en om de waarheid te zeggen, ik heb ook geen tijd om met u te schertsen. Behoud den horen, zoo gij wilt; maar laten wij onze reis vervolgen."
"Gij zult mij dus geen kwaad doen?" vroeg Wamba.
"Ik zeg u van neen, schelm!"
"Ja, maar geef mij uw ridderwoord er op!" vervolgde Wamba, met groote omzichtigheid naderende.
"Ik geef u mijn ridderwoord, kom maar nader met uw zotten persoon."
"Welaan dan, dus zullen de dapperheid en de dwaasheid opnieuw goede reismakkers zijn," zei de nar weder onbevreesd naast den ridder rijdende; "maar waarlijk, ik houd niet van zulke slagen, zooals gij er den lustigen monnik een gegeven hebt, toen zijne heiligheid over den grond rolde, gelijk de koning in het kegelspel. En nu, daar de dwaasheid den horen voert, laat de dapperheid zich verheffen en haar manen schudden; want, indien ik mij niet vergis, dan is er gezelschap in gindsch kreupelhout, dat op ons loert."
"Waarom denkt gij dat?" vroeg de ridder.
"Omdat ik al een paar maal een helm door de groene bladeren heb zien schemeren. Als het eerlijke kerels waren, dan bleven zij op den open weg. Maar die dichte plaats is een uitgezochte kapel voor de priesters van St. Nikolaas."
"Op mijn woord van eer," zei de ridder, zijn vizier sluitende; "ik geloof, dat gij gelijk hebt!"
En wel ter rechter tijd sloot hij het; want er vlogen op hetzelfde oogenblik uit de verdachte plaats drie pijlen naar zijn hoofd en zijn borst, waarvan de een tot in de hersenpan zou doorgedrongen zijn, als het stalen vizier de spits niet had doen afstuiten. De beide anderen werden tegengehouden door het borstharnas en het schild, dat om zijn hals hing.
"Wees gedankt, brave wapensmid!" zei de ridder.--"Wamba, laten wij op hen losgaan," en hiermede reed hij naar het kreupelhout toe. Zes of zeven gewapenden renden in volle vaart er uit, met gevelde lansen tegen hem aan. Drie van dezen troffen hem, en vlogen zonder de minste uitwerking te doen in splinters, als tegen een stalen toren. De oogen van den Zwarten Ridder schenen vuur te schieten door de opening van zijn vizier. Hij lichtte zich in de stijgbeugels, met een onbeschrijflijk waardige houding op, en riep uit: "Wat beduidt dit, mijne heeren?"--De mannen antwoordden alleen door hun zwaarden te trekken en hem van alle kanten aan te vallen, uitroepende: "Sterf, dwingeland!"
"Ha, St Eduard! ha! St. George!" riep de Zwarte Ridder, bij iederen uitroep een vijand ter neêr vellende; "hebben wij hier verraders?"
De aanvallers, hoe wanhopig ze ook vochten, weken terug voor een arm, welke met iederen slag den dood uitdeelde, en het scheen, alsof alleen de schrik voor zijne kracht de overwinning over deze schurken zou behalen, toen een ridder in een blauwe wapenrusting, die zich tot hiertoe achter de andere aanvallers gehouden had, met gevelde lans vooruit reed, en niet op den ruiter, maar op het paard mikkende, het edele dier doodelijk kwetste.
"Dat was een verraderlijke steek!" riep de Zwarte Ridder, terwijl het paard met zijn ruiter ter aarde tuimelde. Op dit oogenblik blies Wamba op den horen;--want alles was zoo onverwacht voorgevallen, dat hij geen tijd had gevonden om dat vroeger te doen. Die verrassende klanken deden de moordenaars nog eens terugdeinzen, en Wamba, ofschoon onvolkomen gewapend, aarzelde niet om er op los te gaan, en den Zwarten Ridder in het opstaan behulpzaam te zijn.
"Schaamt u, valsche lafaards!" riep de ridder uit, die de aanvallers scheen aan te voeren; "vlucht gij voor den blooten klank van een horen, door een nar geblazen?"
Aangevuurd door deze woorden, vielen zij den ridder opnieuw aan, wiens beste toevlucht thans was, zich met den rug tegen een eik te plaatsen en zich met zijn zwaard te verdedigen. De verraderlijke ridder, welke een andere speer gekregen had, nam het oogenblik waar, toen zijn geduchte tegenpartij het hardst gedrongen werd, en reed op hem los, in de hoop van hem met zijn lans tegen den boom te nagelen, toen zijn voornemen door Wamba verhinderd werd. De nar, die zijn gebrek aan kracht door vlugheid vergoedde, en niet door de gewapenden opgemerkt werd, die door een geduchter vijand bezig gehouden werden, haastte zich om deel aan den strijd te nemen en stremde wezenlijk den noodlottigen loop van den Blauwen Ridder, door met zijn zwaard diens paard de knie-zenuwen door te klieven. Man en paard vielen; desniettemin bleef de toestand van den Zwarten Ridder zeer gevaarlijk, daar hij door verscheidene vijanden van nabij gedrongen werd, en vermoeid begon te worden door de geweldige inspanning, welke het hem kostte, om zich tegelijk op zoo vele punten te verdedigen, toen eensklaps een pijl een der geduchtste van zijn aanvallers op den grond deed neêrtuimelen, en een bende schutters uit het bosch te voorschijn kwam, onder aanvoering van Locksley en den vroolijken monnik, die dadelijk en vlug deel aan den strijd nemende, de aanvallers met zooveel kracht aangrepen, dat ze spoedig allen dood, of doodelijk gewond, op de plaats bleven. De Zwarte Ridder dankte zijn bevrijders met eene waardigheid, welke ze te voren niet in zijn gedrag hadden opgemerkt, dat tot dusver eerder dat van een stoutmoedigen, openhartigen krijgsman dan van een man van hoogen rang geschenen had.
"Er ligt mij veel aan gelegen," zei hij, "zelfs eer ik mijn dankbaarheid jegens mijne waardige vrienden te kennen geef, om zoo mogelijk te ontdekken, wie mijn ongetergde vijanden geweest zijn.--Wamba, open het vizier van dien Blauwen Ridder, die de aanvoerder van deze schurken schijnt te zijn."
De nar ging dadelijk op den aanvoerder der moordenaars los, die, gekneusd door zijn val, en gedrukt onder het gekwetste paard, daar lag zonder te kunnen vluchten of weêrstand bieden.
"Kom, dappere heer," zei Wamba, "ik moet uw schildknaap zijn, zoowel als uw stalmeester. Ik heb u van het paard geholpen, en nu zal ik u van den helm ontdoen." Dit zeggende, maakte hij met een niet zeer zachte hand den helm van den Blauwen Ridder los, welke op het gras rollende, den Zwarten Ridder de grijze lokken en het gelaat vertoonde van iemand, dien hij niet op deze wijze verwacht had te ontmoeten.
"Waldemar Fitzurse!" riep hij geheel verwonderd uit, "Wat kon een man van uw rang en van uwe schijnbare waardigheid tot zulk een schandelijke onderneming bewegen?"
"Richard," zei de gevangen ridder, naar hem opziende, "gij kent den mensch slecht, als gij niet weet, waartoe eerzucht en wraak elk Adamskind kunnen verleiden!"
"Wraak?" antwoordde de Zwarte Ridder; "ik heb u nooit beleedigd.--Op mij hebt gij geene wraak te nemen."
"Mijne dochter, Richard, wier verbintenis gij versmaad hebt,--was dat geen hoon voor een Normandiër, wiens bloed even edel is als het uwe?"
"Uwe dochter!" hervatte de Zwarte Ridder. "Een gegronde reden, waarlijk, tot eene vijandschap, welke zulk een bloedigen afloop moest hebben!--Treedt wat terug, mijne heeren, ik wil alleen met hem spreken.--En nu, Waldemar Fitzurse, zeg mij de waarheid;--beken, wie u tot deze verraderlijke daad aangezet heeft?"
"Uws vaders zoon," antwoordde Waldemar, "die daardoor slechts uwe ongehoorzaamheid tegen uw vader wreekte."
Richards oogen gloeiden van toorn; maar zijn betere natuur behield de overhand. Hij sloeg zich met de hand op het voorhoofd, en staarde een oogenblik op het gelaat van den vernederden ridder, op wiens trekken hoogmoed en schaamte met elkander in strijd waren. "Vraagt gij niet om uw leven, Waldemar?" vroeg de Koning.
"Hij, die in de klauwen van den leeuw is," antwoordde Fitzurse, "weet dat zoo iets overbodig zou zijn."
"Neem het dan ongevraagd," hervatte Richard; "de leeuw aast op geen lijken.--Neem uw leven, maar onder voorwaarde, dat gij binnen drie dagen Engeland zult verlaten, uwe schande in uw kasteel in Normandië verbergen, en nooit den naam van Jan van Anjou noemen, als in betrekking staande met uwe schurkerij. Zoo men u na den u vergunden tijd op het Engelsch gebied vindt, dan sterft gij;--of, als gij iets ruchtbaar laat worden, dat de eer van mijn huis bevlekken kan, bij St. George, dan zal het altaar zelfs geene schuilplaats voor u zijn! Ik laat u aan den hoogsten toren van uw eigen kasteel ophangen, om den raven tot voedsel te dienen!--Geef dezen ridder een paard, Locksley; want ik zie dat uwe schutters die opgevangen hebben, welke los liepen, en laat hem ongehinderd vertrekken."
"Zoo ik niet begreep, dat ik een stem verneem, welke men niet mag tegenspreken," antwoordde de schutter, "dan zou ik den sluipenden schurk een schicht achterna zenden, welke hem de moeite eener lange reis zou besparen."
"Gij hebt een Engelsch hart, Locksley," zei de Zwarte Ridder, "en te recht oordeelt gij, dat gij verplicht zijt mijne bevelen te gehoorzamen.--Ik ben Richard van Engeland!"
Bij deze woorden, welke op een toon van majesteit, aan zijn hoogen rang, en aan het niet minder hooghartig karakter van Richard Leeuwenhart passende, uitgesproken werden, knielden de schutters allen tegelijk voor hem neder, en zwoeren hem trouw, terwijl zij tevens vergiffenis voor hunne misdaden vroegen.