Chapter 40
"Neen, meisje," zei de trotsche Tempelier, opspringende; "zoo zult ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!" zei hij, zijn toon weder verzachtende: "Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies van Montserrat, mijn vriend is,--een vriend, even vrij als ik, van die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren; liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.--Ik zal nieuwe paden voor mijne eerzucht banen," ging hij voort, de kamer met driftige schreden op en neer gaande.--"Europa zal de luide stem hooren van hem, die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!--De millioenen, welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel ter verdediging van Palestina doen;--de zwaarden van de duizenden en tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas, mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden, Rebekka!--Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!"
"Een droom," zei Rebekka, "een ijdele droom, welke, al kon die ook verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;--nooit zou ik deel willen hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.--Bepaal geen prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!--verkoop een edelmoedige daad niet!--bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om eigen voordeel!--Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij uit de handen van deze wreede mannen redden!"
"Nooit, Rebekka!" riep de Tempelier trotsch. "Zoo ik mijne Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.--Ik wil de eerzucht behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten teleurgesteld worden!--Mijn hoofd voor Richard buigen?--een gunst van dien hoogmoedige vragen?--Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels in mijn persoon aan zijn voeten leggen;--de Orde vaarwel zeggen, dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!"
"Nu, dan zij God mij genadig!" zuchtte Rebekka; "want op hulp van menschen kan ik bijna niet meer hopen!"
"Dat is zoo," hernam de Tempelier; "want hoe trotsch gij ook zijn moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen lot,--den dood der ergste boosdoeners te sterven,--op een vlammenden brandstapel te vergaan,--terwijl uw asch in die elementen verstrooid wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;--en er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!--Rebekka, geene vrouw kan dit vooruitzicht verdragen,--gij moet mijne eischen inwilligen!"
"Bois-Guilbert," antwoordde de Jodin, "gij kent het vrouwelijk hart niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;--en toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!--ik verspil geene woorden meer aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft, moet anders besteed worden:--zij moet den Trooster zoeken, die Zijn aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!"
"Wij scheiden dus op deze wijze!" zei de Tempelier na eene korte stilte; "gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden, of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof geweest waart!--Neen,--bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk, wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten, dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en _sjekels_ in plaats van lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor den sidderenden armen schuldenaar;--dit zou ik haast kunnen wenschen, Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!"
"Gij hebt den Jood geschilderd," antwoordde Rebekka, "zooals de vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!--En weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen, welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.--Dit waren de Vorsten van Jacobs huis!"
Een hooger rood kleurde Rebekka's wangen, terwijl zij van den alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij er zuchtende bijvoegde: "Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn niet meer!--Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras, en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen, die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!--Ik benijd u uwe bloedige eer niet!--Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche Heidenen niet!--Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond, maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!"
"Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!" riep Bois-Guilbert. "Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks is.--Bekoorlijk wezen!" vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten eerbied:--"Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch veroordeeld om te sterven,--en dat wel een schandelijken en pijnlijken dood! Wie zou niet om u weenen?--Tranen, sedert twintig jaren vreemd aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het moet zoo zijn;--niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast, als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot."
"Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het noodlot te last!" zei Rebekka. "Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert, schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame bloem verdrukt!"
"Ja," hervatte de Tempelier, "ik ben, zooals gij mij afgeschilderd hebt, ontembaar, woest en trotsch;--daardoor heb ik onder een hoop van ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard, welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.--Maar gij vergeeft mij, Rebekka?"
"Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!"
"Vaarwel!" zei de Tempelier en verliet het vertrek.
De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de terugkomst van Bois-Guilbert.
"Gij hebt lang getoefd," zei hij; "ik stond als op gloeiende kolen van ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.--Maar wat scheelt u, broeder?--Uw knieën wankelen, uw blik is somber als de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?"
"Ja," antwoordde de Tempelier, "ik ben wel; zoo wel als de ellendeling, die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige kruis, niet half zoo wel;--want er zijn er in dien toestand, die het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel, Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten, en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij mij opgelegd heeft!"
"Gij zijt razend," antwoordde Malvoisin; "gij zult u zelven daardoor geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer gij uw plicht gedaan hadt."
"Dat is onwaar!--Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen," hernam de Tempelier, op trotschen toon; "en als ik dat doe, Malvoisin, dan geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans in den zadel zal blijven!"
"Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir, en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian, of gij zijt een verloren en onteerd man!"
"Ik zal er uitbreken en vluchten," zei Bois-Guilbert.--"Vluchten naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!"
"Gij kunt niet vluchten," zei de Preceptor; "uwe razernij heeft achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te verlaten. Beproef het;--vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.--Gij zijt verbaasd en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?--Bedenk dit! Waar zullen de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde, zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!"
"Malvoisin," zei de ridder, "ik dank u;--gij hebt de snaar aangeraakt, welke mijn hart het meest doet trillen!--Wat er ook van kome, afvallig zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard, of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk verscheen! Maar het zal ledig blijven;--niemand zal het wagen eene lans voor de verlorene te breken!"
"Des te beter, als het zoo uitkomt," hernam de Preceptor; "als er geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich tot lof en eer zal rekenen!"
"Dat is waar," hervatte Bois-Guilbert; "als er geen kampioen verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal."
"Geen het minste," zei Malvoisin; "niet meer dan het gewapende beeld van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!"
"Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten, vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen."
Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn; zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat, welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten, dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen, dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat, als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij, zonder Rebekka's lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Wijkt, schimmen, wijkt!--'t Is Richard zelf!
Richard III.
Toen de Zwarte Ridder,--want het is noodig zijn lotgevallen na te gaan,--den gerechtseik van den grootmoedigen roover verliet, richtte hij zijn weg regelrecht naar een naburig klooster van kleinen omvang en geringe inkomsten, de Priorij van St. Botolph, waarheen de gewonde Ivanhoe, na het innemen van het kasteel, onder leiding van den getrouwen Gurth en den edelmoedigen Wamba gebracht werd. Het is voor het oogenblik onnoodig te verhalen hetgeen er inmiddels tusschen Wilfrid en zijn bevrijder voorviel; genoeg is het te zeggen, dat, na lange en ernstige beraadslagingen, de Prior naar verscheidene kanten boden uitzond, en dat de Zwarte Ridder den volgenden morgen gereed stond om op reis te gaan, vergezeld door den nar Wamba, die hem tot gids zou verstrekken.
"Wij zullen elkander op Coningsburgh, het kasteel van den overleden Athelstane, wederzien," zei hij tot Ivanhoe, "uw vader viert aldaar het lijkfeest van zijn edelen bloedverwant. Ik wilde gaarne uwe Saksische verwanten bij elkander zien, ridder Wilfrid, en hen wat beter leeren kennen. Dáár zal het ook mijne taak zijn, u met uw vader te verzoenen."
Dit zeggende nam hij afscheid van Ivanhoe, die een vurig verlangen aan den dag legde, om zijn redder te vergezellen. Maar de Zwarte Ridder wilde er niet van hooren. "Rust heden uit; gij zult morgen nog nauwelijks sterk genoeg zijn om te reizen. Ik wil geen anderen leidsman bij mij hebben dan den eerlijken Wamba, die voor gek of geleerde kan spelen, naar mijne luim."
"En ik," zei Wamba, "wil u hartelijk gaarne vergezellen. Ik verlang om het lijkmaal van Athelstane te zien; want als het niet prachtig en druk bezocht is, dan staat hij van de dooden weder op, om kok, tafeldekker en schenker te kastijden, en het zou wel de moeite waard zijn dat te zien. In elk geval, heer ridder, vertrouw ik, dat uwe dapperheid mij bij Cedric zal verontschuldigen, zoo mijn vernuft te kort mocht schieten!"
"En hoe zou mijne geringe dapperheid daar slagen, heer nar, waar uw schitterend vernuft schipbreuk lijdt?--verklaar mij dit!"
"Het vernuft, heer ridder," hernam de nar, "kan veel doen. Het is een vlugge, scherpzinnige knaap, die de zwakke zijde van zijn buurman ontdekt, en uit den weg weet te blijven, als zijne drift ontstoken is. Maar de dapperheid is een onstuimige jongen, die alles verbrijzelt. Hij roeit tegen weer en wind op, en komt toch vooruit; dus, heer ridder, terwijl ik van het schoone weder in het gemoed van mijn heer gebruik maak, hoop ik, dat gij uw best zult doen, als het begint te stormen!"
"Heer Zwarte Ridder, daar gij verkiest zoo genoemd te worden," zei Ivanhoe, "ik vrees, dat gij een praatzieken en lastigen nar tot gids gekozen hebt. Maar hij kent iederen weg en ieder pad in de bosschen, zoo goed als de beste jager; en de arme schelm is, zooals gij zelf reeds gezien hebt, getrouw als staal."
"Wel," zei de ridder, "als hij mij den weg wijzen kan, dan zal ik er niet kwaad om worden, dat hij dien zoekt te veraangenamen.--Vaarwel, goede Wilfrid!--Ik gelast u, op het vroegst, morgen te vertrekken."
Dit zeggende, stak hij Ivanhoe de hand toe, welke deze aan zijn lippen drukte, nam afscheid van den Prior, besteeg zijn paard en vertrok met zijn leidsman Wamba. Ivanhoe volgde hen met de oogen, tot zij onder het lommer van het woud verdwenen, en keerde daarop in het klooster terug.
Maar dadelijk na de vroegmetten verzocht hij, om den Prior te zien. De oude man kwam haastig en vroeg angstig naar den staat van zijne gezondheid.
"Ze is beter," antwoordde Ivanhoe, "dan mijne vurigste hoop verwachten kon; mijn wond is of geringer geweest, dan mijn bloedverlies mij deed vermoeden, of deze balsem heeft eene wonderdadige genezing bewerkt. Het komt mij voor, dat ik mijne wapenrusting heden reeds zou kunnen dragen, en dat is gelukkig, daar er gedachten bij mij opkomen, welke mij ongeneigd maken om hier langer in werkeloosheid te blijven."
"Alle Heiligen bewaren ons daarvoor," zei de Prior, "dat de zoon van den Sakser Cedric ons klooster zou verlaten eer zijne wonden genezen zijn! Het zou eene schande voor onzen stand zijn, als wij dit duldden!"
"En ik zou uw gastvrij dak ook niet verlaten, eerwaarde vader," hernam Ivanhoe, "als ik mij niet sterk genoeg gevoelde, om de reis te doen, en niet gedwongen werd ze te ondernemen."
"En wat kan u tot zulk een overhaast vertrek bewegen?" vroeg de Prior.
"Hebt gij nooit een voorgevoel gehad van naderend ongeluk, eerwaarde vader," antwoordde de ridder, "waarvoor gij te vergeefs zoudt trachten een reden op te geven?--Hebt gij nooit uw ziel verduisterd gevonden als een door de zon bestraald landschap door een plotseling opkomende wolk, welke een naderenden storm verkondigt?--En denkt gij niet, dat zulke gewaarwordingen onze aandacht verdienen, als wenken van onze beschermengelen, dat er gevaar in de nabijheid is?"
"Ik kan niet ontkennen," zei de Prior, een kruis makende, "dat zulke voorgevoelens van den Hemel gekomen zijn, en nog komen; maar dan hebben ze een blijkbaar nuttig en goed doel gehad. Maar wat zou het u baten, dat gij, gewond als gij zijt, de schreden van hem volgt, wien ge niet zoudt kunnen helpen, als hij aangevallen werd?"
"Prior," zei Ivanhoe, "gij vergist u:--ik ben sterk genoeg, om te kampen met iedereen, die mij daartoe aanleiding geeft.--Maar al ware het ook anders, zou ik hem in zijn gevaar niet anders dan door kracht van wapens kunnen bijstaan? Het is maar al te wel bekend, dat de Saksers de Normandiërs niet beminnen, en wie weet wat er van komen kan, als hij onverwachts onder hen valt, terwijl hunne harten door den dood van Athelstane verbitterd, en hunne hoofden door den edelen wijn van zijn lijkfeest verhit zijn? Ik houd zijne verschijning onder hen op zulk een oogenblik voor zeer gevaarlijk, en ik heb besloten het gevaar met hem te deelen, of het af te wenden; en om dit te doen, zou ik u wel willen verzoeken mij een paard te leenen, welks gang zachter is, dan die van mijn strijdros."
"Zeker!" zei de waardige geestelijke: "Gij zult mijn eigen rijpaard hebben, en ik wensch, dat het even zacht voor u moge loopen, als dat van den abt van St. Albans. Maar dit wil ik zeggen van Malkin,--want zoo heet het dier,--dat, wanneer gij het paard van den goochelaar niet leent, dat een horlepijp tusschen eieren danst, gij geen rid kunt doen op een dier, dat zoo zacht is en zulk een aangenamen gang heeft. Ik heb menige preek op zijn rug gemaakt, tot stichting van mijn kloosterbroeders en van menige arme Christenziel."
"Ik verzoek u, eerwaarde vader, Malkin dadelijk gereed te laten maken, en laat ook Gurth met mijne wapens komen."
"Ja maar, beste heer, ik bid u in overweging te nemen, dat Malkin even weinig kennis heeft van wapens, als zijn meester, en dat ik er niet voor instaan wil, dat het dier het gezicht en de zwaarte van uw volle wapenrusting verdragen kan. O, ik beloof u, Malkin is een verstandig dier, en zal zich tegen ieder onbehoorlijk overwicht verzetten. Ik had slechts eens de _Fructus Temporum_ van den priester van St. Bees geleend, en ik verzeker u, dat ik het paard niet van de poort weg kon krijgen, eer ik den foliant tegen mijn klein gebedenboek verruild had."
"Vertrouw er op, eerwaarde vader," hernam Ivanhoe, "dat ik uw paard geen te groot gewicht zal opleggen; en als het zich tegen mij verzet, dan zal het de slechtste partij kiezen."
Terwijl Ivanhoe dit antwoord gaf, gespte Gurth aan de hielen van den ridder een paar groote vergulde sporen, die ieder weerspannig paard konden leeren, dat het best deed met zich naar den wil van zijn ruiter te schikken.
De groote scherpe raderen, waarmede Ivanhoe's hielen gewapend waren, deden den waardigen Prior bijna berouw gevoelen over zijn gedienstigheid, en hij riep uit: "Maar, beste heer, nu herinner ik mij, dat Malkin geene sporen verdraagt.--Het is beter, dat gij de merrie van onzen rentmeester op de pachthoeve neemt, welke wij in iets meer dan een uur kunnen krijgen, en die zeker handelbaar is, daar zij veel van ons winterbrandhout trekken moet, en geen haver krijgt."
"Ik dank u, eerwaarde vader; maar ik zal mij maar aan uw eerste aanbod houden, daar ik zie, dat men Malkin reeds naar buiten leidt. Gurth zal mijne wapenrusting dragen, en voor het overige, verlaat u er op, dat Malkin evenmin mijn geduld zal vermoeien, als ik haar rug zal overladen. En nu, vaarwel!"
Ivanhoe ging de trappen af, sneller en gemakkelijker dan men wegens zijne wond zou verwacht hebben, en wierp zich op het paard, begeerig om den Prior te ontgaan, die hem van zoo nabij volgde, als zijne jaren en zijn zwaarlijvigheid hem vergunden, nu eens den lof van Malkin uitbazuinende, en dan weder den ridder voorzichtigheid met het paard aanbevelende.
"Ze is in het gevaarlijkste tijdvak voor eene merrie," zei de oude man, over zijn eigen geestigheid lachende, "daar ze eerst in haar vijftiende jaar is."