Ivanhoe

Chapter 38

Chapter 383,847 wordsPublic domain

"Och," zuchtte de boer, "met uw eerwaarde's verlof, die les komt nu te laat voor mij; want ik ben maar een kreupel mensch, maar ik zal aan mijn twee broeders, die bij den rijken Rabbijn Nathan Ben Samuel dienen, zeggen, dat de Grootmeester het voor eerlijker houdt hem te bestelen, dan hem trouw te dienen."

"Voort met dien praatzieken dwaas!" riep Beaumanoir, die er niet op gevat was om deze practische toepassing van zijn algemeenen regel te beantwoorden.

Higg, de zoon van Snell, trok zich onder de menigte terug; maar, daar hij in het lot zijner weldoenster belang stelde, toefde hij om haar vonnis te vernemen, zelfs op gevaar om nog eens den blik van dien strengen rechter te moeten verdragen, die hem van angst had doen ineenkrimpen. Thans beval de Grootmeester aan Rebekka om zich te ontsluieren. Haar lippen voor de eerste maal openende, antwoordde zij, "dat het niet de gewoonte was van de vrouwen van haar stam, het gelaat te ontblooten, wanneer zij alléén in gezelschap van vreemdelingen waren." De zoete klank van haar stem en de zachtheid van haar antwoord boezemden den toehoorders medelijden en belangstelling in. Maar Beaumanoir, in wiens gemoed het onderdrukken van elk menschelijk gevoel, dat hem belemmeren kon in hetgeen hij voor plicht hield, eene deugd was, herhaalde zijn bevel, dat zijn slachtoffer zich ontsluieren moest. De wachten wilden dus haar sluier wegrukken, toen zij oprees en tot den Grootmeester zei: "Ach, bij de liefde voor uwe eigene dochters!--Helaas!" vervolgde zij, zich bedenkende, "gij hebt geene dochters,--bij de liefde voor uwe zusters en voor vrouwelijke zedigheid, laat mij niet in uw tegenwoordigheid zoo ruw behandeld worden; het betaamt niet, dat een meisje door zulke handen aangeraakt worde. Ik zal u gehoorzamen," voegde zij er bij, met eene uitdrukking van geduldige smart in hare stem, welke bijna het hart van Beaumanoir zelven verteederd had. "Gij zijt de ouderlingen van uw volk, en op uw bevel zal ik u de gelaatstrekken van een rampzalig meisje vertoonen."

Zij sloeg den sluier terug, en zag hen aan met een blik, waarin beschroomdheid met waardigheid streed. Hare buitengewone schoonheid verwekte een gefluister van verbazing, en de jongere ridders zeiden elkander door hun blikken, dat Brian's beste verontschuldiging eerder in de kracht van hare wezenlijke bekoorlijkheden, dan aan haar gewaande tooverij lag. Maar Higg, de zoon van Snell, gevoelde het diepst de uitwerking, welke het gelaat van zijn weldoenster teweeg bracht. "Laat mij heengaan!" riep hij de wachten aan de deur van de zaal toe:--"Laat mij vertrekken!--nog één blik zal mij dooden, want ik heb deel aan hare vermoording!"

"Stil, vriend," zei Rebekka, toen ze deze klachten hoorde, "gij hebt mij geen kwaad gedaan door de waarheid te spreken;--gij kunt mij door uwe klachten, of berouw niet helpen. Wees stil, bid ik u;--ga naar huis en zorg voor uwe eigene veiligheid."

Higg was op het punt, om door de medelijdende wachters naar buiten gezonden te worden, daar zij vreesden, dat zijne luidruchtige smart hun verwijten en hem straf op den hals zou halen. Maar hij beloofde stil te zijn, en kreeg verlof om te blijven. De twee krijgslieden, met welken Albert Malvoisin niet verzuimd had, over hunne getuigenis te spreken, werden nu te voorschijn geroepen. Ofschoon beiden verharde en verstokte booswichten waren, scheen evenwel de aanblik van de gevangene en haar uitstekende schoonheid hen een weinig te verwarren; maar een veelbeteekenende blik van den Preceptor van Templestowe gaf hun hunne ongevoelige verstoktheid terug, en ze verhaalden met eene nauwkeurigheid, welke aan minder partijdige rechters verdacht zou zijn geweest, omstandigheden, welke òf geheel verzonnen, òf nietsbeteekenend en eenvoudig in zich zelve waren, maar die ongunstig werkten door de vergrooting en de verkeerde uitlegging, welke de getuigen aan de daadzaken gaven. De punten waarover hun getuigenis liep, zouden in nieuwere tijden in twee klassen verdeeld geworden zijn,--die, welke niet belangrijk en die welke physiek onmogelijk waren. Maar ze werden beide in die tijden van onkunde en bijgeloof gereedelijk voor bewijzen van schuld aangenomen.--De eerste klasse behelsde, dat men Rebekka in eene onbekende taal in zich zelve had hooren praten,--dat de liederen, welke zij van tijd tot tijd zong, een bijzonder zachten toon hadden, welke de ooren boeide en het hart trof;--dat ze soms met zich zelve sprak, en naar boven keek, alsof ze antwoord wachtte,--dat hare kleeding wonderbaarlijk en vreemd was, geheel ongelijk aan die van eerbare vrouwen;--dat ze ringen had, waarop kabbalistische spreuken stonden, en dat er vreemde letters op haren sluier geborduurd waren. Al deze omstandigheden, hoe natuurlijk en onbeduidend ook, werden ernstig aangehoord, als bewijzen, dat Rebekka eene ongeoorloofde verkeering met booze geesten had.

Maar er waren minder dubbelzinnige bewijzen, welke de lichtgeloovigen in de vergadering gretig aanhoorden, hoe onwaarschijnlijk ze ook waren. Een der soldaten had haar eene genezing zien verrichten aan een gekwetste, die met hen naar Torquilstone gebracht was. Zij maakte, zei hij, zekere teekens over de wond, en herhaalde zekere geheimzinnige woorden, welke hij God dankte, dat hij niet verstond, en dadelijk ging de ijzeren punt van den schicht van een armboog uit de wond los; het bloeden werd gestild; de wond sloot zich, en de stervende liep binnen een kwartier weder gezond op de wallen, en hielp den getuige een steenslinger besturen. Dit verhaal was waarschijnlijk op de daadzaak gegrond, dat Rebekka den gekwetsten Ivanhoe had opgepast, toen hij in het kasteel van Torquilstone gevangen was. Maar het was des te moeielijker om de nauwkeurigheid van den getuige te betwisten; daar hij, om een zichtbaar bewijs bij zijne mondelinge getuigenis te voegen, uit zijn zak de punt van den schicht haalde, welke, volgens zijn verhaal, zoo wonderdadig uit de wond getrokken was; en daar het ijzer een vol ons woog, bevestigde dit volkomen het verhaal, hoe wonderbaar het ook klonk.

Zijn makker was van een naburig bolwerk getuige geweest van het tooneel tusschen Rebekka en Bois-Guilbert, toen zij op het punt was, om zich boven van den toren neder te storten. Om niet minder dan zijn kameraad te zijn, verhaalde hij, dat hij Rebekka had gezien, toen zij zich op de borstwering van den toren neêrzette, waar zij de gedaante van eene witte zwaan had aangenomen, en zoo driemaal om het kasteel van Torquilstone gefladderd had; dat zij hierop zich weder op den toren neêrgelaten en haar menschelijke gedaante hernomen had.

Minder dan de helft van deze zwaarwichtige getuigenis zou voldoende geweest zijn om elke arme en leelijke oude vrouw, al ware zij geen Jodin geweest, van tooverij te overtuigen. Daarenboven, waren de bewijzen bezwaard door Rebekka's jeugd, en hare betooverende schoonheid.

De Grootmeester had de stemmen opgenomen, en vroeg thans op plechtigen toon aan Rebekka, wat zij te zeggen had tegen het vonnis, dat hij op het punt stond van uit te spreken.

"Uw medelijden in te roepen," zei de bekoorlijke Jodin, met eene stem, die van aandoening beefde, "zou, dat begrijp ik, even nutteloos, als verachtelijk zijn. Te beweren, dat het ondersteunen van zieken en gewonden van een anderen godsdienst aan den erkenden Stichter van ons beider godsdienst niet ongevallig zijn kan, zou even vruchteloos zijn; staande te houden, dat vele dingen, welke deze mannen (de Hemel vergeve het hun!) tegen mij verklaard hebben, onmogelijk zijn, zou mij weinig baten, daar gijlieden aan de mogelijkheid ervan gelooft, en nog minder zou het mij helpen, te verklaren, dat de bijzonderheden van mijne kleeding, taal en zeden, aan mijn volk eigen zijn,--bijna had ik gezegd aan mijn vaderland: maar helaas! wij hebben geen vaderland. Ik wil mij niet eens verdedigen ten koste van mijn onderdrukker, die dáár staat en naar de verdichtselen en overdrijvingen luistert, welke den dwingeland in het slachtoffer schijnen te veranderen. De Hemel beslisse tusschen hem en mij! maar liever wilde ik tienmaal den dood ondergaan, welken gij goedvinden kunt over mij uit te spreken, dan aan de aanzoeken gehoor geven, welke deze zoon Belial's mij gedaan heeft,--mij, die zonder vriend of beschermer, en zijn gevangene was. Maar hij behoort tot uw geloof, en zijn geringste woord zou tegen de plechtigste betuigingen der ongelukkige Jodin opwegen. Ik wil dus de tegen mij gedane beschuldiging niet op hem terug werpen; maar op hem zelven,--ja, Brian De Bois-Guilbert, op u zelven beroep ik mij, of deze beschuldigingen niet even valsch, gruwelijk en lasterlijk als schandelijk zijn?"

Er ontstond een plechtige stilte; aller oogen vestigden zich op Brian De Bois-Guilbert. Hij zweeg.

"Spreek!" zei ze, "zoo gij een man zijt,--zoo gij een Christen zijt, spreek!--Ik bezweer u bij het kleed, dat gij draagt,--bij den naam, dien gij geërfd hebt,--bij de ridderschap waarop gij u beroemt,--bij de eer uwer moeder,--bij het graf en het gebeente van uw vader;--ik bezweer u te zeggen, zijn deze dingen waar?"

"Antwoord haar, broeder," zei de Grootmeester, "als de vijand, met welken gij worstelt, u zulks vergunt."

Inderdaad scheen Bois-Guilbert door tegenstrijdige aandoeningen bewogen, welke zijne gelaatstrekken misvormden, en met groote inspanning antwoordde hij eindelijk, op Rebekka ziende,--"het blad! het blad!"

"Waarachtig," riep Beaumanoir, "dat is een getuigenis!--Het slachtoffer van haar tooverkunsten kan alleen het noodlottige blad noemen,--en de tooverteekens, die er op geschreven staan, zijn zonder twijfel de reden van zijn stilzwijgen."

Maar Rebekka gaf eene andere uitlegging aan de woorden, welke aan Bois-Guilbert als het ware afgeperst waren, en haar oog slaande op het stukje perkament, dat zij nog altijd in de hand hield, las zij daarop, in Arabische letters: "Vraag een kampvechter!"--Het gemor, dat zich over het zonderlinge antwoord van Bois-Guilbert door de vergadering verspreidde, gaf Rebekka den tijd, om het blad onopgemerkt te lezen en te vernielen, zooals zij geloofde. Toen het gedruisch ophield, vatte de Grootmeester het woord op. "Rebekka, gij kunt geen voordeel trekken uit de getuigenis van dezen ongelukkigen ridder, over wien, zooals wij wel bespeuren, de booze geest nog te machtig is. Hebt gij nog iets anders te zeggen?"

"Er is mij nog ééne kans over om mijn leven te redden," antwoordde Rebekka, "zelfs volgens uwe wreede wetten. Mijn leven is ellendig geweest,--ten minste sedert eenigen tijd;--maar ik wil het geschenk Gods niet wegwerpen, zoolang Hij mij middelen aan de hand geeft, om het te verdedigen. Ik loochen deze beschuldigingen;--ik houd mijn onschuld staande, en ik verklaar de aanklacht voor valsch.--Ik vorder het voorrecht van een Godsoordeel, en zal vertegenwoordigd worden door mijn kampvechter!"

"En wie, Rebekka," vroeg de Grootmeester, "zal de lans voor een tooveres opnemen?--Wie zal de kampvechter van een Jodin willen zijn?"

"God zal mij een kampvechter zenden," hernam Rebekka. "Het is onmogelijk, dat er in het schoone, herbergzame, edelmoedige, vrije Engeland, waar zoo velen gereed zijn, om hun leven voor de eer in de waagschaal te stellen, niemand gevonden worde, die voor het recht strijden wil. Maar het is voldoende, dat ik een Godsgericht vorder:--daar ligt mijn pand!" Zij trok haar geborduurden handschoen uit, en wierp dien voor de voeten van den Grootmeester, met een uitdrukking op haar gelaat, waar zooveel eenvoudigheid met waardigheid gepaard ging, dat zij algemeene verbazing en verwondering verwekte.

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Hier ligt mijn pand; Ik houd het vol tot aan het uiterste, Met krijgsmans moed!

Richard II.

Lucas Beaumanoir zelfs werd door het voorkomen van Rebekka getroffen. Hij was van natuur geen wreed of hardvochtig mensch, maar met eene van natuur koude geaardheid, en met een verheven, schoon verkeerd begrip van plicht, was zijn hart langzamerhand verhard geworden door zijn kloosterleven, door de hooge macht, welke hij uitoefende en door de gewaande noodzakelijkheid om het ongeloof ten onder te brengen, en de ketterij uit te roeien, welke verplichting naar hij meende, bijzonder op hem rustte. Zijn trekken verloren iets van hunne gewone strengheid toen hij het schoone wezen, dat voor hem stond, aanschouwde, alleen, zonder een enkelen vriend, en zich met zooveel verstand en moed verdedigende. Hij maakte tweemaal het teeken van het kruis, alsof hij de oorzaak wantrouwde van die ongewone weekheid van een hart, dat bij zulke gelegenheden gewoon was het staal van zijn zwaard in hardheid te overtreffen. Eindelijk zei hij:

"Meisje, zoo het medelijden dat ik voor u gevoel, ontstaat uit het gebruik van uwe booze kunsten, dan is uw schuld groot. Maar ik geloof eerder, dat het de zachtere gewaarwordingen der natuur zijn, die zich bedroeft, dat een zoo schoon uiterlijk zooveel slechtheid verbergt. Heb berouw, mijne dochter,--beken uwe tooverijen,--verzaak uw ongeloof,--omhels dit heilige teeken, en alles zal u nog hier en in de toekomst wèl gaan. In een klooster van de strengste orde, zult gij tijd hebben, om te bidden en boete te doen, en over zulk berouw beklaagt men zich nooit. Doe dit en leef;--wat heeft Mozes' wet voor u gedaan, dat gij er voor zoudt sterven?"

"Het is de wet mijner vaderen," zei Rebekka, "welke onder donder en storm, in wolken en vuur op den berg Sinaï gegeven werd. Dit gelooft gij, zoo gij Christen zijt;--gij zegt, dat die wet herroepen is; maar dit hebben mijne leermeesters mij niet geleerd."

"Laat onze kapelaan," zei Beaumanoir, "voortreden en deze hardnekkige ongeloovige zeggen,--"

"Vergeef, dat ik u in de rede val;" zei Rebekka zachtjes; "ik ben een meisje, niet geleerd genoeg om over mijn godsdienst te redetwisten, maar daarvoor sterven kan ik wel, zoo het Gods wil is.--Heb de goedheid mij te antwoorden op mijn verzoek, om een kampvechter te mogen stellen."

"Geef mij haar handschoen," zei Beaumanoir: "Dit is waarlijk," vervolgde hij, terwijl hij de zachte stof en de kleine vingers beschouwde, "een licht en teeder pand voor eene zoo doodelijke onderneming. Ziet gij, Rebekka, wat deze uw dunne en kleine handschoen tegen een van onze zware stalen handschoenen is, dat is ook uwe zaak tegen die van den Tempel; want het is onze Orde, die gij uitgedaagd hebt."

"Werp mijne onschuld mede in de schaal," antwoordde Rebekka, "en de zijden handschoen zal zwaarder wegen, dan de ijzeren."

"Dus volhardt gij bij uwe weigering om uwe schuld te bekennen, en bij de stoute uitdaging, welke gij gedaan hebt?"

"Ik volhard daarbij, edele heer," antwoordde Rebekka.

"Het zij zoo, in naam des Heeren!" zei de Grootmeester, "en moge God het recht doen zegepralen!"

"Amen!" riepen de Preceptoren rondom hem, en het woord werd zachtjes herhaald door de geheele vergadering.

"Broeders," zei Beaumanoir, "gij gevoelt wel, dat wij aan deze vrouw het voorrecht van een Godsgericht wel hadden kunnen weigeren;--maar ofschoon zij eene Jodin en eene ongeloovige is, is zij toch vreemd en zonder bescherming, en God verhoede, dat zij de hulp van onze zachte wetten zou inroepen, en dat wij haar die zouden weigeren. Daarenboven zijn wij ridders en soldaten, zoowel als geestelijken, en het ware eene schande voor ons, om onder eenig voorwendsel eene uitdaging van de hand te wijzen. Zoo staan de zaken thans: Rebekka, de dochter van Izaäk van York, is ten gevolge van veelvuldige verdachte omstandigheden wegens tooverij, uitgeoefend tegen den persoon van een edelen ridder van onze heilige Orde veroordeeld, en zij heeft een Godsgericht gevorderd ten bewijze van haar onschuld. Aan wien meent gij, mijne broeders, dat wij het pand van den strijd moeten overgeven, en hem dus tot onzen kampvechter benoemen?"

"Aan Brian De Bois-Guilbert, die er hoofdzakelijk in betrokken is," zei de Preceptor Van Goodalricke, "en die bovendien het best weet, hoe het met de waarheid in deze zaak staat."

"Maar als onze broeder Brian," hervatte de Grootmeester, "onder den invloed staat van eene betoovering?--Wij spreken slechts uit voorzorg; want aan geen lid van de heilige Orde zouden wij liever deze, of een nog gewichtiger zaak toevertrouwen."

"Eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor Van Goodalricke, "geene betoovering heeft invloed op den kampvechter, die optreedt om in een Godsgericht te strijden."

"Gij hebt gelijk, broeder," hernam de Grootmeester. "Albert Malvoisin, geef dit onderpand van den strijd aan Brian De Bois-Guilbert.--Ik gelast u, broeder," vervolgde hij, zich tot Bois-Guilbert wendende, "om manmoedig te strijden, niet twijfelende, of de goede zaak zal zegepralen.--Voor u, Rebekka, bepalen wij den derden dag na dezen, opdat gij een kampvechter moogt stellen."

"Dat is een korte tijd," antwoordde Rebekka, "voor een vreemdeling, die niet van uw geloof is, om iemand te vinden, die leven en eer om harentwille in den strijd zou willen wagen."

"Wij kunnen den tijd niet verlengen," hernam de Grootmeester; "de strijd moet in onze eigene tegenwoordigheid plaats hebben, en verscheidene gewichtige redenen roepen ons op den vierden dag van hier."

"Gods wil geschiede!" riep Rebekka uit; "ik stel mijn vertrouwen in Hem, voor Wien één oogenblik even voldoende ter redding is, als eene geheele eeuw."

"Gij hebt goed gesproken, meisje," zei de Grootmeester; "maar wij weten ook zeer goed, wie zich als een Engel des lichts vertoonen kan. Nu blijft er slechts nog over, om eene plaats te bepalen voor den strijd, en, zoo het noodig mocht zijn, voor de volvoering der straf.--Waar is de Preceptor van dit huis?"

Albert Malvoisin, steeds Rebekka's handschoen in de hand houdende, sprak zeer ernstig maar zacht met Bois-Guilbert.

"Hoe!" riep de Grootmeester, "wil hij het pand niet aannemen?"

"Hij wil het wèl,--hij heeft het reeds aangenomen, zeer eerwaarde vader," antwoordde Malvoisin, den handschoen onder zijn eigen mantel stekende. "En voor de plaats van het gevecht, houd ik het strijdperk van St. George voor het geschiktst, daar het tot deze Preceptorij behoort, en wij het veelal voor krijgsoefeningen gebruiken."

"Het is wèl," zei de Grootmeester. "Rebekka, in dit strijdperk zult gij uw kampvechter stellen, en zoo gij zulks niet doet, of indien hij in het Godsgericht overwonnen wordt, dan zult gij, volgens uw vonnis, den dood eener tooveres sterven. Laat dit ons vonnis in het boek opgeteekend en luid voorgelezen worden, opdat niemand onkunde daarvan voorwende."

Een der kapelanen, die den dienst van schrijvers bij het Kapittel waarnamen, schreef dadelijk het vonnis in een groot boek, de handelingen der Tempelridders bevattende, wanneer zij bij plechtige gelegenheden vergaderd waren; en toen hij met schrijven gedaan had, las een tweede met luider stem het vonnis van den Grootmeester, dat uit het Normandisch-Fransch vertaald, aldus luidde, voor:

"Rebekka, eene Jodin, de dochter van Izaäk van York, beschuldigd van tooverij, verleiding, en andere verdoemelijke kunsten, die zij op een ridder van de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion heeft uitgeoefend, loochent dit, en zegt, dat de heden tegen haar afgelegde getuigenissen valsch, boosaardig en onwaar zijn; en dat zij, wettig verhinderd door haar geslacht, in hare plaats een kampvechter stellen zal, om hare zaak te verdedigen, die zijn ridderlijken plicht vervullen zal met zoodanige wapens, als een gevecht vordert, en dat op hare kosten en gevaar. En hierop gaf zij haar pand, dat overgegeven werd aan den edelen Heer en Ridder Brian De Bois-Guilbert van de Heilige Orde van den Tempel van Sion; deze werd benoemd om dien strijd te voeren voor zijne Orde en zich zelven, als beleedigd en benadeeld zijnde door de tooverijen der aangeklaagde. Derhalve heeft de Zeer Eerwaarde Vader en machtige Heer Lucas, Markies van Beaumanoir, genoemde uitdaging en de verschooning der aangeklaagde wegens haar geslacht aangenomen, en den derden dag van heden tot genoemd gevecht bepaald, en daartoe aangewezen de omheinde plaats, genoemd het strijdperk van St. George, nabij de Preceptorij van Templestowe. En de Grootmeester roept dus de beschuldigde op, om aldaar door haar kampvechter te verschijnen, onder doodstraf, als van tooverij en verleiding overtuigd; als ook den aanklager om te verschijnen, onder straf van voor een lafaard verklaard te worden, in geval hij niet mocht verschijnen, en de edele Heer en Zeer Eerwaarde Vader voornoemd, bepaalt, dat het gevecht in zijne tegenwoordigheid zal plaats hebben, met inachtneming van alle in zulke zaken heerschende gebruiken. En moge God de rechtvaardige zaak bijstaan!"

"Amen!" riep de Grootmeester; en de menigte herhaalde het woord. Rebekka sprak niet; maar zij zag ten hemel, en haar handen vouwende, bleef zij eene minuut lang in dezelfde houding. Zij bracht hierop den Grootmeester op een bescheiden toon te binnen, dat zij eenige vrijheid moest hebben, om haar vrienden bericht van haar toestand te geven, opdat men, indien het mogelijk was, een kampvechter voor haar zou zoeken.

"Dat is recht en billijk," zei de Grootmeester; "kies welken bode gij wilt, en hij zal vrij in uwe gevangenis komen."

"Is er iemand hier," zei Rebekka, "die hetzij uit liefde voor de goede zaak, of voor een mild loon, een boodschap voor een ongelukkig schepsel doen wil?"

Allen zwegen; want niemand waagde in de tegenwoordigheid van den Grootmeester eenige belangstelling voor de gelasterde gevangene te betoonen, uit vrees van voor Joodschgezind gehouden te worden. Niet eens het vooruitzicht op belooning en veel minder het gevoel van medelijden alleen kon deze vrees te boven komen.

Rebekka bleef eenige oogenblikken in onbeschrijfelijken angst en toen riep zij uit: "Is het wezenlijk zoo?--En moet ik in Engeland van de geringe kans van redding, die mij overblijft, beroofd worden, omdat niemand een liefdedienst voor mij verrichten wil, welken men den ergsten misdadiger niet zou weigeren?"

Higg, de zoon van Snell, antwoordde eindelijk: "Ik ben maar een kreupel man, maar aan hare liefderijke hulp heb ik het te danken, dat ik mij nog verroeren en bewegen kan.--Ik wil uwe boodschap verrichten," voegde hij er bij, zich tot Rebekka wendende, "zoo goed als een verlamd schepsel het kan; en gelukkig zou ik zijn, als mijne beenen vlug genoeg waren om het kwaad, dat mijne tong gedaan heeft, weder goed te maken. Helaas! toen ik uwe liefdadigheid roemde, dacht ik niet, dat ik u daardoor in gevaar bracht!"

"God," zei Rebekka, "beschikt alles. Hij kan Juda's gevangenschap zelfs door het zwakste werktuig doen eindigen. Om Zijn last te volbrengen, is de slak een even zekere bode als de valk. Zoek Izaäk van York op;--zie, hier is geld, daar kunt gij een paard voor nemen,--en overhandig hem dit briefje.--Ik weet niet, of het de Hemel is, welke mij bezielt; maar ik ben vast overtuigd, dat ik dezen dood niet zal sterven, en dat er zich een kampioen voor mij zal opdoen. Vaarwel!--leven en dood hangen van uw spoed af."

De boer nam het briefje, dat slechts eenige woorden in het Hebreeuwsch bevatte. Velen der toeschouwers wilden hem afraden, om een zoo verdacht geschrift aan te raken; maar Higg had vast besloten om zijne weldoenster te dienen. "Zij heeft mijn lichaam gered," zei hij; "en ik ben verzekerd, dat zij mijne ziel niet in gevaar zal brengen. Ik zal het flinke paard van buurman Buthan huren, en te York zijn zoo spoedig man en beest er maar komen kunnen."

Maar gelukkig, behoefde hij zoo ver niet te gaan, want ongeveer een kwartier van de poort der Preceptorij ontmoette hij twee ruiters, die hij aan hunne kleeding en groote gele mutsen voor Joden erkende; en naderbij komende ontdekte hij, dat een van hen Izaäk van York was; bij wien hij vroeger gewerkt had. De andere was de Rabbijn Ben Samuel; beiden waren zoo dicht bij de Preceptorij gekomen als zij durfden, toen zij hoorden dat de Grootmeester een Kapittel voor het proces van eene tooveres bijeen geroepen had.