Ivanhoe

Chapter 37

Chapter 373,727 wordsPublic domain

"Malvoisin, die _moeten_ gevonden worden," hervatte Koenraad; "het zal u en de Orde groot voordeel aanbrengen. Dit Templestowe is een arme Preceptorij,--die van Maison-Dieu is nog eens zoo rijk;--ge kent mijn invloed bij onzen grijzen aanvoerder;--vind menschen, die deze zaak kunnen doorzetten, en ge wordt Preceptor van Maison-Dieu in het vruchtbare Kent.--Wat zegt ge daarvan?"

"Er zijn," hernam Malvoisin, "onder de lieden, die met Bois-Guilbert hier gekomen zijn, twee menschen, die ik goed ken; ze zijn bedienden van mijn broeder Philip de Malvoisin geweest; en zijn uit zijn dienst in dien van Front-de-Boeuf overgegaan.--Misschien weten ze iets van de tooverij dezer vrouw."

"Ga, en zoek hen dadelijk op,--en hoor eens; als een paar _byzantijnen_ hun geheugen versterken kunnen, laat het dan daaraan niet ontbreken."

"Ze zouden voor een _zechin_ zweren, dat de moeder, die hun het leven geschonken heeft, eene tooveres was," zei de Preceptor.

"Ga dan," zei Mont-Fitchet; "tegen den middag zal de zaak voortgang hebben. Ik heb onzen chef in geene zoo ernstige stemming gezien, sedert hij Hamet Alfagi, een bekeerde, die weder tot den Turkschen godsdienst afviel, tot den brandstapel veroordeelde."

De zware klok van het kasteel had het middaguur verkondigd, toen Rebekka voetstappen op de trap hoorde, welke naar hare gevangenis leidde. Het geraas kondigde de aankomst van verscheidene personen aan, en deze omstandigheid was haar een troost; want zij vreesde de bezoeken van den trotschen en driftigen Bois-Guilbert meer dan eenig ander kwaad, dat haar overkomen kon. De deur van het vertrek werd geopend, en Koenraad trad met den Preceptor Malvoisin en vier in het zwart gekleede wachters, met hellebaarden gewapend, binnen.

"Dochter van een vervloekten stam," zei de Preceptor, "sta op en volg ons!"

"Waarheen?" vroeg Rebekka, "en waartoe?"

"Meisje," antwoordde Koenraad, "het past u niet te vragen; maar te gehoorzamen. Evenwel moogt gij vernemen, dat gij voor de vierschaar van den Grootmeester van onze Heilige Orde zult gebracht worden, om daar rekenschap van uwe zonde te geven."

"De God Abrahams zij geloofd," riep Rebekka, de handen dankbaar ineenslaande; "de naam van een rechter, ofschoon een vijand van ons volk, klinkt in mijn ooren als die van een beschermer. Gaarne volg ik u;--vergun mij slechts mijn sluier om mijn hoofd te slaan."

Zij gingen de trap met langzame en plechtige schreden af, door een lange galerij, en traden door een vleugeldeur aan het eene einde in de groote zaal, waarin de Grootmeester voor het oogenblik zijn gerechtshof had opgeslagen.

Het benedenste gedeelte van dit ruim vertrek was opgevuld met gewapenden en landslieden, die niet zonder zwarigheid plaats voor Rebekka maakten, die, begeleid door den Preceptor en Mont-Fitchet en gevolgd door de hellebaardiers, zich naar de aangewezen plaats begaf. Terwijl zij, met gevouwen handen en voorover gebogen hoofd, door den hoop ging, werd haar een stukje papier in de hand gestopt; zij ontving het bijna zonder het te weten, en hield het vast zonder naar den inhoud te zien. De verzekering echter, dat zij een vriend in deze verschrikkelijke vergadering had, gaf haar moed om rond te zien, en op te merken in wiens tegenwoordigheid zij zich bevond. Zij ontwaarde een tooneel, dat wij trachten zullen in het volgende hoofdstuk te beschrijven.

ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Streng was de wet, die haar dienaars dwong, het hart Te sluiten voor 't gevoel van aardsch' ellende en smart, Streng was de wet voorwaar, die menschen dorst bevelen, Om nimmer in de vreugd, hoe schuldloos ook, te deelen: Maar eindloos strenger nog de wet, die d'ijzren staf Der dwinglandij aanvaardde, alsof haar God dien gaf.

De Middeleeuwen.

De rechtbank, opgericht voor het proces der onschuldige en ongelukkige Rebekka, besloeg het hoogere of bovenste einde van de groote zaal, dat wij reeds als de eereplaats beschreven hebben, bestemd om de aanzienlijkste bewoners of gasten te ontvangen.

Op een verheven gestoelte, vlak voor de aangeklaagde, zat de Grootmeester der Tempeliers, in een wijd, ruim, wit kleed, vol plooien, in zijn hand den mystieken staf houdende, waarop het zinnebeeld der Orde prijkte. Vóór hem stond eene tafel, waaraan twee schrijvers zaten, de kapelanen der Orde, wier plicht het was om hetgeen voorviel behoorlijk ten protocol te brengen. De zwarte kleeding, de geschoren kruinen en het nederig voorkomen van deze geestelijken, vormde een sterke tegenstelling met de krijgshaftige houding van de aanwezige ridders, die of in de Preceptorij huisvestten, of in gezelschap van hun Grootmeester daarheen gekomen waren. De Preceptoren, ten getale van vier, bezetten de zitplaatsen, welke minder hoog en wat verder naar achteren waren, dan die van hun opperhoofd, en de ridders, die geen hoogeren rang in de Orde bekleedden, zaten op nog lager banken, op denzelfden afstand van de Preceptoren, als dezen van den Grootmeester. Achter hen, maar nog altijd op het verhevene gedeelte der zaal, stonden de schildknapen der Orde, in witte kleederen van mindere fijnheid. De geheele vergadering had een deftig voorkomen, en op het gelaat der ridders bespeurde men blijken van krijgshaftigen moed, vereenigd met al den ernst, die mannen van geestelijken stand past, en dien geen van hen in tegenwoordigheid van hun Grootmeester verzuimde aan te nemen.

Het overige, lagere gedeelte van de zaal was gevuld met wachten, die gewapend waren met hellebaarden, en met andere lieden, welke de nieuwsgierigheid daarheen gelokt had, om tegelijk een Grootmeester en eene Joodsche tooveres te zien. Verreweg de meerderheid dezer mindere personen was door de een of andere ambtsbetrekking met de Orde verbonden en onderscheidden zich dus door eene zwarte kleeding. Maar men had ook de boeren uit de omliggende streken toegelaten; want Beaumanoir stelde er roem in, om het stichtelijk tooneel van de gerechtigheid, die hij uitoefende, zoo openbaar mogelijk te maken. Zijne groote blauwe oogen schenen grooter te worden, terwijl hij de vergadering overzag, en zijn gelaat scheen te stralen met de overtuiging van zijne waardigheid en met de ingebeelde verdienstelijkheid van de rol, welke hij speelde. Een psalm, dien hij zelf met een diepe, zachte stem, welke de ouderdom nog niet van hare kracht beroofd had, medezong, was het begin van den dag: en de plechtige tonen: _Venite, exsultemus Domino_, welke de Tempeliers zoo dikwijls aanhieven, eer ze ten strijde gingen tegen aardsche vijanden, werden door Lucas voor het geschiktst geoordeeld, om tot inleiding te dienen voor de naderende zegepraal van het licht over de duisternis, zooals hij het noemde. De lang aangehouden noten, door een honderdtal mannenstemmen, in het koorgezang geoefend, aangeheven, weêrgalmden tot aan de gewelfde zoldering van de zaal, en weêrklonken tusschen de pilaren met een aangenaam en toch plechtig geluid, als het golven van een machtigen stroom. Toen het gezang ophield, overzag de Grootmeester langzaam den kring en bespeurde, dat de zitplaats van één der Preceptoren ledig gebleven was. Brian De Bois-Guilbert, wien die toekwam, had zijne plaats verlaten, en stond nu aan het uiterste einde van een der banken, welke de gewone ridders des Tempels bezetten, met de eene hand zijn langen mantel ophoudende, zoodat hij eenigermate zijn gezicht bedekte, terwijl hij in de andere zijn zwaard hield, welks gevest den vorm van een kruis had, en met de punt van hetwelk hij zonder het uit te trekken, langzaam lijnen op den eiken vloer teekende.

"Ongelukkige!" zei de Grootmeester, na een medelijdenden blik op hem geslagen te hebben. "Gij ziet, Koenraad, hoe dit heilige werk hem kwelt. Zoo ver kan de lichtzinnige blik eener vrouw, door de macht van den vorst der duisternis ondersteund, een dapperen en waardigen ridder brengen!--Zie, hij kan ons niet aanzien, en haar evenmin; en wie weet door welke macht van den boozen geest door wien hij bezeten is, zijne hand deze kabbalistische lijnen op den vloer trekt? Mogelijk wordt ons leven en onze veiligheid daardoor bedreigd; maar wij trotseeren en dagen den boozen geest uit--_Semper leo perculiatur!_" Dit fluisterde hij heimelijk zijn vertrouweling Koenraad Mont-Fitchet toe. Hierop verhief hij de stem en wendde zich aldus tot de vergadering.

"Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!--gij ook edele en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis te dragen!--en gij ook, Christenbroeders van allen rang!--verneemt, dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk [37], dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven, volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York, eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van een ridder,--niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder, aan den dienst des Tempels toegewijd;--niet van een eenvoudig ridder, maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden, van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter, zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende, een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne, verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt was?--Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet, dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden uitgedreven, volgens den tekst: _Auferte malum ex vobis_.

"Want menigvuldig en ergerlijk zijn de overtredingen tegen de regels van onze gezegende Orde in deze droevige zaak. 1°. Hij is naar zijn eigen vrijen wil rondgetrokken, strijdig met het drie-en-dertigste hoofdstuk: _Quod nullus iuxta propriam voluntatem incedat_. 2°. Hij heeft verkeering gehouden met een van de Kerk uitgesloten persoon,--zeven-en-vijftigste hoofdstuk: _Ut fratres non participent cum excommunicatis_; en derhalve is hij onderhevig aan het _Anathema Maranatha_. 3°. Hij heeft met vreemde vrouwen verkeerd, strijdig met het hoofdstuk: _Ut fratres non conversentur cum extraneis mulieribus_. 4°. Hij heeft niet alleen den kus eener vrouw niet vermeden, maar zooals ik vreezen moet, er om aangezocht; waardoor, gelijk de laatste regel van onze beroemde Orde zegt, _ut fugiantur osculo_, de soldaten van het kruis in een valstrik gelokt worden. Voor deze schandelijke en menigvuldige misdaden moest Brian De Bois-Guilbert uit onze broederschap worden afgesneden en uitgeworpen, al ware hij er de rechterhand en het rechteroog van!"

Hij zweeg. Een zacht gefluister verspreidde zich door de vergadering. Eenige van de jonge ridders, die genegen schenen om te glimlachen over de wet: _De osculis fugiendis_, werden thans ernstig genoeg en wachtten met ongeduld op hetgeen de Grootmeester verder zou voordragen.

"Zoodanig," vervolgde hij, "en zoo streng moest inderdaad de straf van een Tempelridder zijn, die de regels zijner Orde op zulke gewichtige punten willens en wetens overtrad. Maar wanneer door middel van tooverkunsten de Satan macht over den ridder verkregen heeft, misschien omdat hij zijn oog te lichtvaardig op de schoonheid van een meisje wierp, dan moeten wij zijne dwaling eerder beklagen dan bestraffen, en hem slechts een straf opleggen, welke hem van zijne zonden kan reinigen, het geheele gewicht van onzen toorn wenden tegen het vervloekte werktuig, dat bijna zijn geheelen val had teweeg gebracht. Treedt voor, derhalve, en getuigt, gij, die deze ongelukkige gebeurtenissen bijgewoond hebt, opdat wij de bewijzen mogen onderzoeken en oordeelen, of onze gerechtigheid zich kan tevreden stellen met de bestraffing van deze ongeloovige vrouw, dan of wij met een bloedend hart tot verdere vervolging tegen onzen broeder moeten overgaan."

Er werden verscheidene getuigen geroepen, om het gevaar te bewijzen, waaraan Bois-Guilbert zich had blootgesteld, toen hij Rebekka uit het brandend kasteel redde, en haar met minachting zijner eigene veiligheid beschermd had. De menschen deden dit verhaal met de overdrijving eigen aan gemeene lieden, die sterk door de eene of andere bijzondere gebeurtenis getroffen zijn; en hunne natuurlijke neiging voor het wonderbare werd zeer verhoogd door het genoegen, dat hunne getuigenis den aanzienlijken man scheen te verschaffen, voor wien ze afgelegd werd. Dus waren de gevaren, welke Bois-Guilbert te boven gekomen was, hoewel op zichzelve groot genoeg, volgens hun verhaal ongelooflijk. De ijver des ridders in de verdediging van Rebekka werd overdreven, niet alleen boven de grenzen van het gezond verstand, maar zelfs van den dolzinnigsten riddermoed; en zijne onderworpenheid voor hetgeen ze zeide, schoon ze dikwijls op een strengen, verwijtenden toon tot hem sprak, werd afgeschilderd als zoo slaafsch, dat ze bij een man van een zoo trotsch karakter onnatuurlijk moest schijnen.

Daarna werd de Preceptor van Templestowe geroepen, om de wijze te beschrijven, waarop Bois-Guilbert en de Jodin bij de Preceptorij waren aangekomen. De getuigenis van Malvoisin werd met de uiterste voorzichtigheid gegeven. Maar terwijl hij zich er schijnbaar op toelegde, om het gevoel van Bois-Guilbert te sparen, liet hij van tijd tot tijd eenige wenken vallen, welke schenen aan te duiden, dat hij onder eenige verstandsverbijstering leed, daar hij zoo innig gehecht scheen aan het meisje, dat hij medebracht. Met teekenen van berouw bekende de Preceptor de zonde, die hij begaan had door Rebekka en haar ridder binnen de Preceptorij te ontvangen.--"Maar mijne verdediging," zoo besloot hij, "heb ik aan onzen Grootmeester voorgedragen; hij weet, dat mijne beweegredenen niet slecht waren, al strijdt ook mijn gedrag tegen den regel. Goedwillig zal ik mij aan iedere boete onderwerpen, welke hij mij opleggen zal."

"Gij hebt goed gesproken, broeder Albert," zei Beaumanoir; "uwe beweegredenen waren goed, dewijl gij daarin gelijk hadt, dat gij uw dwalenden broeder op zijne dolzinnige loopbaan wildet stuiten. Maar uwe handelwijze was verkeerd:--gelijk hij, die een hollend paard wil tegenhouden en het bij den stijgbeugel in plaats van bij den toom vat, zelf beschadigd wordt, in plaats van nut te stichten. Onze vrome stichter heeft dertien _paternosters_ bepaald voor den morgendienst en negen voor den avonddienst; gij moet dit getal verdubbelen. Driemaal in de week is het den Tempelier vergund vleesch te nuttigen; gij moet de geheele week vasten. Als gij dit zes weken lang volgehouden hebt, is uw boete volbracht."

Met een schijnheiligen blik der diepste onderwerping, boog de Preceptor van Templestowe tot den grond voor zijn Grootmeester, en begaf zich weder op zijne plaats.

"Zou het niet goed zijn, broeders," vervolgde de Grootmeester, "dat wij eenig onderzoek deden naar het vroeger leven en verkeer van deze vrouw, vooral om te ontdekken, of het waarschijnlijk is, dat zij van hekserijen en tooverkunsten gebruik gemaakt heeft, daar de waarheden, die wij gehoord hebben, ons wel zouden doen gelooven, dat onze dwalende broeder in deze ongelukkige onderneming door eenige helsche verleidingen en bedriegerijen aangedreven is?"

Herman Van Goodalricke was de vierde Preceptor, die tegenwoordig was; de drie anderen waren Koenraad, Malvoisin en Bois-Guilbert zelf. Herman was een oud krijgsman, wiens gezicht bedekt was met litteekens van de sabelhouwen der Muzelmannen, en die in groote achting stond en veel gezag had onder zijn broeders. Hij stond op en boog diep voor den Grootmeester, die hem dadelijk verlof gaf om te spreken. "Ik zou gaarne, eerwaarde vader, van onzen dapperen broeder Brian De Bois-Guilbert zelven, willen vernemen wat hij op deze wonderbare beschuldigingen zegt, en met welk oog hij thans zelf zijne onzalige verkeering met dit Joodsche meisje aanschouwt?"

"Brian De Bois-Guilbert," zei de Grootmeester, "gij hoort de vraag, waarop onze broeder van Goodalricke begeert, dat gij antwoorden zult. Ik beveel u hem bescheid te geven."

Bois-Guilbert wendde het hoofd naar den Grootmeester, toen hij dus aangesproken werd, en bewaarde het stilzwijgen!

"Hij is door den duivel der sprakeloosheid bezeten!" zei de Grootmeester. "Wijk, Satanas!--Brian De Bois-Guilbert, ik bezweer u bij dit teeken van onze heilige Orde!"

Bois-Guilbert deed eene poging, om zijne klimmende minachting en verontwaardiging te onderdrukken, daar hij wel begreep, dat eene uitbarsting hem weinig zou geholpen hebben.

"Brian De Bois-Guilbert," hernam hij, "antwoordt niet, eerwaarde vader, op zulke onbepaalde en ijdele aanklachten. Indien zijne eer aangetast wordt, dan zal hij die met zijn lichaam en met zijn zwaard, dat zoo dikwijls voor het Christendom gestreden heeft, verdedigen."

"Wij vergeven u, broeder Brian," zei de Grootmeester, "dat gij in onze tegenwoordigheid op uw krijgsdaden roemt, want dit komt van den booze, die ons in de verzoeking brengt, om onze eigene verdiensten te vergrooten. Maar gij hebt onze vergiffenis, daar ik begrijp, dat gij minder uit uw eigen mond spreekt dan uit dien van hem, welken wij, met Gods hulp, uit deze vergadering denken te verdrijven."

Een blik van verachting vlamde in het zwarte, dreigende oog van Bois-Guilbert, maar hij antwoordde niet.--"En nu," vervolgde de Grootmeester, "daar de vraag van onzen broeder van Goodalricke zoo onvolledig beantwoord is, willen wij ons onderzoek vervolgen, broeders, en, met behulp van onzen beschermheilige, dit goddeloos geheim tot op den grond toe nasporen. Laten zij, die iets te getuigen hebben aangaande het leven en het verkeer dezer Jodin, te voorschijn treden." Er ontstond een gedruisch in het benedenste gedeelte van de zaal, en toen de Grootmeester naar de reden vroeg, antwoordde men hem, dat er zich onder den hoop een man bevond, die bedlegerig geweest was, en dien de gevangene door een wonderdadigen balsem het volkomen gebruik van zijne ledematen teruggegeven had.

De arme boer, een Sakser van geboorte, werd naar voren gesleept, sidderend voor de straf, welke hem zou kunnen treffen, omdat hij door een Jodenmeisje van de gevolgen eener beroerte genezen was. Volkomen genezen was hij zeker niet, want hij steunde nog op zijn krukken, terwijl hij zijne getuigenis aflegde. Zeer ongaarne en met veel tranen verhaalde hij, dat hij twee jaren te voren, te York wonende, door eene zware ziekte werd aangetast, terwijl hij in zijn beroep van schrijnwerker voor Izaäk, den rijken Jood werkte; dat hij buiten staat geweest was, om van het bed op te staan, voordat de geneesmiddelen, welke hij op Rebekka's aanwijzing gebruikt had, en vooral een verwarmende en geurige balsem, hem eenigermate het gebruik zijner ledematen teruggegeven hadden. Daarenboven zei hij, dat zij hem een potje met die kostelijke zalf gegeven en nog een stuk geld geschonken had, om naar het huis van zijn vader in de nabijheid van Templestowe terug te keeren. "En met uw eerwaarde's verlof," zei de man, "ik kan niet gelooven, dat het meisje mij kwaad doen wilde, ofschoon zij het ongeluk heeft eene Jodin te zijn; want zelfs toen ik haar middel gebruikte, zeide ik het _pater_ en _credo_ op, en het werkte toch niet minder heilzaam."

"Zwijg, slaaf," zei de Grootmeester, "en vertrek! Het past wel aan honden, gelijk gij zijt, om zich met helsche genezingen in te laten, en bij de zonen des ongeloofs te werken. Ik zeg u, de booze kan ziekten opleggen alleen om ze te genezen, en daardoor eenig helsch geneesmiddel in aanzien te brengen. Hebt gij de zalf nog, waarvan gij spreekt?"

Na met eene bevende hand in den boezem getast te hebben, haalde de boer een kleine doos te voorschijn, op welker deksel eenige Hebreeuwsche letters stonden, wat bij het grootste gedeelte der toehoorders een zeker bewijs was, dat de duivel voor apotheker gespeeld had. Beaumanoir nam, na een kruis gemaakt te hebben, de doos in de hand, en, daar hij de meeste Oostersche talen verstond, las hij gemakkelijk het opschrift: _de leeuw van den stam van Juda heeft verwonnen_. "Wonderbare macht des Satans!" riep hij, "welke de Heilige Schrift in godslastering kan veranderen, en vergif onder ons noodzakelijk voedsel mengt!--Is er hier geen geneeskundige, die ons de bestanddeelen van deze geheimzinnige zalf zeggen kan?"

Twee geneesmeesters, zooals ze zich noemden, de een een monnik en de andere een barbier, verschenen, en verklaarden, dat ze niets van de bestanddeelen wisten; behalve dat ze naar myrrhe en kamfer roken, welke zij voor Oostersche kruiden hielden. Maar met den echten broodnijd bezield tegen een gelukkigen beoefenaar van hunne kunst, gaven zij te kennen, dat, nu het geneesmiddel hunne kennis te boven ging, het noodzakelijk uit ongeoorloofde, betooverde bestanddeelen moest bereid zijn, daar zij, ofschoon geen toovenaars, iederen tak van hunne kunst verstonden, voor zoover ze een goed Christen op een eerlijke wijze kon beoefenen. Toen dit geneeskundig onderzoek gedaan was, verzocht de Saksische boer nederig, dat men hem het geneesmiddel zou teruggeven, dat hij zoo heilzaam bevonden had, maar de Grootmeester fronste de wenkbrauwen bij dit verzoek. "Hoe heet gij, mensch?" vroeg hij den kreupele.

"Higg, de zoon van Snell," antwoordde de boer.

"Dan zeg ik u, Higg, zoon van Snell," zei de Grootmeester, "dat het is beter bedlegerig te zijn, dan artsenij van ongeloovigen aan te nemen, om te kunnen opstaan en wandelen;--dat het beter is de ongeloovigen met geweld van hunne schatten te berooven, dan weldaden van hen aan te nemen, of hen voor loon te dienen. Ga heen, en doe wat ik gezegd heb!"