Ivanhoe

Chapter 35

Chapter 353,808 wordsPublic domain

Bardon kwam spoedig, terwijl de Prins met ongelijke en wankelende schreden door het vertrek stapte.

"Bardon, wat begeerde Waldemar van u?" vroeg hij.

"Twee moedige mannen, goed met deze Noordsche wildernissen bekend, en geoefend in het volgen van het spoor van menschen en paarden."

"En hebt gij hem die verschaft?"

"Uwe Hoogheid moge mij anders nooit weer vertrouwen," antwoordde de aanvoerder der spionnen. "De één is uit Hexhamshire; hij is gewoon dieven in Tynedale en Teviotdale op te sporen, gelijk een bloedhond het gekwetste wild. De andere is uit Yorkshire, en heeft menigmaal den boog in het woud van Sherwood gespannen; hij kent elke grasvlakte, kreupelhout en bosch tusschen hier en Richmond."

"Goed!" zei de Prins. "Vertrekt Waldemar met hen?"

"Dadelijk," antwoordde Bardon.

"Met wat gevolg?" vroeg Jan onverschillig.

"Thoresby gaat met hem, en Wetheral, dien men om zijne wreedheid Steven Steen-hart noemt; en drie noordsche krijgslieden, die tot den troep van Rolf Middleton behoord hebben; men noemt hen de lansknechten van Spyinglaw."

"Goed," hernam weder Prins Jan; en na een oogenblik zwijgens voegde hij er bij: "Bardon, het is noodig, dat gij een waakzaam oog houdt op Maurice de Bracy,--zóó echter, dat hij er niets van merkt;--en onderricht mij van tijd tot tijd van zijne bewegingen,--met wien hij spreekt, en wat hij doet. Verzuim dit niet; gij zijt er verantwoordelijk voor."

Hugo Bardon boog en vertrok.

"Als Maurice mij verraadt," zei Prins Jan--"als hij mij verraadt, zooals zijn gedrag mij doet vreezen, dan zal ik zijn hoofd hebben, al raasde Richard zelfs voor de poorten van York!"

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wek in Hircaniës woestijn den tijger, Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi; 't Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur Der dweepzucht aan te blazen!

Anonymus.

Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.--Gezeten op een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken; na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel, toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten, zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was.

"Naar Templestowe!" zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; "De koorts is afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward."

"En waarom niet naar Templestowe?" antwoordde zijn patient. "Ik geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders, gelijk men ze noemt, bezoeken." [34]

"Dat weet ik wel," hernam Nathan; "maar weet ge wel, dat Lucas de Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester noemen, nu zelf te Templestowe is?"

"Dat wist ik niet," hervatte Izaäk; "de laatste brieven van onze broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond, om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen."

"Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken, en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch zeker wel hooren noemen?"

"Ja zeker," antwoordde Izaäk; "de Heidenen schilderen dezen Lucas Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls."

"En zoo noemen zij hem met recht," hernam Nathan de geneesheer. "Andere Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak, of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van verschillenden stempel;--hij veracht de zinnelijkheid, veracht den rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.--De God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!--Vooral heeft deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda, evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den Satan waren.--De Heer straffe hem daarvoor!"

"En toch," hernam Izaäk, "moet ik mij naar Templestowe begeven, al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven."

Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.--De Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende: "Ach, mijne dochter!--Ach, mijne dochter!--Wee over de dochter van Sion!--Wee over de gevangenschap van Israël!"

"Ge ziet," zei Izaäk, "hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde dochter Rebekka teruggeven."

"Ga dan," zei Nathan Ben Israël; "en wees wijs; want wijsheid redde Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.--Mogen hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!--Maar, broeder, keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht, hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen, de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden, alsof ze het werk des Satans waren."

Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben, kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd, en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende: "Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet," en "Leven en dood zijn in de macht der tong." In één woord, de sombere monnikachtige gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven.

Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid; en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben.

Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde, die met hem uit Palestina was teruggekomen.

De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd, zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders, die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen men toen _Burrel_-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding; maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet, met de wol naar buiten gekeerd,--hetwelk het dichtste bij bont kwam,--de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien eenvoudigen _abacus_ of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem, zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien.

"Koenraad," zei de Grootmeester, "dierbare deelgenoot mijner veldslagen en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld zijn;--o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze heilige Orde aanschouwen!"

"Het is maar al te waar," antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; "en de ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan in Frankrijk."

"Omdat ze rijker zijn," hernam de Grootmeester. "Verschoon mij, broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven, dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden kon,--zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, _Ut leo semper feriatur_. [35]

Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd heeft,--bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven, ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde, dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?--Het is hun verboden iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij uitroeien,--en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels, kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste spijzen.--Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf, gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht, paste beter voor den _Harem_ van een ongeloovigen Emir, dan voor de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten hunner keuken-groenten.--En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!--Het is u bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen, welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren, omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan, door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk, (als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en zusters den kus der liefde te geven, _ut ommium mulierum fugiantur oscula!_--Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht, te spreken,--ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer, en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid, welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien, Koenraad, in nachtelijke droomen;--hunne heilige oogen stortten tranen over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij; gij slaapt,--ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels, schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen, waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd. [36] De soldaten van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen, en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek ons!--Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!--Grijp het zwaard van Phineas!--De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte, kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven der witte mantels zien.--En ik wil naar hun bevel handelen, ik _wil_ den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit, zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!"

"Maar bedenk, eerwaarde vader," zei Mont-Fitchet, "dat de smet door tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn, zoowel als billijk en wijs."

"Neen, Mont-Fitchet;--ze moet streng en plotseling zijn:--de Orde is op het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;--onze verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op den hals gehaald.--Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene verzoeking zijn voor de vorsten;--wij moeten die verwaandheid afleggen, welke eene beleediging voor hen is;--wij moeten de losbandigheid onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele Christen-wereld!--of,--let wel op mijn woorden,--de Orde van den Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer onder de volkeren bekend zijn."

"God wende deze ramp van ons af!" riep de Preceptor.

"Amen!" zei de Grootmeester plechtig; "maar wij moeten Zijne hulp verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen verdragen. Mijne berichten zijn zeker;--de grond, waarop ons gebouw staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd, onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels."

Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had.

"Is het niet passender," zei de Grootmeester, "dezen Damian in het kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep, als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als een papegaai snapte?--Spreek, Damian, wij veroorloven het u;--wat is uwe boodschap?"

"Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken."

"Gij doet wel mij hiervan kennis te geven," zei de Grootmeester; "in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar dien van zijn Meester,--volgens den tekst: "Zoodra hij mij hoorde, gehoorzaamde hij!"--Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren," zei hij, zich tot zijn makker wendende.

"Het gerucht noemt hem stout en dapper," zei Koenraad.

"En met recht noemt men hem zoo," hernam de Grootmeester; "in onze dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker, een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,--den staf om de zwakken te ondersteunen;--de roede om de misdadigers te straffen.--Damian," vervolgde hij, "breng den Jood voor ons."

De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf, die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt, kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf.

"Damian," zei de Grootmeester, "vertrek, en houd een wacht gereed, om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin komen, eer wij dien verlaten hebben."--De schildknaap boog diep en vertrok.--"Jood," vervolgde de trotsche grijsaard, "let op! Het past onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen hals laten scheuren."

De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort:

"Zwijg, ongeloovige!--Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in antwoord op onze vragen.--Wat hebt gij met onzen broeder Brian de Bois-Guilbert te doen?"

Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben, om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen.

"Vrees niets," zei hij, "voor uw ellendig leven, Jood, indien gij oprecht in deze zaak te werk gaat.--Ik vraag nog eens, wat hebt gij met Brian de Bois-Guilbert te doen?"

"Ik ben de overbrenger van een brief," stamelde de Jood, "met uw verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx."

"Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?" zei de Grootmeester. "Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen Jood.--Geef mij den brief!"