Ivanhoe

Chapter 31

Chapter 313,871 wordsPublic domain

"Alleen," antwoordde Rebekka, "zal ik u niet volgen. Indien gij uit eene vrouw geboren zijt,--indien gij slechts één vonkje menschelijkheid bezit;--indien uw hart niet zoo hard is als uw borstharnas,--red mijn ouden vader,--red dezen gewonden ridder!"

"Een ridder," antwoordde de Tempelier, met de hem eigene koelbloedigheid, "een ridder, Rebekka, moet den dood in de oogen zien; hetzij hij hem in den strijd, of in het vuur ontmoet,--en wie bekommert zich om het lot van een Jood?"

"Woeste krijgsman," zei Rebekka, "liever wil ik in de vlammen omkomen, dan mijn behoud aan u te danken hebben!"

"Gij zult geene keus hebben, Rebekka;--éénmaal hebt gij mij teleurgesteld; maar geen sterveling heeft zulks ooit ten tweedenmaal gedaan."

Dit zeggende, greep hij de verschrikte maagd, die het kasteel met haar gegil vervulde, en droeg haar uit de kamer, in weerwil van haar angst, en zonder te letten op de bedreigingen, en de uitdaging, die Ivanhoe hem achterna bulderde.

"Hond van een Tempelier,--schandvlek uwer orde!--stel het meisje in vrijheid! Verraderlijke Bois-Guilbert, Ivanhoe beveelt het u!--Schurk, ik zal u het hart met mijn staal doorboren!"

"Ik zou u niet gevonden hebben, Wilfrid," riep de Zwarte Ridder, die op dit oogenblik binnentrad, "indien gij niet zoo hard geschreeuwd hadt."

"Als gij een echte ridder zijt," hernam Wilfrid, "denk dan niet aan mij;--vervolg gindschen roover,--red Jonkvrouw Rowena;--zoek naar den edelen Cedric!"

"Ieder zijne beurt," antwoordde de ridder; "maar eerst is de beurt aan u!"

Hij nam Ivanhoe op, en droeg hem even gemakkelijk weg als de Tempelier Rebekka had gedragen; vloog door de poort, en nadat hij hier zijn last aan de zorg van twee schutters had toevertrouwd, ging hij weder in het kasteel om de andere gevangenen te helpen verlossen.

Een der torens stond nu in lichter laaie, die met geweld uit de vensters en schietgaten sloegen; maar op andere plaatsen weerstonden die dikke muren en gewelfde daken de macht van het vuur, en hier heerschte nog de woede der menschen, terwijl elders het nauwelijks verschrikkelijker element meester was; Want de belegeraars vervolgden de verdedigers van het kasteel van kamer tot kamer, en stilden in hun bloed de wraak, die hen al lang tegen de krijgslieden van den wreeden Front-de-Boeuf bezield had. Het grootste gedeelte van de bezetting verdedigde zich tot het uiterste, eenige weinigen vroegen om genade, die echter niemand verkreeg. Het gesteun der gekwetsten en het gekletter der wapenen vervulde de lucht;--de grond was glibberig van het bloed van wanhopige en stervende menschen.

Midden door dit tooneel van verwarring drong Cedric, om Rowena te zoeken, terwijl de getrouwe Gurth, die hem van nabij door het gedrang volgde, zijne eigene veiligheid verwaarloosde, om de slagen af te weren, die tegen zijn meester gericht werden. De edele Sakser was gelukkig genoeg het vertrek zijner pupil te bereiken, toen ze reeds alle hoop op redding had opgegeven, en in doodsbenauwdheid een crucifix op haar hart drukkende, een oogenblikkelijken dood verwachtte. Hij gaf haar aan Gurth over, die haar in veiligheid naar het bruggenhoofd zou geleiden, werwaarts de weg nu van vijanden gezuiverd, en nog niet door de vlammen afgesneden was. Toen dit volbracht was, haastte de getrouwe Cedric zich om zijn vriend Athelstane te zoeken, vast besloten om den laatsten telg van den Saksischen koninklijken stam te redden, aan welk gevaar hij zichzelven ook zou moeten blootstellen. Maar eer Cedric tot aan de oude zaal, waar hij zelf gevangen was geweest, doordrong, had de vindingrijke geest van Wamba zichzelven en zijn lotgenoot de vrijheid weder verschaft.

Toen het geraas aankondigde dat de slag op het heetst was, begon de nar te schreeuwen, zoo hard hij kon: "St. George en de draak!--St. George met het schoone Engeland!--Het kasteel is overwonnen!" En dit geschreeuw maakte hij nog schrikbarender, door eenige verroeste wapens, die in de zaal verspreid lagen, tegen elkander te slaan.

Eenige wachters, in het buiten- of voorvertrek geplaatst, en die te voren reeds door den angst overvallen waren, werden nu verschrikt door Wamba's geschreeuw, en de deur open latende, liepen ze naar den Tempelier om hem te vertellen, dat de vijanden tot in de oude zaal doorgedrongen waren. In dien tusschentijd vonden de gevangenen er geen zwarigheid in, om in de voorkamer te ontsnappen, en vandaar op de plaats van het kasteel te komen, het laatste tooneel van het gevecht. Hier zat de trotsche Tempelier te paard, omringd door verscheidene van de bezetting, zoowel te voet als te paard, die hun krachten met die van dezen beroemden aanvoerder vereenigd hadden, om de laatste kans op behoud te wagen en den eenigen weg, die hun tot den aftocht overbleef, meester te blijven. De ophaalbrug was op zijn bevel nedergelaten, maar de doorgang was bezet, want de boogschutters, die tot dusver het kasteel slechts van die zijde met hunne pijlen bestookt hadden, zagen nauwelijks de vlammen uitbarsten en de ophaalbrug neêrlaten, of zij drongen naar den ingang, zoowel om het garnizoen het ontkomen te beletten, als om zich van hun deel van den buit te verzekeren, eer het kasteel afbrandde. Van den anderen kant waren zij, die door de sluippoort waren binnen gekomen, nu tot op het plein doorgedrongen, en vielen woedend op het overschot der verdedigers aan, die dus van weêrskanten tegelijk bestormd werden.

Door wanhoop bezield en door het voorbeeld van hun onwrikbaren aanvoerder aangespoord, vochten de overgeblevene krijgslieden van het kasteel met den uitersten moed, en daar ze goed gewapend waren, gelukte het hun meer dan eens de aanvallers terug te drijven, ofschoon ze veel geringer in aantal waren. Rebekka, vóór een van des Tempeliers Saraceensche slaven op het paard geplaatst, was in het midden der kleine bende,--en niettegenstaande de verwarring der bloedige schermutseling, droeg Bois-Guilbert alle mogelijke zorg voor hare veiligheid. Hij was bestendig aan hare zijde,--en terwijl hij verzuimde zichzelven te verdedigen, beschermde hij haar met zijn driehoekig stalen schild; dan, plotseling van haar zijde vliegende, liet hij zijn veldgeschreeuw hooren, drong voorwaarts, sloeg den voorsten zijner aanvallers ter aarde, en was oogenblikkelijk weder naast haar paard.

Athelstane, die, zooals de lezer weet, traag maar niet lafhartig was, zag de vrouwelijke gedaante, welke de Tempelier zoo zorgvuldig verdedigde, en twijfelde er niet aan, dat het Rowena was, die de ridder schaakte, in weerwil van allen tegenstand, dien men hem bood.

"Bij de ziel van den heiligen Eduard!" riep hij, "ik wil haar uit de macht van gindschen overmoedigen ridder redden, en door mijn hand zal hij sterven!"

"Bedenk wat gij doet," zei Wamba; "de haastige hand vangt een kikvorsch in plaats van een visch.--Bij mijn zotskap, die dame ginds is Jonkvrouw Rowena niet,--zie maar naar haar lange, zwarte lokken!--Maar, als gij geen zwart van wit onderscheiden wilt, moogt gij aanvoerder zijn, zoo gij verkiest; maar ik zal u niet volgen;--ik laat mijn beenderen niet breken, of ik moet weten voor wien.--En gij ook zonder wapenrusting!--Bedenk toch, een zijden muts staat nooit voor een stalen kling.--Nu, wie van zelf in het water loopt, die moet ook gaarne verdrinken.--_Deus vobiscum_, dappere Athelstane!" riep hij uit, terwijl hij des Saksers wambuis losliet, waarbij hij hem tot dusver vastgehouden had.

Een strijdbijl van den grond op te nemen, die naast een man lag, wiens stervende hand ze juist had laten vallen,--op des Tempeliers bende aan te vallen, met de grootste snelheid rechts en links slagen uit te deelen, en bij iederen slag een vijand ter neder te vellen, was voor Athelstane's groote kracht, thans door ongewone woede bezield, slechts het werk van één oogenblik, en hij was weldra op eenige schreden afstands van Bois-Guilbert, dien hij met luide stem uitdaagde.

"Hierheen, valsche Tempelier!--Laat haar los, die gij niet waardig zijt aan te raken;--hierheen, gij waardig lid eener bende roovers en huichelaars!"

"Hond!" riep de Tempelier, de tanden knarsende, "ik zal u leeren, de heilige orde van den Tempel van Sion te lasteren!" en met deze woorden, zijn steigerend paard wendende, ging hij op Athelstane los, en zich in de stijgbeugels verheffende, om met zooveel geweld mogelijk neer te komen, bracht hij Athelstane een geweldigen slag op het hoofd toe.

Te recht had Wamba gezegd, dat eene zijden muts geen stalen kling kon weêrstaan. Zoo scherp was des Tempeliers zwaard, dat het de met ijzer beslagen greep van de knots, welke de ongelukkige Sakser zwaaide, om den slag af te wenden, als een wilgen tak doorkliefde, en op zijn hoofd neêrkomende, hem ter aarde deed storten.

"_Hah! Beauséant!_" riep Bois-Guilbert. "Zoo ga het alle tegenstanders der Tempelieren!" En toen gebruik makende van den schrik, welken Athelstane's val veroorzaakt had, riep hij luid: "Dat zij, die zich redden willen, mij volgen!" Zoo drong hij over de ophaalbrug, de boogschutters uiteenjagende, welke hem tegenhouden wilden. Hij werd gevolgd door zijne Saracenen en een zestal krijgslieden, die hun paarden bestegen hadden. Des Tempeliers terugtocht werd gevaarlijk gemaakt door de menigte pijlen, welke op hem en zijn lieden afgeschoten werden, maar dit belette hem niet, om naar het bruggenhoofd te rennen, waarvan hij, volgens hun vroeger plan, De Bracy meester hoopte te vinden.

"De Bracy! De Bracy!" schreeuwde hij, "Zijt gij daar?"

"Ik ben hier," hernam De Bracy; "maar ik ben gevangen."

"Kan ik u verlossen?" riep Bois-Guilbert.

"Neen," hervatte De Bracy; "ik heb mij op genade of ongenade overgegeven, en ik zal woord houden. Red u;--er broeit onheil;--maak dat de zee tusschen u en Engeland ligt.--Meer durf ik niet zeggen!"

"Goed," antwoordde de Tempelier; "zoo gij hier wilt blijven, dan bedenk, dat ik aan mijn woord en riddereer getrouw ben gebleven. Wat er ook voor onheil dreige, mij dunkt, dat de muren van Templestowe eene veilige schuilplaats zullen zijn; en daarheen zal ik als een vogel naar zijn nest vluchten."

Met deze woorden, reed hij met de zijnen weg.

De lieden uit het kasteel, welke niet te paard waren, zetten den strijd nog met de belegeraars wanhopig voort, na het vertrek van den Tempelier, maar meer omdat zij geen genade verwachten konden, dan wel uit hoop om zich te redden. Het vuur verspreidde zich snel door het kasteel, toen Ulrica, die het ontstoken had, op een torentje verscheen, volkomen gelijk aan eene furie der ouden, en een krijgszang aanhief, zooals eertijds de _Skalden_ bij de nog heidensche Saksers op het slagveld gewoon waren te zingen. Haar lang, loshangend grijs haar viel van haar onbedekt hoofd neder; de woeste vreugde van verzadigde wraak schitterde uit haar oogen met het vuur der zinneloosheid, en zij zwaaide het spinrokken, hetwelk zij in de hand hield, alsof zij eene der noodlottige zusters geweest ware, die den draad van des menschen leven spinnen en afsnijden. De overlevering heeft eenige ruwe strophen van het barbaarsch gezang bewaard, dat zij onder dat tooneel van brand en slachting met woeste stem uitgilde.

1

Wet nu het glinst'rend staal, Zoon van den schitterenden draak! Ontsteek nu de fakkel, Gij dochter van Hengist! Niet voor het vreugdemaal glinstert het staal; Hard is het, breed en verschriklijk gepunt. Niet naar de bruidskamer gaat nu het toortslicht; 't Schittert en flikkert, van zwaveldamp blauw. Wet dan het staal;--ha, hoe krassen de raven! Ontsteek dan het fakkellicht; Zernebock huilt! Wet dan het staal, o gij zoon van den draak! Ontsteek dan het fakkellicht, dochter van Hengist!

2

--Zwart hangt de wolk op des Heeren kasteel; De adelaar schreeuwt er; hij rijdt er op trotsch.-- Schreeuw niet, gij grijze berijder der wolken,-- Bereid is uw gastmaal! Walhalla, uw maagden zien neêr,-- De stamme van Hengist zendt gasten. Schud uw donkere lokken, gij maagd van Walhalla; Roer uw trommels van vreugde! Menige stap richt zich straks naar uw wallen, Menig gehelmde kruin!

3

De avond rust donker op des edelen kasteel, Dáár pakken de duistere wolken zich samen; Ras zijn zij rood als het bloed van de dapp'ren! De woudenvernieler schudt herwaarts zijn helmbosch; Hij, de vernieler der trotsche paleizen, En zwaait met zijn somb're banier, Bloedrood, en duister, en wijd, Over den strijd van de dapp'ren. Hem verheugt gekletter der zwaarden, het breken der schilden, 't Drinken van 't kokende bloed, dat spat uit de wonden der strijders.

4

Allen vergaan! 't Zwaard klieft den helm; De lansen doorboren en harnas en schilden, Vlammen verteren de woning der vorsten, Stormrammen breken de borstwering af. Allen vergaan! Hengist, uw stam is daarheen-- Horsa, uw naam is niet meer!--

5

Siddert dan niet voor het graf, o gij zonen van 't zwaard! Laten uw zwaarden den bloedstroom nu zwelgen als wijn! Vergast u aan 't feestmaal der slachting, Bij 't licht van de brandende hallen! Sterk zij uw zwaard, nu u 't bloed nog ontvlamd is; Spaart niets uit deernis, spaart niets uit vrees; Dit is het oogenblik der wrake gegund, Want ook het vuur van den haat zal vergaan-- Ook mij wacht de dood! [29]

De zich hoe langer hoe sterker verheffende vlammen waren nu alle hinderpalen te boven gekomen en stegen naar de wolken op als één ontzaglijke vuurkolom, welke men wijd en zijd kon zien. Toren op toren stortte in, met brandende daken en balken, en de strijders werden van de plaats verjaagd. De overwonnenen, van wie er maar zeer weinigen overbleven, verstrooiden zich en ontsnapten in het nabijgelegen woud. De overwinnaars, zich in groote benden verzamelende, staarden met verbazing en niet zonder vrees, op de vlammen, waarin hun eigene rijen en wapenen donkerrood glinsterden. De gedaante van de waanzinnige Ulrica was lang zichtbaar op de hooge standplaats, die zij uitgekozen had, en zij strekte de armen met woeste drift uit, alsof zij de leidster van den door haar ontstoken brand ware. Eindelijk stortte met een verschrikkelijk gekraak de geheele toren in, en zij kwam in dezelfde vlammen om, die haar tiran verteerd hadden. Een oogenblik van vreeselijke ijzing deed de gewapende aanschouwers verstommen, die gedurende eenige minuten geen vinger verroerden anders dan om zich te kruisen. Het eerst liet Locksley zijn stem hooren: "Verheugt u, schutters! het nest der tirannen is uitgeroeid! Laat ieder zijn buit naar onze verzamelplaats bij den grooten eik in de Harthill-laan brengen; want daar zullen wij bij het aanbreken van den dag een billijke verdeeling maken tusschen onze eigene bende en onze waardige bondgenooten in deze groote daad van vergelding!"

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten; De rijken hebben hun edicten, steden Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden Bewaren nog een zweem van burgertucht; Want sedert Adam 't groene voorschoot droeg Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd, En steeds dien band door wet en recht versterken.

Oud Tooneelstuk.

Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten, of af te snijden.

De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk, want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had, om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven.

De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan.

"Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren," zei hij; "maar in deze bosschen ben ik koning;--het is mijn rijk, en deze, mijne woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben, als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij, afstond.--Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het dagwerk."--Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien.

"Waarlijk," vervolgde de roover-kapitein, "ik hoop, dat het niets anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het kasteel gezien?"

"Ik heb hem gezien," zeide Mulder, "bezig met eene kelderdeur open te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij Front-de-Boeuf's Gasconjer-wijn eens proeven wilde."

"Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben," zei de aanvoerder, "dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van het kasteel is omgekomen!--Ga, Mulder!--Neem mannen genoeg met u, doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;--werp water uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen."

De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen, ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben, bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter harte ging.

"Laten wij intusschen voortgaan," zei Locksley; "want zoodra deze daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt te verlaten. Edele Cedric," zei hij, zich tot den Sakser wendende, "de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze onderneming geweest zijn."

"Dappere schutter," antwoordde Cedric, "mijn hart is overstelpt van droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,--de laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.--Er is in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,--niet om den buit te deelen;--want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch één der mijnen zal er een penning van nemen,--maar om u en uw dappere volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer, die gij gered hebt!"

"Maar," zei de aanvoerder, "wij hebben op zijn best slechts het halve werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe lieden beloonen kunt."

"Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen," antwoordde Cedric.

"En eenigen," zei Wamba, "zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet allen zotskappen."

"Dat staat hun vrij," hernam Locksley; "onze wetten zijn alleen van kracht voor ons zelven."

"Maar gij, mijn goede jongen," zei Cedric, zich omkeerende, en den nar omhelzende, "hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te stellen!--Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!"

Een traan stond in de oogen van den ruwen _Thane_, terwijl hij dus sprak,--een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane's dood niet van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de smart zelve.

"Neen!" hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende, "zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?--Maar, oom, als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft, om die aan uw zoon toe te wijden."

"Hem vergeven," riep Cedric; "Ik wil hem vergeven en beloonen.--Kniel neder, Gurth." Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten zijns meesters.--"Sta op! Niet langer als een lijfeigene!" vervolgde Cedric, hem met een stok aanrakende: "Een vrij man zijt gij in de stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage, en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!"

Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende: "Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los te maken!--Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe gift, en dubbel zal ik voor u vechten!--Er is een vrije geest in mijne borst.--Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen rondom mij.--Ha, Fangs!" ging hij voort, want de getrouwe hond, toen hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en zijn deelneming uit te drukken, "kent ge uw meester nog?"

"Ja," zei Wamba, "Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons waarschijnlijk vergeten!"

"Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker," zei Gurth; "en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester u die zeker ook schenken."

"Neen, broeder Gurth," hernam Wamba, "denk niet, dat ik u benijd: de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar buiten in het veld moet.--En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:--"Beter een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd."

Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als van dankbare erkentenis voor hare verlossing.--Ze wist, dat Ivanhoe in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak, waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan.