Chapter 30
"Ja, Reginald Front-de-Boeuf," antwoordde zij, "het is Ulrica!--het is de dochter van den vermoorden Torquil Wolfganger!--het is de zuster van zijne gewurgde zonen!--zij is het, die van u en uws vaders stam, en bloedverwanten, naam en faam terugvraagt,--wat zij door het geslacht van Front-de-Boeuf verloren heeft! Denk aan het onrecht, dat ik geleden heb, Front-de-Boeuf! en zeg of ik niet de waarheid spreek? Gij zijt mijn booze engel geweest, en ik wil de uwe zijn;--ik zal u kwellen tot gij den laatsten adem uitblaast!"
"Afschuwelijke furie!" hernam Front-de-Boeuf, "van dat oogenblik zult gij nooit getuige zijn.--Ho, Gilles, Clement en Eustace! Saint Maur! Steven! grijpt deze vervloekte heks, en werpt haar hals over kop van de wallen;--zij heeft ons aan den Sakser verraden!--Ho, Saint Maur! Clement! schurken, waarom draalt gij?"
"Roep maar, dappere ridder!" zei de oude, grijnzende; "roep uw vazallen om u heen, veroordeel hen, die niet schielijk genoeg komen, tot zweepslagen en gevangenis!--Maar weet, machtige heer!" vervolgde zij, plotseling van toon veranderende, "zij zullen u nooit weder antwoord, hulp of gehoorzaamheid bewijzen. Luister naar die vreeselijke geluiden,"--want het gedruisch van de opnieuw begonnen bestorming weergalmde thans van de muren des kasteels;--"dat krijgsgeschreeuw verkondigt den val van uw huis!--Het met bloed opgemetseld gebouw van Front-de-Boeuf's macht wordt geschokt in zijne grondvesten, en juist door de vijanden, welke hij het meest verachtte!--De Sakser, Reginald!--de verachte Sakser bestormt uwe vesting! Waarom blijft gij als een lafhartige boer liggen, terwijl de Sakser uw sterk kasteel bestormt?"
"Helsche kwelling!" riep de gewonde ridder. "O! had ik slechts één oogenblik de kracht, om mij naar het gevecht te sleepen, en te sterven, zooals het mijn naam betaamt!"
"Denk daaraan niet, dappere ridder!" hernam zij; "Gij zult den dood van den krijgsman niet sterven, maar omkomen, gelijk de vos in zijn hol, wanneer de boeren het kreupelhout in het rond in brand gestoken hebben."
"Vervloekte heks, gij liegt!" riep Front-de-Boeuf uit; "mijne lieden houden zich dapper,--mijne muren zijn sterk en hoog,--mijne wapenbroeders vreezen een geheel leger Saksers niet, al werden zij door Hengist en Horsa zelven aangevoerd!--Het krijgsgeschreeuw van den Tempelier en De Bracy en zijne makkers verheft zich boven het gedruisch van het gevecht!--En bij mijn eer, wanneer wij een vreugdevuur aansteken, om onze gelukkige verdediging te vieren, zal het u en uw gebeente verslinden; en ik zal leven om te hooren, dat gij uit het aardsche vuur in dat der hel zijt overgegaan, die nooit een ergeren duivel dan gij zijt, heeft voortgebracht."
"Blijf bij uw geloof," hernam Ulrica, "tot gij van het tegendeel overtuigd zijt.--Maar neen!" zei zij, zich bedenkende, "gij zult nu reeds het lot vernemen, waarvan al uwe macht, sterkte en moed, niet in staat zijn u te redden, schoon het u door deze zwakke hand is voorbereid.--Bespeurt gij den smeulenden en verstikkenden damp, welke reeds in zwarte wolken in de kamer dringt?--Meendet gij, dat het slechts de duisternis was, die uw stervend oog omhulde;--de benauwdheid van uw belemmerde ademhaling? Neen Front-de-Boeuf, er is daarvoor een andere reden.--Herinnert gij u den voorraad brandstoffen, onder dit vertrek opeengestapeld?"
"Vrouw!" riep hij wanhopig, "gij hebt ze toch niet in brand gestoken?--Bij den hemel, gij hebt het gedaan, en het kasteel staat in vlammen!"
"De vlammen stijgen ten minste snel," antwoordde Ulrica met verschrikkelijke bedaardheid, "en weldra zal er een teeken wapperen, om de belegeraars te waarschuwen, dat zij met geweld aandringen op hen, die ze willen uitblusschen.--Vaarwel! Front-de-Boeuf!--Mogen Nista, Skogula en Zernebock, de Goden der oude Saksers,--duivels, zooals de priesters hen nu noemen,--de plaats van troosters bekleeden bij uw sterfbed, dat Ulrica thans verlaat!--Maar weet, zoo dit u troost kan verschaffen, dat Ulrica naar dezelfde sombere oorden moet trekken, waarheen gij gaat, daar zij de deelgenoote is uwer straf, zoowel als die uwer misdaden.--En nu, vadermoorder, vaarwel voor altijd!--Moge iedere steen van dit gewelf de gave der spraak bezitten, om u dezen naam in het oor te gillen!"
Met deze woorden verliet zij het vertrek en Front-de-Boeuf kon het geknars van den zwaren sleutel hooren, terwijl zij de deur achter zich sloot en grendelde, om dus de laatste kans van redding te verijdelen. In zijn uitersten doodsangst riep hij zijn bedienden en bondgenooten: "Steven en Saint Maur!--Clement en Gilles!--Ik verbrand hier hulpeloos!--Helpt, helpt, stoute Bois-Guilbert, dappere De Bracy,--het is Front-de-Boeuf, die roept!--Mogen alle vloeken, die verraders verdienen, op uwe hoofden nederkomen! Laat gij mij op deze ellendige wijze omkomen. Zij hooren mij niet;--zij kunnen mij niet hooren;--mijne stem wordt niet gehoord in het gedruisch van den strijd!--De rook wordt hoe langer hoe dikker;--het vuur heeft den vloer bereikt. O, slechts een ademtocht van de hemelsche lucht, al moest ik dien koopen met oogenblikkelijke vernietiging!" En in de dolzinnige ijlhoofdigheid van zijne wanhoop, schreeuwde de rampzalige nu eens met de vechtenden, dan weder braakte hij vervloekingen uit tegen zich zelven, het menschdom en den Hemel zelven.--"De roode vlam gloeit reeds door den zwarten rook heen!" riep hij uit; "de duivel trekt tegen mij op onder de banier van zijn eigen element.--Booze geest, wijk!--Ik ga niet met u zonder mijne makkers;--allen, allen behooren u, deze bezetting,--dit kasteel!--Denkt gij, dat Front-de-Boeuf alleen wil uitverkoren worden?--Neen,--de ongeloovige Tempelier;--de lichtzinnige De Bracy;--Ulrica, die schandelijke, wulpsche moordenares;--de mannen, die mij in mijne ondernemingen bijgestaan hebben;--de Saksische honden en die vervloekte Joden, die mijne gevangenen zijn;--allen, allen zullen mij vergezellen!--Een schooner gezelschap, dan ooit den weg der onderwereld bewandelde!--Ha, ha, ha!" en hij lachte in zijn waanzin, tot het gewelf er van weergalmde. "Wie lachte daar?" riep hij op een anderen toon; want het geraas van den strijd belette niet, dat de weerklank van zijn eigen vreeselijk gelach zijn oor trof.--"Wie lachte daar?--Ulrica, waart gij het?--Spreek, heks, en ik vergeef u;--want gij alleen, of de duivel zelf kondet in zulk een oogenblik lachen. Wijk, wijk!"
EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Nog eens den storm gewaagd, geliefde vrienden! Nog eens, of anders vult de bres met lijken. -- -- -- -- --En gij, braaf landvolk, In Eng'land groot geworden, toon ons hier De kracht van deeglijk voedsel, laat ons zweren, Dat ge uw verpleging waardig zijt!
Shakespeare's Koning Hendrik V.
Ofschoon Cedric niet veel vertrouwen stelde op Ulrica's belofte, deelde hij die toch aan den Zwarten Ridder en Locksley mede. Het was hun aangenaam eene vriendin in de plaats te hebben, die in geval van nood hun het binnenkomen gemakkelijker kon maken; en zij waren het met den Sakser volkomen eens, dat een bestorming, hoe ongunstig ook de omstandigheden waren, gewaagd moest worden, als het eenige middel om de gevangenen uit de handen van den wreeden Front-de-Boeuf te bevrijden.
"Het koninklijke bloed van Alfred is in gevaar!" zei Cedric.
"De eer eener edele Jonkvrouw wordt bedreigd!" zei de Zwarte Ridder.
"En bij den heiligen Christophorus op mijn bandelier," riep de dappere schutter, "indien er geen andere reden ware dan de redding van den armen, getrouwen nar Wamba, dan zou ik mijn leven er aan wagen, om te verhinderen, dat één haar van zijn hoofd gekrenkt zou worden."
"Ik ook," zei de monnik. "Hoe mijn heeren! Ik hoop dat een nar,--ik meen, ziet gij, mijn heeren, een nar, die van het gild is, en zijn handwerk verstaat, en die een beker wijn even smakelijk en aangenaam kan maken als een stuk spek;--ik zeg, broeders, zoolang ik een mis kan lezen en een strijdbijl voeren, zal zulk een nar nooit gebrek hebben aan een wijzen geestelijke, om in geval van nood voor hem te bidden of te vechten."
En hierop zwaaide hij zijn zwaren hellebaard om het hoofd, alsof het een licht herderstafje geweest ware.--
"'t Is waar, heilige man," zei de Zwarte Ridder; "even waar alsof St. Dunstan zelf het gezegd had!--En zou het nu niet goed zijn, dappere Locksley, dat de edele Cedric de leiding van den aanval op zich nam?"
"Ik niet," hernam Cedric; "ik ken de middelen niet om deze vestingen der tirannij, die de Normandiërs in dit ongelukkig land hebben gesticht, te veroveren of te verdedigen. Ik wil mede vechten in het voorste gelid; maar mijn eerlijke buren weten wel, dat ik niet ervaren ben in krijgstucht, noch in het aanvallen van sterkten."
"Als het dus gesteld is met den edelen Cedric," zei Locksley, "ben ik volkomen bereid om het bestuur der boogschutters op mij te nemen; en ge moogt mij aan een mijner eigene boomen ophangen, als de verdedigers hun hoofd over de muren steken zonder met even veel pijlen doorboord te worden, als er kruidnagels in een kermisham zijn."
"Goed zoo, dappere schutter!" zei de Zwarte Ridder, "en als men mij de eer waardig keurt, om een bevel in den strijd te voeren, en er onder deze dapperen, mannen gevonden worden, die bereid zijn om een echt Engelschen ridder te volgen,--want zóó durf ik mij noemen,--dan ben ik gereed, om den storm tegen deze muren aan te voeren, met zooveel bekwaamheid als de ondervinding mij geleerd heeft."
Toen de aanvoerders het bevel op deze wijze onderling verdeeld hadden, begon men den eersten aanval, welks uitkomst de lezer reeds vernomen heeft.
Zoodra het buitenwerk ingenomen was, zond de Zwarte Ridder tijding van dit gelukkig voorval aan Locksley, hem tevens verzoekende, zoo nauwkeurig het kasteel te bewaken, dat de verdedigers hunne macht niet konden vereenigen, om door een plotselingen uitval het verloren buitenwerk te heroveren. Dit wilde de ridder vooral verhinderen, omdat hij verzekerd was, dat de lieden, die hij aanvoerde, als driftige en ongeoefende vrijwilligers, slecht gewapend en niet aan krijgstucht gewoon, in een plotselingen aanval met groot nadeel zouden vechten tegen de geoefende soldaten der Normandische ridders, die goed voorzien waren met wapens zoowel voor de verdediging als voor den aanval; en die volkomen vertrouwen stelden op de kracht, die volmaakte krijgstucht en gedurige oefening verleenden in den strijd tegen de ijverige en vurige belegeraars.
Intusschen had de ridder een soort van schipbrug, of lang vlot laten vervaardigen, waarmede hij over de gracht hoopte te komen in weerwil van den tegenstand des vijands. Dit werk vorderde eenigen tijd, welken de aanvoerders te minder verloren achtten, omdat Ulrica hierdoor gelegenheid kreeg om haar plan, welk het ook zijn mocht, ten hunnen voordeele uit te voeren. Toen het vlot echter gereed was, zei de Zwarte Ridder: "Nu is hier geen tijd meer te verspillen; de zon zinkt reeds in het westen,--en gewichtige redenen veroorloven mij niet nog een enkelen dag bij u te blijven. Het zou bovendien een wonder zijn indien ons geene ruiters uit York overvielen, als wij ons voornemen niet met spoed volbrengen.--Een uwer ga dus bij Locksley, en verzoeke hem een hagelbui van pijlen af te schieten op de andere zijde van het kasteel, en voorwaarts te trekken, alsof hij voornemens was een aanval te wagen; en gij, getrouwe Engelsche mannen, staat mij bij, en houdt u gereed om het vlot dadelijk over de gracht te stooten, zoodra de poort van onze zijde geopend wordt. Volgt mij stoutmoedig over de gracht heen, en helpt mij gindsche valpoort in den hoofdmuur van het kasteel open breken. Zij wien deze dienst niet toelacht, of die te slecht gewapend zijn tot dezen strijd, moeten het buitenwerk bezetten; trekt de boogpeezen tot aan uw ooren, en bestookt ieder, die op het bolwerk durft verschijnen, met uw pijlen.--Edele Cedric, wilt gij het bevel op u nemen over degenen, die achter blijven?"
"Neen, bij de ziel van Hereward!" zei de Sakser. "Aanvoeren kan ik niet; maar dat het nageslacht mij in mijn graf vervloeke, als ik niet voorop ben, overal waar gij den weg wijst.--De twist gaat mij aan, en het is mijne zaak, de eerste in het heetst van het gevecht te zijn."
Maar, edele Sakser!" hernam de ridder, "gij hebt pantser noch borstharnas;--niets dan een lichte helm, schild en zwaard."
"Des te beter!" antwoordde Cedric; "Ik zal te gemakkelijker de wallen beklimmen. Verschoon mijn snoeven, heer ridder! Heden zult gij de naakte borst van een Sakser even onverschrokken aan het gevaar zien blootgesteld, als ooit het stalen harnas van een Normandiër."
"In Gods naam dan," zei de ridder; "werpt de poort open, en voorwaarts met het vlot!"
De poort, die toegang verschafte van den wal des buitenwerks naar de gracht, en die met de poort in den hoofdmuur gemeenschap had, werd nu plotseling geopend; de in haast vervaardigde brug werd al voorwaarts geduwd, en plofte weldra in het water; zij strekte zich in lengte van het buitenwerk tot aan het kasteel uit, en vormde zoo een glibberigen en onveiligen weg, waarop twee mannen naast elkander over de gracht konden gaan. Overtuigd van het belang dat zij er bij hadden om den vijand te overrompelen, sprong de Zwarte Ridder, door Cedric gevolgd, op de brug, en bereikte de overzijde. Hier begon hij met zijne bijl tegen de poort van het kasteel te donderen, gedeeltelijk beschermd tegen het schieten en de steenen, die de verdedigers van boven wierpen, door de overblijfselen der vorige ophaalbrug, welke de Tempelier bij zijn aftocht uit het buitenwerk had afgebroken, en waarvan het trekwerk aan het bovenste gedeelte der poort was blijven zitten. Zij, die den ridder volgden, waren niet zoo gedekt; twee er van werden oogenblikkelijk met pijlen neêrgeschoten, en buitendien vielen er nog twee in de gracht; de anderen trokken zich terug naar het buitenwerk.
De toestand van Cedric en den Zwarten Ridder was nu werkelijk gevaarlijk, en zou nog gevaarlijker geweest zijn, zonder den standvastigen moed van de boogschutters in het buitenwerk, die onophoudelijk hun pijlen op de wallen richtten, de aandacht dergenen, die ze bezetten afleidden, en hun aanvoerders dus een verademing verschaften tegen een hagelbui van pijlen, waarmede men hen anders zou overstelpt hebben. Maar hun toestand werd van oogenblik tot oogenblik wanhopiger.
"Schaamt u!" schreeuwde De Bracy den soldaten toe, die hem omringden; "Noemt gij u boogschutters, en gij laat deze beide honden hunne plaats houden onder de wallen van het kasteel? Werpt de steenen van de borstwering op hen neder, zoo het niet anders kan;--haalt houweelen en koevoeten, en naar beneden met dien zwaren brok," op een groot stuk steenen snijwerk wijzende, dat buiten de borstwering uitstak.
Op dit oogenblik viel den belegeraars de roode vlag in het oog, op den hoek van den toren, dien Ulrica Cedric had aangewezen. De dappere Locksley was de eerste, die ze ontwaarde, toen hij naar het buitenwerk ijlde, ongeduldig om den afloop van den aanval te zien.
"St. George!" riep hij, "_St. George voor Engeland!_ valt aan, dappere schutters! hoe! laat gij den braven ridder en den edelen Cedric den toegang alleen bestormen?--Dring binnen, dolle priester, toon dat gij voor uw rozenkrans vechten kunt.--Dringt binnen, brave schutters!--het kasteel is het onze, wij hebben vrienden binnen de wallen;--ziet gindsche vlag, het afgesproken teeken!--Torquilstone is het onze!--weest uwe eer indachtig, denkt aan den buit!--nog één oogenblik en wij zijn meester van de plaats!"
Hierop spande hij zijn boog, en joeg een pijl door het hart van een der gewapenden, die op De Bracy's bevel een stuk van den muur losmaakten, om het Cedric en den Zwarten Ridder op het hoofd te storten. Een tweede krijgsman nam den stervende den ijzeren koevoet uit de hand, waarmede hij den steen had losgewerkt, maar op hetzelfde oogenblik kreeg hij een pijl door zijn helm en stortte dood van den muur in de gracht. De gewapenden werden verschrikt, want geen wapenrusting scheen bestand tegen de pijlen van den geduchten schutter.
"Wijkt gij, laffe schelmen?" schreeuwde De Bracy; "_Montjoye Saint Dénis!_--Geeft mij den koevoet!"
Hij nam het ijzer op, en lichtte opnieuw den losgemaakten brok, welke, als die naar beneden geworpen werd, zwaar genoeg was, om niet slechts de overblijfsels van de ophaalbrug, welke de beide voorste belegeraars beschermden, te verpletteren, maar ook om het vlot, waarop ze over de gracht gekomen waren, in den grond te boren. Allen begrepen het gevaar, en de stoutsten, zelfs de moedige priester, waagden het niet den voet op het vlot te zetten. Driemaal spande Locksley zijn boog tegen De Bracy, en driemaal stuitte zijn pijl op des ridders wapenrusting af.
"Dat verwenschte Spaansche stalen harnas!" zei Locksley. "Als een Engelsche smid het gemaakt had, zouden deze pijlen er doorgedrongen zijn als door zijde of taf." Hierop begon hij te roepen: "Terug, kameraden! vrienden! edele Cedric! terug, en laat den steen vallen!"
Zijn waarschuwing werd niet gehoord, want het geraas, dat de ridder zelf maakte met zijn slagen op de poort, zou het geluid van twintig krijgstrompetten verdoofd hebben. De getrouwe Gurth sprong werkelijk voorwaarts op de met planken belegde brug, om Cedric te redden van het lot, dat hem boven het hoofd ging, of om het met hem te deelen. Maar zijne waarschuwing zou te laat gekomen zijn; de zware brok wankelde reeds, en De Bracy zou zijn voornemen volbracht hebben, indien de stem van den Tempelier hem niet in de ooren geklonken had.
"Alles is verloren, De Bracy, het kasteel brandt!"
"Gij raast!" hernam de ridder.
"Het staat aan de westzijde in lichter laaie. Ik heb te vergeefs getracht ze te blusschen!"
Met onverschrokken koelbloedigheid, de hoofdtrek van zijn karakter, deelde Brian De Bois-Guilbert dit ijselijke nieuws mede, dat niet zoo kalm door zijn verbaasden strijdmakker werd aangehoord.
"Alle heiligen uit het Paradijs!" riep De Bracy; "wat nu? Ik beloof den heiligen Nicolaas van Limoges een kandelaar van zuiver goud---"
"Spaar uwe gelofte," hernam de Tempelier, "en luister naar mij. Breng uwe mannen naar beneden, alsof gij een uitval wildet doen. Er zijn slechts twee mannen op het vlot, werpt hen in de gracht, en snel er over heen naar het buitenwerk. Ik zal een uitval doen door de hoofdpoort en het buitenwerk van den anderen kant bestormen; en als wij dezen post herwinnen, kunnen wij ons verdedigen tot wij hulp krijgen, of ten minste, tot men ons gunstige voorwaarden toestaat."
"Goed bedacht," zei De Bracy; "ik zal mijne rol spelen.--Tempelier, gij zult mij niet in den steek laten!"
"Op mijn woord en riddereer, zal ik u bijstaan!" zei Bois-Guilbert. "Maar in Gods naam, haast u!"
IJlings verzamelde De Bracy zijne manschappen en vloog naar de poort, die hij oogenblikkelijk liet openen. Maar nauwelijks was dit geschied of de Zwarte Ridder drong met een onweerstaanbare kracht binnen, in weerwil van De Bracy en zijn volgelingen. Twee der voorsten vielen oogenblikkelijk, en de overigen weken, niettegenstaande hun aanvoerder zich alle moeite gaf om hen tot staan te brengen.
"Honden!" riep De Bracy, "zult gij u door twee mannen den eenigen weg ter redding laten afsnijden?"
"Het is de duivel!" riep een veteraan, voor de slagen van den Zwarten Ridder wijkende.
"En al is het de duivel," hernam De Bracy, "wilt gij van hem weg in de hel vluchten?--Het kasteel brandt achter ons, lafaards!--laat de wanhoop u moed geven, of laat mij vooruit, ik zelf zal het met dezen vijand opnemen."
Ridderlijk handhaafde De Bracy op dien dag den roem, dien hij in de burgeroorlogen dezer gevaarvolle tijden verworven had. De gewelfde gang, waarheen de sluippoort leidde, en waarin deze beide geduchte kampvechters nu man tegen man streden, weêrgalmde van de geweldige slagen, die ze elkander toebrachten, De Bracy met zijn zwaard en de Zwarte Ridder met zijn zware bijl. Eindelijk kreeg de Normandiër een slag, die, ofschoon het geweld er van gedeeltelijk door zijn schild werd afgeweerd, want anders zou De Bracy nimmer weder een lid verroerd hebben, zoo hevig zijn helm trof, dat hij lang uit op de aarde nederstortte.
"Geef u over, De Bracy," zei de Zwarte Ridder, terwijl hij zich over hem heenbukte en den noodlottigen dolk, waarmede de ridders hun vijanden afmaakten en welken men den genadedolk heette, op het vizier van zijn helm zette, "geef u over, Maurice De Bracy, op genade of ongenade, of gij zijt des doods!"
"Ik geef mij aan geen onbekenden overwinnaar over," zei De Bracy met zwakke stem. "Zeg mij uw naam, of doe met mij wat gij wilt;--men zal nimmer kunnen zeggen, dat De Bracy zich overgaf aan een naamloozen landlooper!"
De Zwarte Ridder fluisterde den overwonnene iets in het oor.
"Ik geef mij over als uw gevangene, op genade of ongenade," antwoordde de Normandiër, wiens vastberadene hardnekkigheid plotseling in de volmaaktste maar ongewilligste onderwerping veranderd was.
"Ga naar het bruggenhoofd," zei de overwinnaar op gebiedenden toon, "om daar mijn verdere bevelen af te wachten."
"Vergun mij u eerst iets te zeggen," hernam De Bracy, "waarbij gij belang hebt:--Wilfrid van Ivanhoe is gewond en gevangen in dit kasteel, en zonder oogenblikkelijke hulp komt hij in de vlammen om."
"Wilfrid van Ivanhoe!" riep de Zwarte Ridder uit; "gevangen en in gevaar van om te komen!--iedereen in het kasteel zal er met zijn leven verantwoordelijk voor zijn, als er een haar op zijn hoofd gezengd wordt.--Wijs mij zijn kamer!"
"Klim gindsche wenteltrap op,--die voert u naar zijn vertrek.--Wilt ge mijn geleide aannemen?"
"Neen; naar het bruggenhoofd, en wacht daar op mijne bevelen. Ik vertrouw u niet, De Bracy."
Gedurende dit gevecht en het korte gesprek, dat er op volgde, drong Cedric aan het hoofd van een bende, waaronder de monnik zich onderscheidde, over de brug zoodra hij de sluippoort open zag, en dreef de ontmoedigde en hopelooze volgelingen van De Bracy terug, van welken sommigen genade smeekten, anderen een vruchteloozen tegenstand boden, en de meesten naar het binnenplein vluchtten. De Bracy zelf stond op en wierp zijn overwinnaar een bedroefden blik achterna. "Hij vertrouwt mij niet," herhaalde hij; "maar heb ik zijn vertrouwen verdiend?" Hij nam zijn zwaard van den grond, zette zijn helm af, als teeken van onderwerping, en, naar het bruggenhoofd gaande, gaf hij zijn zwaard over aan Locksley, dien hij daar ontmoette.
Zoodra de brand de overhand verkreeg, ontwaarde men er ook teekenen van in de kamer, waar Ivanhoe door de Jodin Rebekka opgepast en verpleegd werd. Hij werd uit zijne korte sluimering gewekt door het geraas van den slag, en zijne bewaakster, die zich op zijn dringende bede weder aan het venster geplaatst had om den loop van den aanval te bespieden en te beschrijven, werd gedurende eenigen tijd verhinderd in haar waarnemingen door een steeds toenemenden, verstikkenden damp. Eindelijk werden ze opmerkzaam gemaakt op het klimmende gevaar door de rookwolken, die in de kamer rolden,--door het geschreeuw om water, dat men boven het krijgsrumoer uit kon hooren.
"Het kasteel staat in brand!" zei Rebekka; "het staat in vlammen!--Hoe redden wij ons?"
"Vlucht, Rebekka, en red uw eigen leven," zei Ivanhoe, "want geene menschelijke hulp kan mij van dienst zijn."
"Ik wil niet vluchten," zei Rebekka, "wij zullen te zamen omkomen of gered worden.--En echter, groote God! Mijn vader, mijn vader,--wat zal zijn lot zijn!"
Op dit oogenblik vloog de deur van het vertrek open, en de Tempelier vertoonde zich;--het was een verschrikkelijke verschijning, want zijn vergulde wapenrusting was gedeukt en bebloed, en de pluim van zijn helm was gedeeltelijk afgerukt, gedeeltelijk verbrand. "Ik heb u gevonden," zei hij tot Rebekka; "ge zult ondervinden, dat ik woord houd, en lief en leed met u wil deelen.--Er is slechts één weg ter redding over, door honderderlei gevaren heb ik mij een weg gebaand, om u dien aan te wijzen. Volg mij oogenblikkelijk!" [28]