Chapter 3
"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.
Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.
"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken, dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen, behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt, die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba, zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand minder heilig dan de onze."
"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van, of ik er heden avond zelf wel komen zal."
"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten; hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."
"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet, al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in het geheel niet raken."
"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde, dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."
"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden, tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden, eer de storm opkomt."
De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."
"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat, Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."
"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric, gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien en zwijgen."
Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne Saksische afkomst roem droegen.
"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"
"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat, kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht, waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars te toonen."
"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben," merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar, Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden zonder omslag."
"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden; en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout, achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der _Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_, dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."
"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."
"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich, naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar, als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen; en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed, niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen echte zoon der Kerk."
"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"
"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior; "ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."
"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior, uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."
"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten, en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten, welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."
"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen, waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou; voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg, om ons met geweld kwartier te verschaffen!"
"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior; "maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft, en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"
"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."
"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard daarheen wees."
"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn lichaam heen," hervatte de Tempelier.
Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied, of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."
"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.
"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden, schoon mij volkomen bekend."
"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen, en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven, die tot gids dienen wilde.
Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan, dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior: "Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."
Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat hij was?
"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het antwoord.
"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te strijden!" zei de Tempelier.
"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen, dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan zij afgezien hebben?"
De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids, na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.
"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette, kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden, welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.
Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen, die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.
DERDE HOOFDSTUK.
Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen, Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.--
Thomson's "Vrijheid."
In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak, bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt, had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht- en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren, welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.
Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en de aanzienlijke bezoekers betreden.
Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden, eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.
De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_ uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd, in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels, was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed; de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats van stoelen.
Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een _Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte, maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd, als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen, opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs, ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.
Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_ genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing, zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur, die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren, maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_; de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden, zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten, maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag, om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude, grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling, dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder, weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!"
Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters, waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.
Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_ ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen, hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden, deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij.
"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger bij het kleeden dan mijne meesteres."
Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend "hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop, dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam, Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben."
Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.