Ivanhoe

Chapter 29

Chapter 293,813 wordsPublic domain

"Onze vrienden," zei Wilfrid, "zullen zeker eene onderneming niet opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd is.--Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken balken en ijzeren staven vernield heeft.--Zonderling," prevelde hij bij zich zelven, "dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout waagstuk ondernemen;--een slot en boeien op een blauw veld;--wat moet dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder zich onderscheidt?"

"Niets," zei de Jodin; "alles wat hij aan heeft is zwart, als de vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt, maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één man over honderden kunnen zegepralen."

"Rebekka," zei Ivanhoe, "gij hebt een held geschilderd;--zeker rusten zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis, bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in zulk een strijd als dezen vechten kon!"

"Helaas!" zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en het bed van den gewonden ridder naderende, "dit ongelukkig verlangen naar den strijd;--dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.--Hoe kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?"

"Rebekka," hernam hij, "gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij leven niet,--wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij overwinnaars en beroemd zijn.--Dit, meisje, zijn de wetten der ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen, wat ons dierbaar is!"

"Ach," hervatte de schoone Jodin, "en wat is dit anders, dappere ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht, en geworpen te worden in het vuur van Moloch?--Wat blijft u over, tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,--voor al de moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,--voor al de tranen, welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?"

"Wat ons overblijft?" riep Ivanhoe; "de roem, meisje, de roem! die onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt."

"De roem?" ging Rebekka voort; "helaas, is de verroeste wapenrusting, die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,--is het spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,--is dit alles een voldoende vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?--Of is er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger, dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?"

"Bij de ziel van Hereward!" hernam de ridder ongeduldig, "gij spreekt van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt; dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka, en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!--meisje, zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der onderdrukten, de wreekster van onrecht,--een breidel voor de macht der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!"

"Inderdaad," zei Rebekka, "ik stam van een geslacht af, dat zich door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,--vóór dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of oorlog te spreken."

Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige gevoelens te koesteren.

"Hoe weinig kent hij dit hart," dacht zij, "als hij zich verbeeldt, dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!--Gave de Hemel, dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!"

Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder.

"Hij slaapt," zei zij; "de natuur is uitgeput door smart en gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten keer?--Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!--Misschien zal weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn, en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de voet op het hoofd gezet wordt!--En mijn vader!--o mijn vader! het staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren, maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!--Wie weet of deze rampen geene voorboden zijn van Jehova's toorn tegen het ontaarde kind, dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar vader denkt!--dat Juda's ellende vergeet, en op de schoonheid van een heiden en vreemdeling staart!--Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!"

Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar hart bestormden.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Treê binnen dit vertrek, aanschouw zijn bed. Hij ging niet heen gelijk de kalme ziel, Die, even als de leeuwrik naar de wolken Des morgens stijgt bij 't lieflijkst windgesuis, Zoo ook ten Hemel vaart, betreurd, beweend!-- Zoo was Aselmo's uitvaart niet.--

Uit een oud Drama.

Gedurende het oogenblik van rust, na het eerste voordeel door de belegeraars behaald, terwijl de eene partij zich bereidde om het te vervolgen, en de andere om haar verdedigingsmiddelen te versterken, hielden de Tempelier en De Bracy een korte beraadslaging in de zaal van het kasteel.

"Waar is Front-de-Boeuf?" vroeg de laatste, die de verdediging van het achterste gedeelte van de sterkte bestuurd had; "men zegt dat hij gesneuveld is."

"Hij leeft," antwoordde de Tempelier koeltjes, "hij leeft nog; maar al had hij ook het stierenhoofd gehad, waarvan hij den naam draagt, en tien ijzeren platen daarenboven, om het te beschermen, dan moest hij nog onder die schrikkelijke strijdbijl gevallen zijn. Nog weinige uren en Front-de-Boeuf is bij zijn vaderen:--een groot verlies voor de partij van Prins Jan!"

"En een schoone aanwinst voor het rijk van Satan," zei De Bracy; "dat komt van het verachten van heiligen en engelen, en van het werpen van heilige beelden en voorwerpen op de hoofden dier schurken van boogschutters."

"Loop heen,--gij zijt dwaas!" zei de Tempelier. "Uw bijgeloof staat gelijk met Front-de-Boeuf's ongeloof; geen van u beiden kan eene reden daarvoor geven."

"_Benedicite_, heer Tempelier!" hernam De Bracy; "ik verzoek u uw taal meer te matigen als ge van mij spreekt. Bij de Heilige Moeder Gods! ik ben een beter Christen dan gij en uws gelijken; want het gerucht loopt, dat de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion niet weinig ketters in haren boezem voedt, en dat de ridder Brian de Bois-Guilbert onder dat getal behoort."

"Stoor u niet aan zulke geruchten," hernam de Tempelier; "maar laat ons er aan denken, hoe het kasteel te verdedigen.--Hoe hebben de schelmen van schutters, tegenover welken gij waart, gevochten?"

"Als duivels in menschelijke gedaante," antwoordde De Bracy. "Ze drongen dicht onder de wallen, aangevoerd, naar het mij voorkwam, door den schelm, die den prijs bij het schijfschieten behaalde, want ik herkende zijn horen en bandelier. En dit komt van de zoo zeer geroemde staatkunde van den ouden Fitzurse, die deze moedwillige schurken tegen ons ophitst! Zonder mijne goede wapenrusting, zou de schurk mij zeven malen ter neêr geschoten hebben; hij ontzag mij even weinig, alsof ik een vette reebok geweest ware. Hij heeft iedere plaat van mijn wapenrusting met een pijl gemerkt, welke tegen mijn ribben aansloeg, alsof hij dacht dat mijn beenderen ook van ijzer waren.--Zoo ik niet een Spaansch maliënkolder onder mijn wapenrusting gedragen had, ware het met mij gedaan geweest."

"Maar ge hebt uw post behouden?" zei de Tempelier. "Wij hebben het buitenwerk aan onzen kant verloren."

"Dat is een zwaar verlies," zei De Bracy; "die schurken zullen dáár bescherming vinden om het kasteel van naderbij te bespringen, en ze kunnen, als men er geene zorg voor draagt, licht eenigen onbewaakten hoek van een toren, of een vergeten venster bereiken, en er zoo inbreken. Ons getal is te gering voor de verdediging van alle punten, en de mannen klagen al, dat ze zich nergens kunnen vertoonen, of ze strekken tot mikpunt voor even vele pijlen, als een schijf op een feestdag. Front-de-Boeuf ligt ook op sterven, zoodat wij geene hulp meer krijgen zullen van zijn stierenkop en zijne ontzaglijke kracht. Wat denkt ge er van, ridder Brian, zou het niet beter voor ons zijn, voor den nood te wijken, een verdrag met die schurken aan te gaan, en onze gevangenen uit te leveren?"

"Hoe!" riep de Tempelier: "Onze gevangenen in vrijheid stellen, en bespot en veracht worden, als de dappere ridders, die zich door een nachtelijken aanval van eenige hulpelooze reizigers meester maakten, maar een sterk kasteel niet konden verdedigen tegen een ongeregelde rooverbende, aangevoerd door zwijnenhoeders, narren, en het uitvaagsel van het menschdom?--Schaam u over uw raad, Maurice De Bracy.--De puinhoopen van het kasteel zullen mijn lichaam en mijne schande bedelven, eer ik mijn toestemming tot zulk een laag, onteerend verdrag geef!"

"Naar de wallen dan," zei De Bracy onverschillig; "er is nooit iemand geweest, Turk of Tempelier die het leven minder op prijs stelde dan ik. Maar ik vertrouw, dat het geene schande is te wenschen, dat ik hier een vijftigtal van mijne dappere krijgslieden had?--O, mijne dappere lansen! Zoo ge maar wist, hoe uw aanvoerder heden in nood zit, hoe spoedig zou ik mijne banier zien wapperen boven uw speren! En hoe kort zouden deze schurken onzen aanval wederstand bieden!"

"Wensch naar wien ge verkiest," hernam de Tempelier; "maar laten wij ons zoo goed mogelijk verdedigen met de soldaten, die ons nog overblijven. Het zijn meestal bedienden van Front-de-Boeuf, die gehaat zijn bij de Engelschen wegens duizenderlei daden van roekeloosheid en onderdrukking."

"Des te beter," zei De Bracy; "de woeste slaven zullen zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen, liever dan zich aan de wraak der boeren daarbuiten bloot te stellen. Aan het werk dus, Brian De Bois-Guilbert; en levend of dood, ge zult zien, dat Maurice De Bracy zich heden als een man van edel bloed en edelen stam gedragen zal."

"Naar de wallen dan!" antwoordde de Tempelier, en ze bestegen den muur om alles te doen, wat de krijgskunde hun voorschreef en de dapperheid ten uitvoer brengen kon, om het kasteel te verdedigen. Ze begrepen beiden dadelijk, dat het gevaarlijkste punt tegenover het buitenwerk was, waarvan de aanvallers zich meester gemaakt hadden. Het kasteel was, wel is waar, daarvan gescheiden door de gracht, en het was onmogelijk voor de belegeraars om de poort, waarmede het buitenwerk in verband stond, aan te vallen zonder over het water te komen; maar de Tempelier zoowel als De Bracy, begrepen dat de vijanden trachten zouden, als hun aanvoerder aan zijne taktiek getrouw bleef, door een hevigen aanval de aandacht der verdedigers op dit punt te vestigen, en inmiddels maatregelen nemen, om van ieder verzuim gebruik te maken, dat ze ergens anders mochten ontdekken. Tegen dit gevaar konden de ridders, wegens hun gering getal, geen anderen maatregel nemen dan hier en daar op de wallen schildwachten te plaatsen, die met elkander in gemeenschap stonden, en een teeken konden geven als er gevaar dreigde. Intusschen kwamen ze overeen, dat De Bracy het bevel zou voeren bij de poort, en dat de Tempelier een twintig man bij zich houden zou als eene hulpbende, gereed om naar ieder punt te snellen, dat onverwacht bedreigd werd. Het verlies van het buitenwerk had ook dit nadeelig gevolg, dat de belegerden, in weerwil van de grootere hoogte der muren, de bewegingen van den vijand niet meer zoo nauwkeurig waarnemen konden als te voren; want eenig dicht kreupelhout stond zoo dicht bij de poort van het buitenwerk, dat de aanvallers zooveel manschappen als ze verkozen, er in konden brengen, niet alleen in volkomene veiligheid, maar zelfs zonder kennis der verdedigers. Daar De Bracy en zijn makker dus geheel onzeker waren op welk punt de storm losbarsten zou, waren ze in de noodzakelijkheid om voor ieder mogelijk geval te waken; en hunne lieden, hoe dapper ook, ondervonden de moedeloosheid, eigen aan mannen, die door vijanden ingesloten zijn, welke de macht bezitten, om zelven den tijd en de wijze van hun aanval te kiezen.

Intusschen lag de heer van het belegerde en zoo zwaar bedreigde kasteel op zijn bed, gefolterd door lichamelijke pijn en zieleangst. Hij had de gewone toevlucht niet der bijgeloovigen van dien tijd, die meestal gewoon waren de misdaden, welke zij gepleegd hadden, door milddadigheid jegens de Kerk te boeten, en hunne wroegingen op deze wijze door het denkbeeld van boeten en vergiffenis te bedwelmen; en ofschoon de door dit middel gekochte rust niet meer op de bedaardheid geleek, welke op oprecht berouw volgt, dan de koortsachtige bedwelming, welke men door opium te weeg brengt, op een gezonden natuurlijken slaap, zoo was deze gemoedstoestand toch nog verkieslijk boven de wanhopige wroegingen van een ontwaakt geweten.

Maar onder de ondeugden van Front-de-Boeuf, een harden, hebzuchtigen man, was gierigheid een der voornaamste, en hij wilde liever de Kerk en hare dienaren trotseeren dan voor schatten en landerijen vergiffenis en absolutie koopen; zoodat de Tempelier, die een ongeloovige van een anderen stempel was, zijn bondgenoot niet juist afteekende, toen hij zeide, dat Front-de-Boeuf geen reden voor zijn ongeloof en zijn verachting voor den ingevoerden Godsdienst kon opgeven: want de Baron zou hem geantwoord hebben, dat de Kerk haar waar te duur verkocht, dat de geestelijke vrijheid, welke zij veil had, slechts te koop was, gelijk die van het opperhoofd van Jeruzalem, voor eene groote som, en Front-de-Boeuf wilde liever de kracht van het geneesmiddel loochenen, dan den duren arts te betalen. Maar thans was het oogenblik gekomen, waarop de aarde met al hare schatten voor zijne oogen verdween, en zijn tot dusver ongevoelig hart sidderde, toen hij zijn blikken op de dreigende duisternis der toekomst vestigen wilde. De koorts, welke zijn lichaam verteerde, vermeerderde het ongeduld en den angst van zijne ziel, en zijn sterfbed vertoonde eene vermenging van het pas ontwaakte gevoel van wroeging, worstelende met de vaste en ingekankerde hardvochtigheid van zijn gemoed;--een schrikbarende toestand der ziel, die slechts met dien te vergelijken is, welke in die verschrikkelijke plaats heerscht, waar klachten zullen zijn zonder hoop, wroeging zonder berouw, een wanhopige angst met een voorgevoel, dat die nooit zal ophouden of verminderen!

"Waar blijven nu de honden van priesters," steunde de lijder, "die hunne geestelijke vertooningen op zulk een hoogen prijs stellen?--Waar zijn al die Karmeliter-monniken, voor wie de oude Front-de-Boeuf het klooster van St. Anne stichtte, terwijl hij zijn erfgenaam van menige schoone weide en menigen vetten akker beroofde;--waar zijn die gierige honden nu?--Zij zitten zeker bij de wijnkruik, of vertoonen hun goochelkunsten bij het bed van den een of anderen ellendigen boer!--Mij, den erfgenaam van den stichter van hun klooster,--mij, voor wien zij verplicht zijn te bidden,--mij,--ondankbare schurken, die zij zijn!--mij laten zij sterven als den ellendigen hond op straat, zonder biecht en aflaat!--Laat den Tempelier hier komen;--hij is een priester, en kan mij misschien helpen.--Maar neen!--even goed kan ik bij den duivel biechten, als bij Brian de Bois-Guilbert, die aan hemel noch hel gelooft.--Ik heb oude lieden van bidden met eigen mond hooren spreken, die behoeven den valschen priester niet te vleien en om te koopen.--Maar ik,--ik durf niet!"

"Leeft Reginald Front-de-Boeuf," vroeg eene bevende, krassende stem, dicht naast zijn bed, "om te zeggen, dat er iets is, hetwelk hij niet durft doen?"

Het kwade geweten en de geschokte zenuwen van Front-de-Boeuf deden hem in deze zonderlinge vraag de stem hooren van een dier booze geesten, welke, volgens het toen heerschende bijgeloof, de bedden der stervenden omringden, om hunne gedachten af te leiden en het nadenken over hun eeuwig heil te beletten. Hij schrikte en kromp ineen; maar oogenblikkelijk zijne gewone stoutheid terugroepende, riep hij uit: "Wie zijt gij?--Wat zijt gij, die het waagt, om mijne woorden te herhalen; met een stem gelijk aan die van de krassende raaf? Kom voor mijn bed staan, opdat ik u zien kan."

"Ik ben uw booze engel, Reginald Front-de-Boeuf!" hernam de stem.

"Vertoon u dan aan mij in lichamelijke gedaante, zoo gij inderdaad een booze geest zijt," hervatte de ridder; "denk niet mij te verschrikken!--Bij het eeuwige vuur! zoo ik slechts kampen kon met de verschrikkelijkheden, welke mij nu omgeven, zooals ik met menschelijke gevaren geworsteld heb, dan zou hemel noch hel zeggen, dat ik voor den strijd beefde!"

"Denk aan uwe zonden, Reginald Front-de-Boeuf,--aan oproer, roof en moord!--Wie stookte den losbandigen Prins Jan op tot den oorlog tegen zijn grijzen vader en thans tegen zijn grootmoedigen broeder?" vroeg dezelfde grafstem.

"Booze geest, priester of duivel, wie gij ook zijn moogt," hernam Front-de-Boeuf, "gij liegt!--Niet ik spoorde Jan tot oproer aan,--niet ik alleen,--er waren vijftig ridders en baronnen, de bloem der binnenlandsche graafschappen; geen dapperder mannen voerden ooit de lans.--En moet ik alleen de zonde, door vijftig gepleegd, verantwoorden?--Valsche geest, ik trotseer u! Weg en verontrust niet langer mijne legerstede;--laat mij in vrede sterven, zoo gij een sterveling zijt,--en zijt gij een duivel, dan komt gij te vroeg!"

"In rust zult gij niet sterven," hervatte de stem; "zelfs in den dood zult gij aan uwe moorddaden denken;--aan de zuchten, waarvan dit kasteel weergalmd heeft;--aan het bloed, dat over den drempel stroomde!"

"Gij kunt mij niet door verachtelijke boosaardigheid bevreesd maken," antwoordde Front-de-Boeuf rillend, doch met een gedwongen lach. "De ongeloovige Jood,--het was een verdienstelijke daad in het oog des hemels, hem te behandelen, zooals ik gedaan heb; waarom worden anders menschen heilig gesproken, die hun handen in het bloed van Saracenen gedompeld hebben? De Saksische zwijnen, die ik geslacht heb, zij waren de vijanden van mijn vaderland, van mijn stam en van mijn leenheer.--Ho! ho! gij ziet, er is geen scheur in mijn harnas.--Zijt gij gebannen?--Zijt gij tot stilte gebracht?"

"Neen, schandelijke vadermoorder!" hervatte de stem, "denk aan uw vader!--denk aan de feestzaal, stroomende van zijn bloed, door de hand eens zoons vergoten!"

"Ha!" antwoordde de baron, na eene lange poos, "als gij dit weet, dan zijt gij wezenlijk de booze geest, en even alwetend als de monniken zeggen! Dit geheim meende ik opgesloten in mijne eigene borst, en in die van nog één wezen, de verleidster tot, en de deelgenoote van mijne misdaad! Ga, verlaat mij, Satan! en zoek de Saksische heks Ulrica, die u alleen zeggen kon, wat niemand dan zij en ik gezien hebben.--Ga, zeg ik, tot haar, die de wonden afwiesch, en het lichaam uitstrekte, en den doode het voorkomen gaf van iemand, die op zijn tijd een natuurlijken dood gestorven was.--Ga tot haar!--Zij verleidde mij, hitste mij schandelijk aan, en schonk mij voor de daad een nog schandelijker loon;--laat haar, evenals ik, de kwellingen smaken, die een voorgevoel van de hel geven!"

"Zij smaakt die reeds," antwoordde Ulrica, voor het bed van Front-de-Boeuf tredende; "zij heeft lang uit dezen beker gedronken, en de bitterheid er van wordt verzoet door de zekerheid, dat die ook aan uw lippen niet vreemd is gebleven.--Knars niet met de tanden, Front-de-Boeuf, rol niet met de oogen;--bal uw vuist niet, en dreig mij niet meer!--De hand, welke eens, gelijk die van uw beroemden stamvader, wiens naam gij draagt, met één slag den kop van den wilden stier kon verpletteren, is nu ontzenuwd en machteloos, gelijk de mijne!"

"Afgrijselijke moordenares!" hernam Front-de-Boeuf, "afschuwelijk wezen! gij zijt het dus, die gekomen zijt, om over de rampen te spotten, welke gij bewerkt hebt?"