Ivanhoe

Chapter 28

Chapter 283,749 wordsPublic domain

In een ander opzicht echter, had de haast van den Jood geen gelukkige gevolgen. De spoed, waarop hij onder het reizen aandrong, verwekte veel oneenigheid tusschen hem en de lieden, die hij tot zijn bescherming gehuurd had. Deze waren Saksers en geenszins vrij van die aangeboren zucht naar gemak en goede sier, welke de Normandiërs met den naam van luiheid en gulzigheid bestempelden. Shylock's stelling omkeerende, hadden zij dezen last op zich genomen, in de hoop van zich op kosten van den rijken Jood te mesten, en ze waren zeer ontevreden, toen ze zich bedrogen vonden door de snelheid, waarop hij aandrong. Zij verzekerden hem dan ook, dat hunne paarden daardoor ongewoon gevaar liepen. Ten laatste ontstond er tusschen Izaäk en zijne wachten een doodelijke veete over de hoeveelheid wijn en bier, welke bij iederen maaltijd mocht gebruikt worden. En zoo kwam het, dat toen het gevaar naderde, en hetgeen Izaäk gevreesd had, hem wezenlijk overkwam, de ontevredene huurlingen, op wier bescherming hij vertrouwd had, hem verlieten, daar hij de noodige middelen niet gebruikt had, om zich van hunne verkleefdheid te verzekeren.

In dezen hulpeloozen toestand werd de Jood met zijne dochter en hun gekwetsten gast door Cedric gevonden, zooals wij reeds gemeld hebben en kort daarna vielen ze in de macht van De Bracy en zijne bondgenooten. Men sloeg eerst weinig acht op den draagstoel, die achtergebleven zou zijn zonder de nieuwsgierigheid van De Bracy, die er in keek, daar hij dacht, dat wellicht het voorwerp van zijn onderneming er in schuilde, want Rowena had zich nog niet ontsluierd. Maar groot was De Bracy's verbazing, toen hij bespeurde dat de draagstoel een gekwetsten krijgsman bevatte, die in het denkbeeld, dat hij in de macht van Saksische roovers gevallen was, bij wie zijn naam een bescherming voor hem en zijn vrienden kon zijn, openhartig bekende, dat hij Wilfrid van Ivanhoe was.

De begrippen van riddereer, welke De Bracy, te midden van zijne woestheid en lichtvaardigheid, nooit geheel en al verzaakt had, beletten hem, om den ridder in zijn hulpeloozen toestand eenig leed aan te doen, en verhinderden insgelijks, dat hij hem aan Front-de-Boeuf verraadde, die er volstrekt geene gewetenszaak van zou gemaakt hebben, om zijn mededinger naar het leen Ivanhoe ter dood te brengen, in welke omstandigheden hij hem ook gevonden had. Van den anderen kant was het eene daad, ver boven de edelmoedigheid van De Bracy verheven om een medeminnaar in vrijheid te stellen, aan wien door Jonkvrouw Rowena de voorkeur gegeven werd, zooals de gebeurtenissen bij het toernooi en Wilfrids vroegere verbanning uit het vaderlijke huis reeds genoegzaam te kennen gegeven hadden. Een middenweg tusschen goed en kwaad was alles waartoe hij zich in staat gevoelde, en hij beval aan twee zijner schildknapen dicht bij den draagstoel te blijven, en niemand er bij te laten. Zoo men hen ondervroeg, beval hun meester te zeggen, dat het de ledige draagstoel der Jonkvrouw Rowena was, welke gebruikt werd om een makker, die in de schermutseling gekwetst werd, te vervoeren. Bij hunne aankomst te Torquilstone, terwijl de Tempelier en de heer van het kasteel ieder met zijn eigen ontwerp vervuld was, de een met den schat van den Jood, en de andere met zijne dochter, brachten De Bracy's schildknapen Ivanhoe, nog altijd onder den naam van een gewonden makker, in een afgelegen vertrek. Dit zeiden ook De Bracy's knapen aan Front-de-Boeuf, toen deze hun vroeg, waarom ze, toen er alarm geblazen werd, zich niet naar de wallen begeven hadden.

"Een gekwetste makker!" hernam hij in groote drift en verbazing; "geen wonder, dat boeren en landlieden zich verstouten, om zelfs kasteelen te belegeren, en dat narren en zwijnenhoeders uitdagingen aan edellieden zenden, daar krijgers in ziekenoppassers veranderen, en huurlingen wachters bij een sterfbed geworden zijn, als zelfs het kasteel op het punt is, van bestormd te worden.--Naar de wallen, gij trage schurken!" riep hij, zijne forsche stem verheffende, zoodat de gewelven er van weêrgalmden, "naar de wallen, of ik zal er u met deze knots heen jagen!"

De lieden antwoordden hem op stuggen toon, "dat ze niets beters verlangden dan naar de wallen te gaan, mits Front-de-Boeuf het bij hun meester verantwoorden wilde, die hun bevolen had, den stervende op te passen."

"Den stervende, schelmen!" hervatte de Baron, "ik beloof u, dat wij allen weldra stervenden zullen zijn, als wij ons niet dapper houden. Maar ik zal de wacht bij dezen uwen ellendigen makker aflossen.--Hier, Urfried,--duivelsche Saksische heks,--hoort ge mij niet?--pas op dien bedlegerigen kerel, daar hij toch opgepast moet worden, terwijl deze schelmen hunne wapens gebruiken. Hier, kameraden, zijn twee armbogen, met pijlen er bij--voort, naar het buitenwerk, en ieder schot van u treffe den schedel van een Sakser!"

De mannen, die, gelijk de meesten van huns gelijken, het gevaar beminden, en de werkeloosheid verfoeiden, gingen blijmoedig naar de gevaarlijke plaats waarheen men hen gezonden had, en dus werd de zorg voor Ivanhoe aan Urfried, of Ulrica, opgedrongen. Maar deze, wier hoofd vervuld was met de herinnering aan smaad en met de hoop op wraak, liet gaarne de oppassing van den zieke aan Rebekka over.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Beklim den wachttoren ginds, Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht!

Schiller's Maagd van Orleans.

Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen, welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen, zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf, dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde, zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe: "Zijt gij het, mijne vriendin?" welke hare bedaardheid terugriep, en haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon hebben.--"Dank," zei hij, "uw kundige hulp, waarde Rebekka."

"Hij noemt mij waarde Rebekka," zei het meisje in zich zelve, "maar op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord overeenkomt. Zijn strijdpaard,--zijn jachthond zijn hem liever dan de verachte Jodin."

"Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje," ging Ivanhoe voort, "dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten, dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.--Zoo ja, hoe zal dit afloopen,--en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?"

"Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet," zei Rebekka in zich zelve; "maar wat is hem aan ons gelegen,--en hoe rechtvaardig word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld zijn!" Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr, dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien, wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven.

"Een Christenpriester?" zei de ridder met blijdschap; "breng hem hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,--zeg, dat een zieke zijne geestelijke hulp begeert,--zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;--ik moet iets doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet hoe de zaken buiten staan?"

Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe's wensch, om Cedric te halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had, om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had, ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen, tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren, die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka's hoogmoedige geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende, deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: "De pijlkoker ratelt, de glinsterende speer en het schild,--het geroep der aanvoerders en het krijgsgeschreeuw."

Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld, brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten verkondigden. "Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen," zei hij, "om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één enkelen slag voor onze bevrijding te doen!--Het is vergeefs, het is vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!"

"Kwel u niet, edele ridder," antwoordde Rebekka, "het geraas heeft eensklaps opgehouden;--het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden."

"Gij begrijpt het niet," riep Wilfrid ongeduldig; "deze doodelijke stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben, was slechts het verwijderd dreigen van den storm,--die dadelijk in volle woede uitbarsten zal.--Kon ik slechts gindsch venster bereiken!"

"Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder," hernam Rebekka; en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij: "Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan, verhalen wat er buiten omgaat."

"Gij moet niet,--gij zult niet!" riep Ivanhoe; "iedere tralie, iedere opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;--een of ander op goed geluk afgeschoten pijl zou--"

"Welkom zijn," zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan ze spraken.

"Rebekka, waarde Rebekka!" riep Ivanhoe, "dit is geene zaak voor vrouwen;--stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon u zoo weinig mogelijk aan het venster."

Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe's voorschriften; en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw, niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging, maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval, vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk, dat ze die als een zwak punt beschouwden.

Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er bij: "De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn, ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen zijn."

"Onder welke banier?" vroeg Ivanhoe.

"Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan," antwoordde Rebekka.

"Een zonderlinge verschijning," prevelde de ridder, "zulk een kasteel te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.--Ziet gij ook wie de aanvoerders zijn?"

"Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog," zei de Jodin; "hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt het bevel over allen, die hem omringen, te voeren."

"Welk devies voert hij op zijn schild?" ging Ivanhoe voort.

"Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert." [26]

"Een slot en boeien op een blauw veld," zei Ivanhoe; "ik weet niet, wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?"

"Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand," hernam Rebekka; "maar als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals ik gezegd heb."

"Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?" riep de ongeduldige ridder.

"Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover ik van deze standplaats zien kan," hernam Rebekka; "maar zonder twijfel wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen nu gereed om voorwaarts te trekken.--God van Sion, bescherm ons!--Welk een verschrikkelijk gezicht!--Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen, terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!--God van Mozes, vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!"

Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der _mossels_ (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het gedruisch, daar de aanvallers riepen: "St. George voor Engeland!" en de Normandiërs antwoordden met het geroep van: "_En avant De Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!_"--de onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders.

Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was, en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters, door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist, dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui van pijlen,--waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,--die met dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger geplaatst was, of verondersteld werd te staan;--door dezen hagelbui van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval, en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen, lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond, als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of nadeel leed.--

"En ik moet hier liggen als een zieke monnik," riep Ivanhoe uit, "terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den dood moet geven!--Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op, dat de boogschutters beneden u niet opmerken.--Zie nog eens en zeg mij, of zij tot den storm voorwaarts trekken."

Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo, dat zij van beneden niet zichtbaar was. "Wat ziet gij, Rebekka?" vroeg weder de gewonde ridder.

"Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten."

"Dat kan zoo niet voortduren," zei Ivanhoe; "als zij het kasteel niet met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt; want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn."

"Ik zie hem niet," antwoordde Rebekka.

"O die lafaard!" riep Ivanhoe, "wijkt hij van het roer, als de wind het hevigst waait?"

"Hij wijkt niet! hij wijkt niet!" hernam Rebekka, "ik zie hem nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste _barrière_ van het bruggenhoofd [27].--Zij halen de palen omver, zij hakken de _barrières_ met bijlen om,--zijn hooge zwarte vederbos fladdert over de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;--zij hebben eene opening in de _barrière_ gemaakt--zij stormen er in;--zij worden teruggeworpen!--Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende stroomen,--zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander."

Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen.

"Zie nog eens naar buiten, Rebekka," zei Ivanhoe, die de reden waarom zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; "het schieten moet eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.--Zie nog eens naar buiten;--er is nu minder gevaar bij."

Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: "Heilige Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het gevecht gadeslaan.--Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen bij!" Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: "Hij valt!--hij valt!"

"Wie valt?" riep Ivanhoe, "in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie is gevallen?"

"De Zwarte Ridder," antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond daarna riep ze weder met blijde drift: "Maar neen,--maar neen,--maar neen--de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!--hij staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn enkelen arm had;--zijn zwaard is gebroken;--hij grijpt de bijl van een schutter;--hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en stoot.--De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van den houthakker;--hij valt--hij valt!"

"Front-de-Boeuf?" riep Ivanhoe.

"Front-de-Boeuf," antwoordde de Jodin; "zijne manschappen snellen hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;--hunne vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;--zij sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren."

"De bestormers hebben de _barrières_ toch ingenomen, niet waar?" vroeg Ivanhoe.

"Wel zeker,--wel zeker,--en ze maken een hevigen aanval op den buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen, en trachten op elkanders schouders te stijgen.--Steenen, balken en boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun plaats in.--Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders misvormd zou worden!"

"Denk daar niet aan," hernam Ivanhoe; "dit is geen tijd voor zulke gedachten.--Wie wijkt?--wie dringt vooruit?"

"De ladders worden omvergeworpen," hernam Rebekka, ijzende; "de soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.--De belegerden hebben de overhand!"

"St. George sta ons bij!" zei de ridder; "wijken die valsche schutters?"

"Neen!" riep Rebekka, "zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert het poortje met zijne ontzaglijke bijl;--de donderende slagen, welke hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw van het gevecht uit hooren.--Steenen en balken worden op den stouten strijder neêrgestort;--hij let er niet meer op, dan of het vederen waren!"

"Bij St. Jean d'Acre!" zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede verheffende, "ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was, die zoo iets zou kunnen verrichten!"

"De poort bezwijkt," ging Rebekka voort; "zij kraakt,--zij wordt verbrijzeld door zijn slagen;--zij stormen er in;--het buitenwerk is veroverd;--o God!--zij werpen de verdedigers van den wal naar beneden;--zij storten hen in de gracht;--o menschen, zoo gij inderdaad menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!"

"De brug,--de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,--hebben zij die bezet?" riep Ivanhoe uit.

"Neen!" hervatte Rebekka, "de Tempelier heeft de plank, waarop hij zich terugtrok, vernield;--weinigen der verdedigers zijn met hem in het kasteel ontkomen;--het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort, onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien."

"Wat doen ze nu, meisje?" vroeg Ivanhoe; "zie nog eens uit;--dit is geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken."

"Het is vooreerst gedaan," antwoordde Rebekka; "onze vrienden versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet, als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te benadeelen."