Chapter 27
"Wel," antwoordde Izaäk, terwijl hij haar losliet, "het spijt mij evenzeer, zijn bloed te zien stroomen, alsof het gouden byzantijnen uit mijn beurs waren; en ik weet wel, dat de lessen van Mirjam, de dochter van den Rabbi Manasse van Byzantium, wiens ziel in het Paradijs is, u in de heelkunst ervaren gemaakt hebben, en dat gij krachtige kruiden en versterkende elixers kent. Doe dus, wat uw hart u ingeeft;--gij zijt een goed meisje, een zegen, en eene kroon, en de trots van mij en mijn huis, en van het volk mijner vaderen."
De vrees van Izaäk was intusschen niet ongegrond; en de edelmoedige menschlievendheid zijner dochter stelde haar, gedurende de terugreis naar Ashby bloot aan de stoute blikken van Brian de Bois-Guilbert. De Tempelier reed hen tweemalen voorbij om zijn onbeschaamd en vurig oog op de schoone Jodin te vestigen; en wij hebben reeds de gevolgen gezien van zijne bewondering voor hare bekoorlijkheden, toen het toeval haar in de macht van dezen woesten wellusteling geleverd had.
Rebekka verloor geen tijd met den patient naar hunne tijdelijke woning te laten brengen, en ging toen zelve aan het werk, om zijne wonden te onderzoeken en te verbinden.
De meest onervaren lezer van romans en romantische balladen zal zich herinneren, hoe dikwijls de vrouwen, gedurende de middeleeuwen, in de geheimen der heelkunst waren ingewijd, en hoe dikwerf de dappere ridder zijne wonden juist aan haar ter genezing toevertrouwde, wier oogen zijn hart nog dieper gewond hadden.
Maar de Joden, zoowel mannen als vrouwen, verstonden en beoefenden alle takken der geneeskunst, en de vorsten en machtige Baronnen van dien tijd vertrouwden zich dikwijls aan de behandeling van menigen ervaren geleerde onder dit verachte volk, wanneer ze gekwetst of ziek waren. De hulp der Joodsche geneesheeren werd niet minder ijverig gezocht, ofschoon het geloof algemeen onder de Christenen heerschte, dat de Joodsche Rabbijnen zeer bedreven waren in de geheime wetenschappen, en vooral in de kabbalistische kunsten, welke haar naam en oorsprong aan de wijzen van Israël te danken hebben. Ook loochenden de rabbijnen zulk eene kennis der bovennatuurlijke kunsten niet, hetgeen volstrekt niet den haat vergrootte (want hoe kon die ook vergroot worden?) waarmede men hun volk beschouwde, terwijl daardoor de verachting verminderd werd, waarmede deze afkeer gepaard ging. Een Joodsche toovenaar mocht even erg verfoeid worden als een Joodsche woekeraar, maar hij kon nooit zoo veracht worden. Het is bovendien waarschijnlijk, als men de verwonderlijke genezingen in aanmerking neemt, welke men gelooft, dat ze verricht hebben, dat de Joden eenige geheimen in de geneeskunst kenden, die hun eigen waren, en welke ze met den achterhoudenden geest, door hun maatschappelijken toestand aangekweekt, met groote zorg voor de Christenen, onder wie ze leefden, verborgen hielden.
De schoone Rebekka was zorgvuldig opgevoed in al de wetenschappen aan haar volk eigen, en haar vlug en groot verstand had alles onthouden, geschikt en ontwikkeld, op eene wijze die hare jaren, haar geslacht en zelfs hare eeuw ver vooruit was. Hare kennis der genees- en heelkunst had ze verkregen van eene oude Jodin, de dochter van een der beroemdste Joodsche doctoren, welke Rebekka als haar eigen kind beminde, en die, naar men geloofde, aan deze de geheimen had medegedeeld, welke haar wijze vader had nagelaten in denzelfden tijd en onder dezelfde omstandigheden.
Het was het lot van Mirjam geweest, om als slachtoffer van de dweepzucht dier tijden te vallen; maar hare geheimen hadden haar in de persoon harer begaafde leerling overleefd.
Rebekka, dus met kunde en schoonheid bedeeld, werd algemeen geëerd en bewonderd door haar eigen stam, welke haar bijna beschouwde als eene dier bevoorrechte vrouwen, die in de Heilige Schrift vermeld worden.
Haar vader zelf, uit eerbied voor hare bekwaamheden, gepaard met zijn onbegrensde liefde, liet het meisje meer vrijheid dan de gewoonten van haar volk anders aan haar geslacht vergunden, en hij werd, zooals wij reeds gezien hebben, dikwijls door haar gevoelen bestierd, al was het ook lijnrecht in strijd met het zijne.
Toen Ivanhoe Izaäks woning bereikte, was hij nog steeds in een staat van bewusteloosheid, veroorzaakt door het geweldige bloedverlies, dat hij in het strijdperk geleden had. Rebekka onderzocht de wond, en na die verbonden te hebben met de heelmiddelen, welke haar kennis voorschreef, gaf ze haar vader te kennen, dat, zoo de koorts gestuit werd, wat ze wegens het sterke bloedverlies verwachtte, en indien de heelende balsem van Mirjam zijn kracht niet verloren had, er niets voor het leven van hun gast te vreezen was, en dat hij den volgenden dag veilig met hen naar York zou kunnen reizen. Izaäk ontstelde een weinig bij dit bericht. Zijne menschlievendheid had zich gaarne bepaald bij hetgeen hij te Ashby gedaan had, of, op zijn best, zou hij den gekwetsten Christen hebben willen achterlaten, om opgepast te worden in het huis, waar ze thans woonden, met verzekering aan den Jood, wien het toebehoorde, dat alle onkosten behoorlijk zouden worden vergoed. Hiertegen bracht Rebekka echter verscheidene bezwaren in, waarvan wij slechts twee zullen aanhalen, daar ze van bijzonder veel gewicht bij Izaäk waren. Het ééne was, dat zij in geen geval haar fleschje met kostbaren balsem, zelfs in handen van een geneesheer van hare eigen natie geven wilde, uit vrees, dat het onwaardeerbaar geheim ontdekt mocht worden; het andere was, dat deze gekwetste ridder, Wilfrid van Ivanhoe, een vertrouwde en gunsteling was van Richard Leeuwenhart, en dat, ingeval die vorst terugkeerde, Izaäk, die aan zijn broeder Jan geld verschaft had om zijn oproerige plannen te bevorderen, een machtigen beschermer, die Richards gunst genoot, hoog noodig zou hebben.
"Gij zegt de zuivere waarheid, Rebekka," zei Izaäk, voor deze gewichtige gronden zwichtende,--"het ware heiligschennis, om de geheimen der gezegende Mirjam te verraden; want het goede, dat de Hemel geeft, moet niet roekeloos aan anderen verkwist worden, het mogen dan gouden talenten of zilveren _sjekels_, of de geheimen van een wijzen geneesheer zijn;--zeker moeten ze bewaard worden door hen, aan welke de Voorzienigheid ze heeft geschonken. En als _hij_ eens weder terug kwam, dien de Nazareërs van Engeland Leeuwenhart noemen, dan ware het waarlijk beter voor mij in de klauwen van een sterken leeuw van Idumea te vallen, dan in de zijnen, als hij lucht krijgt van mijne handelingen met zijn broeder. Dus wil ik gehoor geven aan uw raad, en deze jongeling zal met ons naar York reizen, en ons huis zal het zijne wezen, tot zijne wonden genezen zijn. En als deze Leeuwenhart in het land terugkeert, zooals het gerucht loopt, dan zal deze Wilfrid van Ivanhoe mij verdedigen, wanneer des Konings toorn tegen uw vader ontbrandt. En als hij niet terugkeert, dan kan deze Wilfrid ons onze kosten vergoeden, als hij schatten verdient door de kracht van zijn speer en zijn zwaard, zooals hij gisteren en heden gedaan heeft. Want de jongeling is een braaf jongeling, en houdt woord, en geeft terug, wat hij leent, en helpt den Israëliet, zelfs den zoon mijns vaders, als hij door dieven en kinderen Belials omsingeld is."
Het was eerst laat in den avond, toen Ivanhoe zijn bewustheid terugkreeg. Hij ontwaakte uit eene onrustige sluimering, met de verwarde indrukken, natuurlijk aan het bijkomen uit een staat van bewusteloosheid. Het was hem gedurende eenigen tijd onmogelijk, zich de omstandigheden, welke zijne bezwijming in het strijdperk vooraf waren gegaan, nauwkeurig te herinneren of de voorvallen van den vorigen dag aaneen te schakelen. Het bewustzijn van verwonding en pijn, gevoegd bij groote zwakheid en afmatting, ging gepaard met de herinnering aan gegeven en ontvangen slagen en houwen, van tegen elkander stootende paarden, van overwinnaars en overwonnenen,--van geschreeuw en wapengekletter, en al het verwarde gedruisch van een heet gevecht. Eene poging, om de gordijn van zijn bed te openen, gelukte hem gedeeltelijk, ofschoon de pijn zijner wonde dit moeielijk maakte.
Tot zijne groote verwondering zag hij zich in eene rijk gestoffeerde kamer, maar met kussens voorzien, in plaats van met stoelen, en in andere opzichten zooveel overeenkomende met de Oostersche gebruiken, dat hij begon te twijfelen, of hij niet gedurende zijn slaap naar Palestina was teruggevoerd. De indruk werd vermeerderd, toen eene deur in het behang open ging, en eene vrouwelijke gedaante, rijk en meer naar den Oosterschen dan den Europeeschen smaak gekleed, gevolgd door een zwarten dienaar, binnensloop.
Toen de gekwetste ridder deze schoone verschijning wilde aanspreken, gebood zij hem stil te zwijgen, door den vinger op de rozenroode lippen te leggen, terwijl de bediende, nader komende, Ivanhoe's zijde ontblootte, en de beminnelijke Jodin zich overtuigde, dat het verband op zijn plaats zat, en het met de wond goed stond. Zij volbracht haar taak met een aanvallige en waardige eenvoudigheid en zedigheid, welke, zelfs in beschaafdere tijden had moeten strekken, om alles, wat de vrouwelijke kieschheid had kunnen kwetsen, te doen vergeten. Het denkbeeld van een zoo jonge en schoone vrouw bezig te zien om een zieke op te passen, of de wonden van een man te verbinden, maakte plaats voor dat van een weldadig wezen, dat zijne krachtige hulp verleende om de smart te verzachten, en den pijl des doods af te wenden. Rebekka gaf haar weinige en korte bevelen in het Hebreeuwsch aan den ouden dienaar en deze, die haar dikwijls in soortgelijke gevallen had bijgestaan, gehoorzaamde zonder te antwoorden.
De klank eener onbekende taal, hoe onaangenaam die ook in een anderen mond zou geweest zijn, had in dien van de schoone Rebekka die romantische en aangename uitwerking, die de verbeelding aan de eene of andere weldadige toovergodin toeschrijft, welke, wel is waar, onverstaanbaar blijft voor het oor, maar door de zachte uitdrukking en den goedaardigen blik het hart roert en treft. Zonder te beproeven naar iets te vragen, liet Ivanhoe haar in stilte die maatregelen nemen, welke zij voor zijne beterschap het noodigst oordeelde, en eerst toen zij gedaan had, en zijne behulpzame vriendin op het punt stond om heen te gaan, kon hij zijne nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken.--"Bekoorlijk meisje," begon hij in het Arabisch, welke taal hem gedurende zijn reizen in het Oosten gemeenzaam geworden was, en die hij zich verbeeldde dat het met tulband en kaftan gesmukte meisje, dat voor hem stond, het best zou verstaan, "ik bid u, bekoorlijk meisje,--uwe goedheid--"
Maar hier viel zijn schoone arts hem in de rede; een glimlach, welken zij nauwelijks onderdrukken kon, zweefde over een gelaat, waarop gewoonlijk eene uitdrukking rustte van peinzende zwaarmoedigheid: "Ik ben uit Engeland, heer ridder, en spreek de Saksische taal, ofschoon mijne kleeding en mijn stam onder een andere hemelstreek te huis behooren."
"Edele Jonkvrouw,"--begon de ridder van Ivanhoe opnieuw, en wederom haastte zich Rebekka hem in de rede te vallen.
"Geef mij dien eeretitel niet, heer ridder," zei zij. "Het is goed, dat gij dadelijk verneemt, dat uwe verzorgster eene arme Jodin is, de dochter van Izaäk van York, dien gij onlangs zoo liefderijk en vriendelijk behandeld hebt. Het is zijn plicht en die van zijne huisgenooten om u die zorgvuldige verpleging te verschaffen, welke uw tegenwoordige toestand zoo gebiedend eischt."
Ik weet niet, of de schoone Rowena wel tevreden zou geweest zijn over de bewondering, waarmede haar ridder tot dusverre de schoone trekken, de rijzige gestalte en de schitterende oogen van de beminnelijke Rebekka aanschouwd had; oogen, wier glans overschaduwd en als het ware verzacht werd door lange wimpers, welke een dichter vergeleken zou hebben bij de avondster, die haar stralen door een priëel van jasmijn schiet. Maar Ivanhoe was te goed katholiek om deze gevoelens voor een Jodin te koesteren. Dit had Rebekka voorzien en daarom had zij zich gehaast om haars vaders naam en stam te noemen, evenwel,--want de schoone en wijze dochter van Izaäk was niet zonder een kleinen zweem van vrouwelijke zwakheid,--kon zij niet nalaten in haar hart te zuchten, toen de blik van eerbiedige bewondering, niet geheel onvermengd met teederheid, waarmede Ivanhoe tot hiertoe zijne onbekende weldoenster aanschouwd had, eensklaps veranderde in een koel, bedaard en terughoudend gedrag, waarin geen dieper gevoel te zien was, dan dat van dankbaarheid voor een dienst, welken men onverwacht van een persoon van minderen stand ontvangt. Niet dat Ivanhoe's vroegere houding meer uitdrukte, dan die algemeene, eerbiedige hulde, welke de jeugd altijd aan de schoonheid betoont; maar toch was het pijnlijk, dat een enkel woord genoeg was, om als met een tooverslag, de arme Rebekka, die niet geheel onbewust kon zijn, van haar recht op zulke hulde, tot eene verachte klasse te doen nederdalen, aan welke ze niet met eer kon bewezen worden.
Maar de zachtaardige, edele Rebekka rekende het Ivanhoe tot geen misdaad, dat hij in de algemeene vooroordeelen van zijne eeuw en van zijne geloofsgenooten deelde. Integendeel hield de schoone Jodin, ofschoon zij gevoelde, dat haar patient haar als een spruit van een verworpen stam beschouwde, met welke het niet eervol was, meer dan het noodzakelijkste verkeer te houden, niet op, hem dezelfde geduldige en zorgvuldige oplettendheid te betoonen. Zij onderrichtte hem van de noodzakelijkheid om naar York te vertrekken en van haars vaders besluit, om hem daarheen te vervoeren en in zijn eigen huis te verzorgen, tot zijn genezing volmaakt was. Ivanhoe legde grooten tegenzin in dit plan aan den dag, terwijl hij voorwendde dat hij niet geneigd was zijne weldoeners verder tot last te strekken.
"Is er niet," zei hij, "te Ashby, of in de nabijheid, de een of ander Saksische _Franklin_, of zelfs eenige rijke boer, die op zich zou willen nemen om een gekwetsten landsman bij zich te ontvangen, tot hij weder in staat is de wapens te dragen? Is er geen Saksisch klooster, waar hij kan aankloppen?--Of kan hij niet naar Burton vervoerd worden, waar hij verzekerd is, gastvrijheid te vinden bij Waltheoff, den Abt van Sint Withold, zijn bloedverwant?"
"Iedere, zelfs de nederigste dezer schuilplaatsen," zei Rebekka, met een zwaarmoedigen glimlach, "zou zonder twijfel geschikter zijn voor u dan de woning van een verachten Jood; maar, heer ridder, zoo gij uw geneesheer niet wilt missen, moet gij niet van verblijf veranderen. Ons volk, zooals gij wel weet, kan wonden genezen, ofschoon wij er geen mogen toebrengen; en bij mijn geslacht in het bijzonder, berusten geheimen, welke sedert Salomo's tijd zijn overgebracht, en waarvan gij het heil reeds ondervonden hebt.--Geen Nazareër--ik smeek u om verschooning, heer ridder,--geen Christen wondarts in Brittanje zou u in staat kunnen stellen, uwe wapenrusting in minder dan eene maand te dragen."
"En hoe spoedig zult gij mij in staat stellen, dat te doen?" vroeg Ivanhoe ongeduldig.
"Binnen acht dagen, als gij geduldig wilt zijn en naar mijn voorschriften luisteren," hernam Rebekka.
"Bij de Heilige Maagd," zei Wilfrid, "indien het geene zonde is haar hier te noemen, het is geen tijd voor mij, of voor eenigen echten ridder bedlegerig te zijn; en als gij uwe belofte houdt, meisje, zal ik u beloonen met mijn helm vol goud, vanwaar het dan ook komen moge!"
"Ik zal mijne belofte houden," hernam Rebekka, "en gij zult uwe wapenrusting heden over acht dagen weder kunnen dragen, als gij mij slechts eene bede wilt vergunnen, in plaats van het geld, dat ge mij belooft."
"Zoo het in mijne macht staat,--en een goed Christen ridder het aan iemand van uw volk mag toestaan," hervatte Ivanhoe, "dan zal ik aan uw verzoek gaarne en dankbaar voldoen."
"Welnu," antwoordde Rebekka, "ik wilde u slechts bidden, om voortaan te gelooven, dat een Jood aan een Christen een dienst kan doen zonder andere belooning dan de zegen van den Grooten Vader, die Jood en Heiden geschapen heeft."
"Het ware zonde hieraan te twijfelen, meisje," hernam Ivanhoe, "en ik vertrouw mij aan uwe kunde toe, zonder verderen twijfel of ongerustheid, maar ik reken er op, dat gij mij in staat zult stellen, mijne wapenrusting op den achtsten dag na heden te dragen. En nu moet ik u naar het nieuws van buiten vragen. Wat weet gij van den edelen Sakser, Cedric en zijn gezin?--Wat van de schoone Jonkvrouw,"--hij hield op, alsof hij Rowena's naam niet in het huis van een Jood uitspreken wilde,--"van haar, meen ik, die tot Koningin van het toernooi benoemd werd?"
"En die door u, heer ridder, uitgekozen werd om die waardigheid te bekleeden, met een oordeel, dat evenzeer bewonderd werd als uwe dapperheid," hervatte Rebekka.
Het bloed dat Ivanhoe verloren had, belette niet dat een blos zijn wangen kleurde, toen hij begreep, dat hij onvoorzichtig de belangstelling, welke hij voor Rowena gevoelde, verraden had door zijne onhandige poging om die te verbergen.
"Het was minder van haar dat ik spreken wilde," zei hij, "dan van Prins Jan, en ik wilde gaarne iets weten van mijn getrouwen schildknaap, en waarom hij mij niet oppast?"
"Laat ik mijn gezag als wondarts gebruiken," antwoordde Rebekka, "en u het stilzwijgen en het vermijden van alle ontroering opleggen, terwijl ik u onderricht van hetgeen gij wenscht te weten. Prins Jan heeft het toernooi plotseling afgebroken en is in groote haast naar York vertrokken met de edelen, ridders en geestelijken van zijne partij, na al het geld dat zij door billijke of onbillijke middelen afpersen konden van hen, die voor de rijken des lands gehouden worden, medegenomen te hebben. Men zegt dat hij voornemens is, zich de kroon zijns broeders op te zetten."
"Niet zonder dat er menige slag ter verdediging er van gedaan wordt," zei Ivanhoe, zich in zijn bed oprichtende, "al was er ook maar één getrouwe onderdaan in Engeland! Ik wil met den besten hunner om Richards recht strijden,--ja, zelfs één tegen twee in zijne rechtvaardige zaak."
"Maar om dit te kunnen doen," zei Rebekka, hem met haar hand zacht op den schouder aanrakende, "moet gij thans mijne bevelen volgen, en u rustig houden."
"Gij hebt gelijk, meisje," hernam Ivanhoe, "zoo rustig als deze onrustige tijden toelaten.--En wat nu van Cedric en zijn gezin?"
"Zijn huishofmeester is een oogenblik geleden hier geweest," hervatte de Jodin, "buiten adem van haast, om van mijn vader eenig geld te halen voor wol, welke hij van Cedric's kudden verkregen had; en van hem vernam ik, dat Cedric en Athelstane van Coningsburgh de woning van den Prins in groot ongenoegen verlaten hadden en op het punt waren om weder naar huis te reizen."
"Is er ook eene dame met hen op het feest geweest?" vroeg Wilfrid.
"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Rebekka, den naam vermeldende, dien hij verzwegen had,--"Jonkvrouw Rowena, is niet naar des Prinsen feest geweest, en, zooals de huishofmeester ons gezegd heeft, is zij thans op de terugreis naar Rotherwood met haar voogd Cedric. En wat uw getrouwen schildknaap Gurth--"
"Ha!" riep de ridder, "kent gij zijn naam?--Maar zeker," voegde hij er haastig bij, "zeker kent gij hem, want het was uit uwe hand, en, zooals ik vermoed, door uw edelmoedigheid, dat hij gisteren honderd _zechinen_ ontvangen heeft."
"Spreek daar niet van," zei Rebekka blozende, "ik merk, hoe gemakkelijk het is met den mond te verraden wat het hart gaarne zou verbergen."
"Maar," zei Ivanhoe ernstig, "mijne eer is er mede gemoeid, om uw vader deze som te betalen."
"Volg uw eigen zin," zei Rebekka, "als acht dagen verloopen zijn; maar denk nu, bid ik u, aan niets, en spreek van niets, dat uwe herstelling zou kunnen vertragen."
"Het zij zoo, meisje," hernam Ivanhoe; "het zou zeer ondankbaar zijn, mij tegen uwe verordeningen te verzetten. Maar één woord over Gurth's lot, en ik heb gedaan met vragen."
"Het spijt mij u te moeten zeggen," antwoordde de Jodin, "dat hij op bevel van Cedric gevangen is!"--En toen zij de droefheid bespeurde, welke hare mededeeling bij Wilfrid verwekte, voegde zij er dadelijk bij: "maar de huishofmeester Oswald zei, dat als er niets voorviel om zijns meesters ongenoegen tegen hem te vermeerderen, hij zeker wist, dat Cedric Gurth zou vergeven, daar hij een getrouw lijfeigene was, hoog in gunst stond, en dezen misstap slechts begaan had uit liefde voor Cedric's zoon. En hij zeide daarenboven, dat hij en zijne makkers, en bijzonder de nar Wamba, besloten hadden om Gurth onderweg te helpen ontvluchten, in geval de toorn van Cedric tegen hem niet verzacht kon worden."
"God geve, dat zij hun voornemen ten uitvoer brengen!" zei Ivanhoe; "maar het schijnt dat ik geboren ben, om allen, die mij liefde betoond hebben, ongelukkig te maken!--Mijn koning eerde en onderscheidde mij, en gij ziet, dat de broeder, die hem het meeste verschuldigd is, de wapens opneemt om hem de kroon te ontrukken;--mijne liefde heeft de schoonste van haar geslacht aan dwang en onrust onderworpen, en nu zal mijn vader wellicht in zijn toorn dezen armen lijfeigene om het leven brengen, alleen om zijne liefde en getrouwheid voor mij!--Gij ziet, meisje, welk een ongelukskind gij bijstaat; wees verstandig, en laat mij gaan eer mijn rampen, welke mij als speurhonden vervolgen, ook u medesleepen."
"Wel," zei Rebekka, "uwe zwakheid en uwe smart, heer ridder, doen u de bedoelingen des Hemels verkeerd uitleggen! Gij zijt aan uw vaderland teruggegeven, toen het den bijstand van eene sterke hand en een getrouw hart noodig had, en hebt den hoogmoed van uw en uws konings vijanden vernederd, op een oogenblik, dat die ten toppunt gestegen was;--en wat uw ongeluk betreft, ziet gij niet, dat de Hemel u hulp en een arts gezonden heeft, zelfs onder de meest verachte bewoners des lands?--Houd dus goeden moed en vertrouw er op, dat gij gespaard zijt voor eenig wonder, dat uw arm voor dit volk zal verrichten. Vaarwel, en begeef u, zoodra gij den drank ingenomen hebt, welken ik u door Ruben zal zenden, weder ter rust, om des te beter in staat te zijn morgen de vermoeienissen van de reis door te staan."
Ivanhoe liet zich door Rebekka's woorden overreden, en gehoorzaamde aan hare bevelen. De drank, welken Ruben hem toediende, was van een bedarenden en slaapwekkenden aard en verschafte den zieken een vasten en ongestoorden sluimer. Den volgenden morgen vond zijn vriendelijke arts hem geheel vrij van koortsachtige aandoening en in staat om de vermoeienis der reis te verdragen.
Hij werd in den draagstoel geplaatst, waarin hij uit het strijdperk gebracht was, en welke door paarden gedragen werd, en men nam alle voorzorgen om hem met gemak te doen reizen. In één opzicht slechts konden zelfs de beden van Rebekka geene genoegzame oplettendheid voor het gemak van den gewonden ridder bezorgen. Izaäk zag, evenals de rijk geworden reiziger, in de satire van Juvenalis, in zijne verbeelding overal roovers, daar hij overtuigd was dat de stroopende Normandische edelman en de Saksische vrijbuiter beiden hem als wettigen buit zouden beschouwen. Hij reisde dus met den meesten spoed, en hield slechts korte rust en nog kortere maaltijden, zoodat hij Cedric en Athelstane voorbij reisde, die verscheidene uren vóór hem vertrokken, maar opgehouden waren door hun langgerekt gastmaal in het klooster van St. Withold. Zóó groot was echter de kracht van Mirjams balsem, of van Ivanhoe's gestel, dat hij door de overhaaste reis het ongemak niet leed, dat Rebekka voor hem gevreesd had.