Ivanhoe

Chapter 26

Chapter 263,819 wordsPublic domain

Front-de-Boeuf hoorde de woorden onduidelijk, maar de handelwijze scheen hem verdacht.--"Schutters!" riep hij de wachten op de buitenwerken toe, "zend dien monnik een pijl achterna;--maar neen!" vervolgde hij, toen zijn lieden de bogen spanden; "Het kan niet baten;--wij moeten hem in zoover vertrouwen, daar wij geene andere keuze hebben. Mij dunkt, hij durft mij niet verraden;--in het ergste geval kan ik nog met de Saksische honden onderhandelen, die ik veilig in de kooi heb.--Hola! Gilles, cipier, laat Cedric van Rotherwood voor mij brengen, en den anderen boer, zijn makker,--ik meen Coningsburgh,--Athelstane, of hoe hij heet; zelfs hunne namen zijn lastig voor den mond van een Normandischen ridder, en zij ruiken, als het ware, naar spek. Geef mij eene flesch wijn, om, zooals onze goede Prins Jan zei, den smaak af te spoelen,--zet er een in de wapenkamer, en breng de gevangenen er ook heen."

Men gehoorzaamde aan zijne bevelen, en, toen hij in het Gothische vertrek trad, dat behangen was met een menigte tropeeën, door zijne eigene dapperheid en die zijns vaders veroverd, vond hij een beker wijn op de zwarte eiken tafel, en de twee Saksische gevangenen bewaakt door vier zijner vazallen. Front-de-Boeuf nam eene groote teug wijns, en wendde zich hierop tot zijne gevangenen. Want de wijze, waarop Wamba de kap over zijn gezicht getrokken had, de verandering van kleeding, het sombere, flauwe licht, en de oppervlakkige kennis, die de Baron van Cedric's gelaatstrekken had (want deze vermeed zijne Normandische naburen en kwam zelden buiten de grenzen van zijn eigen gebied), beletten hem te ontdekken, dat de voornaamste zijner gevangenen ontsnapt was.

"Welnu, gij Engelsche helden," zei Front-de-Boeuf, "hoe bevalt u het onthaal te Torquilstone?--Ziet gij nu in, wat de onbeschaamdheid en verwaandheid van spotternijen te verkoopen op een maaltijd bij een vorst uit het huis van Anjou, u op den hals hebben gehaald?--Hebt gij vergeten, hoe gij de onverdiende gastvrijheid van den koninklijken Prins Jan vergolden hebt? Bij God en St. Denis! zoo gij niet een zwaar losgeld betaalt, zal ik u bij de voeten ophangen aan de ijzeren staven dezer vensters, tot de gieren en raven u tot geraamten gemaakt hebben! Spreekt, gij Saksische honden,--wat biedt gij voor uw nietswaardig leven?--Wat zegt gij, Rotherwood?"

"Geen duit, voor mijn deel," antwoordde de arme Wamba,--"en wat het ophangen bij de voeten betreft, mijn hoofd is, zooals men zegt, reeds ten onderste boven gekeerd, sedert ik de eerste kindermuts op kreeg; dus zal het misschien weder terecht komen, als men mij bij de beenen ophangt."

"Heilige Genoveva!" riep Front-de-Boeuf, "wie is dat?"

En met den rug zijner hand sloeg hij den nar Cedric's kap van het hoofd, en zijn kraag openende, zag hij het noodlottig teeken der slavernij, den koperen halsband.

"Gillis,--Clement,--honden, slaven!" schreeuwde de woedende Normandiër, "wien hebt gij mij hier gebracht?"

"Ik geloof, dat ik het u zeggen kan!" zei De Bracy, die juist binnentrad. "Dit is Cedric's nar, die eene zoo dappere schermutseling had met Izaäk van York, over den voorrang."

"Ik zal het voor beiden vereffenen," hernam Front-de-Boeuf; "zij zullen aan dezelfde galg hangen, tenzij zijn meester en dit wild zwijn van Coningsburgh terdege voor hun leven betalen. Hun rijkdom is het minste, dat zij kunnen afstaan; zij moeten ook dien zwerm wegvoeren, welke het kasteel omringt, een gerechtelijken afstand van hunne vrijheden onderteekenen, en als leenmannen en vazallen onder ons leven; gelukkig nog mogen zij zich heeten, zoo wij hen, in den nieuwen staat van zaken, die nu begint, het vrije ademhalen vergunnen.--Gaat," zei hij tot twee der wachters, "haalt den echten Cedric, en ik vergeef u uwe dwaling voor ditmaal, te eerder, omdat het niet onnatuurlijk is een gek voor een Saksischen _Franklin_ te houden."

"Och!" zei Wamba, "de edele heer zal ondervinden, dat er meer gekken dan _Franklins_ onder ons zijn."

"Wat meent die schurk?" zei Front-de-Boeuf, zijne lieden aanziende, die dralende en stamelende te kennen gaven, dat zoo dit Cedric niet was, die voor hem stond, zij niet wisten wat er van hem geworden was.

"Bij alle heiligen des hemels!" riep De Bracy uit: "hij moet in het monniksgewaad ontsnapt zijn!"

"Bij alle duivels der hel!" schreeuwde Front-de-Boeuf, "het was dus het zwijn van Rotherwood, dat ik naar de achterpoort heb gebracht en met eigene hand uitgelaten! En gij," zei hij tot Wamba, "wiens gekheid de wijsheid van nog grootere domkoppen, dan gij zelf zijt, gefopt heeft,--ik zal u tot priester wijden.--Ik zal u de kruin doen scheren.--Hier, scheurt hem het vel van het hoofd, en smijt hem dan boven van de muren af.--Het schertsen is uw ambt; kunt gij nu schertsen?"

"Gij behandelt mij beter, dan gij beloofdet, edele ridder," stamelde de arme Wamba, wiens gewoonte van schertsen zelfs niet door het onmiddellijke vooruitzicht van den dood kon overwonnen worden. "Zoo gij mij de roode muts geeft, die gij mij belooft, zult gij mij van een eenvoudigen monnik tot den rang van kardinaal verheffen."

"De arme schelm," zei De Bracy, "heeft besloten, tot het laatste toe zijne rol vol te houden. Front-de-Boeuf, gij zult hem niet dooden. Schenk hem aan mij, om mijne krijgsbende te vermaken.--Wat zegt gij, schurk? Wilt gij pardon hebben en met mij te velde trekken?"

"Ja, met mijns meesters verlof; want ziet gij, ik kan mijn halsband zonder zijne toestemming niet afdoen," antwoordde Wamba.

"O, een Normandische zaag zal weldra een Saksischen halsband losgemaakt hebben!" zei De Bracy.

"Ja, edele heer," hernam Wamba, "en van daar komt het spreekwoord:

Normandische zegen op Engelands boom, Om Engelands hals een Normandische toom, Normandische lepels in Engelsche spijs, En Eng'land beheerscht op Normandische wijs;-- Geen vreugde bestaat meer in Eng'land gewis, Vóórdat dit viertal verdwenen is."

"Gij doet wel, De Bracy," zei Front-de-Boeuf; "met hier naar het gesnap van een nar te luisteren, terwijl de ondergang ons van buiten dreigt. Ziet gij niet, dat men ons gefopt heeft, en dat ons plan om onze vrienden met onzen toestand bekend te maken, juist door dezen nar verijdeld is, dien gij zoo broederlijk behandelt? Wat hebben wij anders te verwachten, dan eene oogenblikkelijke bestorming?"

"Naar de muren dan," riep De Bracy; "wanneer hebt gij mij ooit ernstig gestemd gezien door de verwachting van een gevecht? Roep den Tempelier, en laat hem maar half zoo goed voor zijn leven vechten, als hij voor zijn orde gedaan heeft;--snel zelf naar de muren, met uw reusachtig lichaam; ik zal ook mijn best doen, en ik zeg u, dat die Saksische roovers evengoed beproeven konden de wolken, als het kasteel van Torquilstone te bestormen. Zoo gij echter met de bandieten in onderhandeling wilt treden, waarom gebruikt gij daartoe niet de bemiddeling van dezen waardigen _Franklin_, die in een zoo ernstige beschouwing der wijnflesch verdiept staat? Hier, Sakser," vervolgde hij, zich tot Athelstane wendende, en hem den beker overhandigende, "spoel u de keel eens af met dezen edelen drank, en wek uwe ziel op, om te zeggen, wat gij voor uwe vrijheid over hebt."

"Alles waarover een sterveling beschikken kan," antwoordde Athelstane, "alles, dat een man van eer past! Laat mij met mijne makkers aftrekken, en ik zal een losgeld van duizend mark betalen."

"En gij zult ons daarenboven instaan voor den aftocht van dat uitvaagsel des menschdoms, dat rondom het kasteel zwerft, evenzeer tegen God als den Prins zondigende!" zei Front-de-Boeuf.

"Voor zoover ik kan," hernam Athelstane, "zal ik hen doen vertrekken; en ik twijfel niet, of vader Cedric zal zijn best doen, om mij bij te staan."

"Wij zijn het dus eens," zei Front-de-Boeuf,--"gij zult met hen in vrijheid gesteld worden, en er zal van weerskanten vrede zijn, tegen uitbetaling van duizend mark. Het is een gering losgeld, Sakser, en gij moet dankbaar zijn, voor mijne gematigdheid, daar ik zoo weinig voor uw bevrijding aanneem. Maar let wel op, dit strekt zich niet uit tot den Jood Izaäk."

"Noch tot de dochter van den Jood Izaäk!" zei de Tempelier, die zich nu bij hen gevoegd had.

"Geen van beiden," zei Front-de-Boeuf, "behoort tot het gezelschap van dezen Sakser."

"Ik ware onwaardig een Christen genoemd te worden, zoo dat het geval was," hernam Athelstane; "handel met die ongeloovigen, naar verkiezing."

"Evenmin is Jonkvrouw Rowena onder dit losgeld begrepen," zei De Bracy. "Men zal nooit zeggen, dat men mij mijnen schoonen buit, zonder slag of stoot, ontnomen heeft."

"Ook betreft onze overeenkomst dezen ellendigen nar niet, dien ik terughoud, om hem tot voorbeeld te doen strekken voor iederen schelm, die uit scherts ernst wil maken," zei Front-de-Boeuf.

"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Athelstane, met een onverschrokken gelaat, "is mijne verloofde bruid. Ik zal mij eerder door wilde paarden vaneen laten scheuren, dan er in toestemmen van haar te scheiden. De slaaf Wamba heeft heden het leven van vader Cedric gered.--Ik wil het mijne verliezen, eer een haar van heur hoofd te laten krenken."

"Uwe verloofde bruid?--Jonkvrouw Rowena de verloofde bruid van een vazal, zooals gij?" riep De Bracy uit. "Sakser, gij verbeeldt u, dat de dagen der zeven koninkrijken teruggekeerd zijn. Ik zeg u, de vorsten van het huis van Anjou schenken hunne pupillen niet aan mannen van uwe afkomst."

"Mijne afkomst, trotsche Normandiër," hernam Athelstane, "spruit uit een zuiverder en edeler bron, dan die van een Franschen bedelaar, die zijn leven onderhoudt door het bloed der schelmen te verkoopen, die hij onder zijn armzalig vaandel verzamelt. Mijne voorouders waren koningen, dapper in den strijd, en wijs in den raad, die iederen dag meer menschen in hunne zalen hadden, dan gij aanhangers telt; wier namen door minnezangers zijn vereeuwigd, en wier wetten door _Wittenagemotes_ aangenomen zijn;--wier gebeente onder het gebed van heiligen is begraven, en boven wier graven kerken gebouwd zijn."

"Daar hebt gij het, De Bracy," zei Front-de-Boeuf, zeer tevreden over het trotsche antwoord, dat zijn makker ontvangen had; "de Sakser heeft u geraakt."

"Dat staat een gevangene vrij," zei De Bracy, met schijnbare onverschilligheid; "want hij, wiens handen gebonden zijn, moet ten minste zijn tong kunnen roeren.--Maar uw hoogmoedige taal, kameraad," voegde hij er bij, zich tot Athelstane keerende, "zal Rowena's bevrijding niet bewerken."

Hierop gaf Athelstane, die reeds langer gesproken had, dan zijn gewoonte was, al ware het ook over het belangrijkste onderwerp, geen antwoord. Het gesprek werd afgebroken door de komst van een dienaar, die meldde, dat een monnik aan de achterpoort stond, en wenschte binnengelaten te worden.

"In den naam van den heiligen Benedictus, den vorst van deze bedelaars," riep Front-de-Boeuf uit, "is dit nu een echte monnik, of weder een bedrieger? Doorzoekt hem, slaven; want zoo gij u weer een valschen priester laat opdringen, zal ik u de oogen laten uitsteken, en gloeiende kolen in de holten doen!"

"Ik onderwerp mij aan uw toorn, gestrenge heer," zei Gilles, "als dit geen echte kaalkop is. Uw schildknaap Jocelijn kent hem wel, en wil er voor instaan, dat het broeder Ambrosius is, een monnik uit het gevolg van den Prior van Jorvaulx."

"Laat hem binnen," zei Front-de-Boeuf, "waarschijnlijk brengt hij ons tijding van zijn gelukkigen meester. Zeker viert de duivel kermis, en zijn de priesters vrij van dienst, dat zij zoo in het wild door het land zwerven. Breng deze gevangenen weg; en Sakser, overweeg, wat gij gehoord hebt."

"Ik eisch," hernam Athelstane, "eene eervolle gevangenschap, met behoorlijke zorg voor tafel en bed, zooals mijn rang en een ridder toekomt, die omtrent zijn losgeld onderhandelt. Daarenboven houd ik dengene, die zich voor den besten van ulieden houdt, voor verplicht, om mij later rekenschap te geven voor deze aanranding mijner vrijheid. Deze uitdaging is u reeds door den huis-hofmeester toegezonden; gij hebt ze ontvangen, en gij moet mij er op antwoorden. Daar ligt mijn handschoen!"

"Ik beantwoord de uitdaging van mijn gevangene niet," hernam Front-de-Boeuf, "en gij zult dit evenmin doen, Maurice De Bracy. Gilles," ging hij voort; "hang des _Franklins_ handschoen op de takken van gindschen hoorn; daar zal hij blijven hangen, tot zijn eigenaar in vrijheid is. Als hij dien dan durft terugeischen, of zeggen, dat hij op een onwettige wijze mijn gevangene geworden is, bij den gordel van St. Christophorus, hij zal met iemand te doen krijgen, die nooit geaarzeld heeft een vijand onder de oogen te zien, hetzij te voet, of te paard, alleen of met zijne vazallen!"

De Saksische gevangenen werden nu weggebracht, juist toen men den monnik Ambrosius binnenliet, die zeer ontsteld scheen te zijn.

"Dit is de ware _Deus vobiscum_," zei Wamba, toen hij den eerwaarden broeder voorbij ging, "de anderen waren slechts namaaksels."

"Heilige Moeder!" riep de monnik, de vergaderde ridders aansprekende, "eindelijk ben ik in veiligheid!--onder Christelijke bescherming!"

"Veilig zijt ge," hervatte De Bracy, "en wat het Christelijke uwer bescherming betreft, hier staat de dappere Reginald Front-de-Boeuf, wiens grootste afschrik een Jood is, en de heldhaftige ridder en Tempelier, Brian De Bois-Guilbert, wiens roeping het is, Saracenen om te brengen.--Zoo dit geen voldoende blijken van Christendom zijn, dan ken ik er geen andere, waarop ze aanspraak kunnen maken."

"Ge zijt vrienden en bondgenooten van onzen eerwaarden vader in God, Aymer, Prior van Jorvaulx," hernam de monnik, zonder acht te slaan op den toon van De Bracy's antwoord; "ge zijt hem hulp verschuldigd, zoowel wegens uw gelofte als ridders, als uit Christelijke liefde.--Want wat zegt de gezegende St. Augustinus in zijn verhandeling _De Civitate Dei_,--"

"Wat zegt de duivel!" viel Front-de-Boeuf hem in de rede, "of liever, wat zegt ge, heer priester? Wij hebben weinig tijd, om teksten uit de heilige Kerkvaders te hooren."

"_Sancta Maria!_" riep vader Ambrosius, "hoe doldriftig zijn deze onheilige leeken!--Maar verneemt, dappere ridders, dat zekere moorddadige schurken, alle vrees voor God, en allen eerbied voor de Kerk verzakende, en zonder acht te geven op de bul van den heiligen Vader, _Si quis suadente Diabolo_,--"

"Priester," zei de Tempelier, "dit alles weten wij, of kunnen het wel raden.--Zeg ons ronduit, is uw meester, de Prior, gevangen genomen en door wien?"

"Voorzeker," antwoordde Ambrosius, "hij is in handen der Belials-kinderen, der roovers in deze bosschen en der overtreders van den heiligen tekst: "slaat de handen niet aan mijn gezalfden, en doet mijn profeten geen leed!"

"Hier is eene nieuwe opwekking tot den strijd, Heeren," zei Front-de-Boeuf, zich tot zijn makkers wendende; "dus, in plaats van ons hulp te bieden, vraagt de Prior van Jorvaulx bijstand van ons? Zoo wordt men door deze luie geestelijken geholpen, als men hen het meest noodig heeft! Maar zeg, priester, wat verwacht uw heer van ons?"

"Och!" zei Ambrosius, "men heeft de hand aan den eerwaarden Prior geslagen, strijdig met het heilig gebod, dat ik reeds aangehaald heb, en die Belials-kinderen hebben zijn valiezen en bagage uitgeplunderd, en van tweehonderd mark fijn goud beroofd, daarenboven, vorderen ze nog eene aanzienlijke som, eer ze hem uit hun onheilige handen willen ontslaan. Daarom smeekt u de eerwaarde vader in God, als zijne dierbare vrienden, om hem te verlossen, hetzij door het losgeld te betalen, dat voor hem geëischt wordt, hetzij door hem met geweld te bevrijden, zooals ge verkiest."

"De duivel hale den Prior!" riep Front-de-Boeuf; "hij moet heden reeds menigen beker geledigd hebben. Wanneer heeft uw meester ooit van een Normandischen Baron hooren spreken, die zijne beurs opende om een priester te helpen, daar de geldzakken der geestelijkheid tienmaal zoo zwaar zijn als de onzen? En hoe zouden wij hem met geweld bevrijden, daar wij hier door een getal, tienmaal grooter dan het onze, zijn ingesloten, en ieder oogenblik de bestorming verwachten?"

"En dit wilde ik u juist zeggen," zei de monnik, "indien gij mij in uwe drift hadt laten uitspreken. Maar, God sta mij bij!--ik ben een grijsaard, en dit schandelijk krijgsgewoel verwart het verstand van een oud man. Niettemin is het waar, dat ze een kamp opslaan, en een wal oprichten onder de muren van dit kasteel."

"Naar de wallen dan!" riep De Bracy, "en laat ons zien, wat de schurken doen!" en dit zeggende opende hij een tralie-venster, dat naar een soort van vooruitstekend balkon leidde, en riep oogenblikkelijk hen, die in de kamer waren, toe: "Bij St. Denis! de oude monnik spreekt de waarheid! Ze brengen schermdaken en breede schilden aan; de schutters vergaderen langs den zoom van het bosch; als zwarte wolken voor een hagelbui."

Reginald Front-de-Boeuf keek ook naar buiten, en greep naar zijn horen: en na lang en luid geblazen te hebben, beval hij zijne manschappen, om hun posten op de wallen te bezetten. "De Bracy, zie gij toe op den oostkant, waar de muur het laagste is.--Edele Bois-Guilbert, uw beroep heeft u wel geleerd, hoe ge aanvallen en verdedigen moet; blijf gij aan den westkant.--Ik zelf zal op het bruggenhoofd post vatten. Evenwel bepaalt uwe werkzaamheid niet tot één punt, edele vrienden! wij moeten heden overal zijn, en ons als het ware vermenigvuldigen, om door onze alomtegenwoordigheid hulp en ondersteuning te bieden, daar waar de aanval het heetste is. Ons getal is klein, maar ijver en moed kunnen in dit gebrek voorzien, daar wij slechts met schurken en boeren te doen hebben."

"Maar, edele ridders," riep vader Ambrosius tusschen het gedruisch en de verwarring, welke de toebereidselen ter verdediging veroorzaakten, "wil geen uwer op de boodschap antwoorden van den eerwaarden vader in God, Aymer, Prior van Jorvaulx?--Ik bid u, mij aan te hooren, edele ridders!"

"Ga, wend u met uw verzoek tot den hemel," hernam de woeste Normandiër, "want wij, hier op aarde, hebben geen tijd om naar u te luisteren.--Hola, Anselmus! zorg, dat er kokende pik en olie in gereedheid zijn, om op de hoofden van die vermetele verraders te gieten. Zie toe, dat de arm-boogschutters geen gebrek aan schichten hebben.--Laat mijne oude banier met den stierenkop hijschen;--die schurken zullen weldra zien met wien ze heden te doen hebben!"

"Maar, edele Heer," vervolgde de monnik, volhardende in zijne pogingen om gehoor te vinden; "denk aan mijne gelofte van gehoorzaamheid, en laat mij de bevelen van mijn overheid volvoeren!"

"Weg met dezen praatzieken domoor!" zei Front-de-Boeuf; "sluit hem in de kapel op, om zijn rozekrans te bidden, totdat het gevecht gedaan is. Het zal iets nieuws voor de heiligen in Torquilstone zijn, om _ave's_ en _paternosters_ te hooren; ze zijn, naar ik weet, niet zoo vereerd geworden, sedert ze uit steen gehouwen zijn."

"Laster de heiligen niet, ridder," zei De Bracy, "wij zullen heden hunne hulp noodig hebben, eer die rooverbende verdreven is."

"Ik verwacht weinig hulp van dien kant," hernam Front-de-Boeuf, "tenzij wij hen van de borstwering op de hoofden dier schelmen neêrwerpen. Er is een reusachtige St. Christophorus bij, zwaar genoeg om een geheele compagnie te verpletteren."

De Tempelier had intusschen uitgezien naar de bewegingen der belegeraars, met wat meer oplettendheid dan de woeste Front-de-Boeuf en zijn luchtige makker. "Op mijn woord," zei hij, "deze kerels naderen met meer verstand, dan men zou verwacht hebben, hoe ze er dan ook aankomen. Zie, hoe behendig ze van iederen boom en struik gebruik maken, om zich te dekken, en zich wachten, zich aan onze schutters bloot te geven! Ik zie banier noch vaandel onder hen, en toch wil ik mijn gouden keten verwedden, dat ze aangevoerd worden door eenig edelen ridder, of heer, die in de krijgskunst ervaren is."

"Ik zie hem reeds," riep De Bracy uit, "ik zie een vederbos van een ridder wapperen, en zijn glinsterende wapenrusting. Zie ginds dien grooten man, in het zwarte harnas, die het achterste gelid van die schurken opstelt.--Bij St. Denis, ik geloof, dat het dezelfde is, dien wij _Le Noir Fainéant_ noemden, en die u, Front-de-Boeuf, in het strijdperk van Ashby, ter neder sloeg."

"Des te beter," hernam Front-de-Boeuf, "dat hij hier komt, om mij gelegenheid tot wraak te geven. Het moet de een of ander misdadige zijn, daar hij den toernooiprijs, welken het toeval hem geschonken had, niet durfde vorderen. Ik zou hem zeker te vergeefs gezocht hebben, waar ridders en edelen hunne vijanden zoeken, en ik ben blijde, dat hij zich hier onder het gemeene volk vertoont."

De bewegingen van den vijand, die een onmiddellijken aanval deden vooruit zien, braken het gesprek af. Ieder ridder begaf zich op zijn post, en aan het hoofd van het klein getal volgelingen, die ze bijeen konden brengen, en welke niet toereikend waren, om de geheele uitgestrektheid der muren te bezetten, wachtten ze, met bedaarde vastberadenheid, de dreigende bestorming af.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit zwervend volk, van andren afgezonderd, Stoft op zijn dieper kennis der natuur; De zeeën, wouden, velden, waar zij toeven, Zien hen bekend met hun verborgen schatten: Geringe kruiden, bloemen, bloesems spreiden, Door hen verzameld, ongekende krachten.

De Jood.

Onze geschiedenis moet noodzakelijk eenige bladzijden terug gaan, om den lezer van zekere voorvallen te onderrichten, welker kennis vereischt is tot het verder begrijpen van dit belangrijk verhaal. Hij zal wel van zelf begrepen hebben, dat, toen Ivanhoe in zwijm viel en door iedereen verlaten scheen, Rebekka door haar dringende beden haar vader overhaalde den dapperen jongen krijgsman uit het strijdperk naar het huis te laten brengen, dat de Joden tijdelijk in een der voorsteden van Ashby bewoonden. Het zou ook in andere omstandigheden niet moeielijk geweest zijn, om Izaäk tot dezen stap te overreden, want hij was van inborst goedaardig en dankbaar. Maar hij bezat ook de vooroordeelen en schroomvallige vreesachtigheid aan zijn vervolgd volk eigen, en deze moesten overwonnen worden.

"Heilige Abraham!" riep hij uit, "het is een goed jongeling, het snijdt mij door het hart, als ik zie, hoe het bloed over zijn rijk geborduurde kraag en zijne kostbare wapenrusting vloeit.--Maar hem in ons huis te brengen, meisje, hebt gij daar wel over nagedacht?--Hij is een Christen, en naar onze wet mogen wij met den vreemdeling en den Heiden niet anders verkeeren, dan om den wille van den handel."

"Zeg dat niet, lieve vader," hernam Rebekka; "wij mogen ons, wel is waar, niet onder hen mengen bij gastmalen en vroolijkheid; maar in ongeluk en ellende wordt de Heiden des Joden broeder."

"Ik zou wel eens willen weten, wat de Rabbi Jacob Ben Tudela er van zeggen zou?" hervatte Izaäk;--"echter moet de goede jongeling niet dood bloeden. Seth en Ruben kunnen hem naar Ashby dragen."

"Neen," zei Rebekka; "laten zij hem in mijn draagstoel leggen; ik zal een der rijpaarden bestijgen."

"Dan zoudt gij u immers blootstellen aan de onbeschaamde oogen van die honden van Ismaël en Edom," fluisterde Izaäk, met een achterdochtigen blik op de menigte ridders en knapen. Maar Rebekka was reeds bezig, met haar liefderijk voornemen ten uitvoer te brengen, en luisterde niet naar hetgeen hij zei, totdat Izaäk, haar bij den slip van den mantel grijpende, weder met een benauwde stem uitriep: "Bij Aärons baard!--als de jongeling sterft--als hij in onze bewaring sterft, zullen wij dan niet voor schuldig aan zijn dood gehouden, en door de menigte verscheurd worden?"

"Hij zal niet sterven, vader," zei Rebekka, zich zachtjes van Izaäk losmakende; "hij zal niet sterven, als wij hem niet verlaten, en als wij dat doen, dan zijn wij inderdaad aan God en de menschen rekenschap voor zijn bloed verschuldigd."