Chapter 25
"Hoe ellendige!" zei zij tegen de vrouw, welke gesproken had; "Is het op deze wijze, dat gij de goedheid vergeldt, waarmede ik u vergunde, uw gevangenis te verlaten?--Dwingt gij den eerwaarden man, een onvriendelijke taal te gebruiken, om zich van de onbeschaamdheid eener Jodin te bevrijden?"
"Eene Jodin!" riep Cedric, zich van deze gelegenheid bedienende om zich van haar te ontslaan, "Laat mij voorbij, vrouw! houd mij niet op, zoo u het leven lief is! Ik kom zoo regelrecht van mijn heilig ambt, en wenschte bezoedeling te vermijden."
"Volg mij maar, vader," zei de oude heks, "gij zijt vreemd in dit kasteel, en kunt er zonder gids niet uitkomen.--Kom hierheen, want ik moet u spreken.--En gij, kind van een vervloekten stam, ga naar de kamer van den zieke, en verpleeg hem tot mijne terugkomst; het zal u duur te staan komen, zoo gij hem weder zonder mijn verlof verlaat!"
Rebekka vertrok. Hare dringende gebeden hadden Urfried overgehaald haar te vergunnen, den toren te verlaten, en Urfried had haar gebruikt om den gewonden Ivanhoe op te passen, wien zij nu van ganscher harte haar dienst bewees. Met een verstand, dat hun gevaarlijken toestand goed begreep, en zich vaardig van ieder middel tot redding wist te bedienen, had Rebekka iets goeds gehoopt van de tegenwoordigheid van een geestelijke, die, zooals zij van Urfried gehoord had, in dit goddeloos kasteel doorgedrongen was. Zij wachtte op de terugkomst van den monnik, met het voornemen, om hem aan te spreken, en bij hem belangstelling voor de gevangenen te verwekken. De lezer heeft zoo even vernomen, hoe slecht zij slaagde.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Wat weegt, Ellendige! u op 't hart, Dan euveldaân, berouw en smart? Gij kent uw lot, uw schuld is klaar, Maar kom, 't verhaal, begin het maar! -- -- -- -- -- -- -- -- -- Mij snijden andre bitterheên En wreeder smart de ziele door, Tot haar vertroosting, 'k bid u, leen Mijn droefheid een gewillig oor; En zoo me in u geen vriend verscheen, Die hulpe biedt, ten minste hoor!
Crabbe.
Nadat Urfried door geschreeuw en bedreigingen Rebekka naar de kamer terug gedreven had, welke pas door haar verlaten was, geleidde zij Cedric, tegen wil en dank, in een klein vertrek, waarvan zij de deur zorgvuldig achter zich toesloot. Hierop, na uit een kast een wijnbeker en twee flesschen gekregen te hebben, zette zij ze op tafel, en zei op vasten, volstrekt niet vragenden toon: "Gij zijt een Sakser, vader! Ontken het niet," ging zij voort, bespeurende, dat Cedric zich niet haastte om te antwoorden; "de klanken mijner moedertaal zijn mij aangenaam, ofschoon ik ze zelden anders hoor, dan uit den mond van de ellendige, verachtelijke slaven, wien de trotsche Normandiërs het zwaarste en laagste werk in dit kasteel opleggen. Gij zijt een Sakser, vader,--een Sakser, en bovendien een dienaar Gods, een vrij man--Uw woorden klinken aangenaam in mijn ooren!"
"Bezoeken dan geen Saksische priesters dit kasteel?" hernam Cedric; "Het ware, dunkt mij, hunne plicht, de verworpelingen en onderdrukten onder de kinderen des lands te troosten."
"Zij komen niet,--of zoo zij komen, zwelgen zij liever aan de tafels hunner onderdrukkers," antwoordde Urfried, "dan het gezucht hunner landslieden aan te hooren; zoo luidt ten minste het gerucht; ik, voor mij, weet er weinig van. Dit kasteel heeft, sedert tien jaren, alleen opengestaan voor den losbandigen Normandischen kapelaan, die de nachtelijke zwelgerijen van Front-de-Boeuf deelde, en hij is reeds lang heengegaan, om rekenschap van zijn ambt te geven. Maar gij zijt een Sakser,--een Saksisch priester, en ik heb u eene vraag te doen."
"Ik ben een Sakser," antwoordde Cedric, "maar den naam van priester geheel en al onwaardig. Laat mij gaan.--Ik zweer u, dat ik terug zal komen, of een van onze priesters zenden, die waardiger is dan ik, om uwe biecht aan te hooren."
"Wacht nog een oogenblik," zei Urfried, "de stem, welke gij nu hoort, zal weldra onder de koude aarde verstommen, en ik wilde niet gaarne in het graf nederdalen in den dierlijken toestand, waarin ik geleefd heb. Maar wijn moet mij de kracht geven, om mijn ijselijk verhaal te doen."
Zij schonk een beker vol, en ledigde dien met een walgelijke gulzigheid, alsof zij er geen droppel in wilde overlaten. "Dit verstompt het gevoel", zei zij, opziende, toen zij den beker geledigd had; "maar het kan mij niet opvroolijken.--Drink met mij, vader, zoo gij mijn verhaal wilt hooren, zonder daarbij in onmacht te zinken." Cedric zou er zich gaarne van hebben willen ontslaan, om haar bescheid te doen bij deze onheilspellende gastvrijheid; maar de wenk, dien zij hem gaf, drukte ongeduld en wanhoop uit. Hij bewilligde in haar verzoek, en beantwoordde hare uitnoodiging door een vollen beker te ledigen. Hierop begon zij haar verhaal, alsof zijne inschikkelijkheid haar bevredigd had.
"Ik ben niet zulk een rampzalig schepsel geboren, als gij mij thans ziet, eerwaarde vader," zei zij. "Ik was vrij, gelukkig, geëerd;--ik beminde, en werd weder bemind. Ik ben nu een slavin, ellendig en ontaard,--de speelbal der driften mijner meesters, toen ik nog schoonheid bezat,--het voorwerp hunner verachting en van hun smaad en haat, sedert mijne bekoorlijkheden verdwenen zijn.--Verwondert het u, vader, dat ik het menschdom haat, en bovenal het ras, dat deze verandering in mij heeft te weeg gebracht? Kan het gerimpeld, vernederd wezen, dat vóór u staat, welks woede zich in onmachtige vervloekingen ontlast, vergeten, dat zij de dochter is van den edelen _Thane_ van Torquilstone, voor wiens macht duizend vazallen sidderden?"
"Gij de dochter van Torquil Wolfganger!" riep Cedric, terugdeinzende, "gij,--gij,--de dochter van dien edelen Sakser, mijns vaders vriend en wapenbroeder!"
"Uws vaders vriend!" herhaalde Urfried; "dan staat Cedric, bijgenaamd de Sakser, vóór mij, want de edele Hereward van Rotherwood had maar één zoon, wiens naam onder zijn landgenooten wèlbekend is. Maar zoo gij Cedric van Rotherwood zijt, waartoe dit geestelijk gewaad?--Wanhoopt gij ook al aan de verlossing van uw vaderland, en hebt gij in de schuilhoeken van een klooster bescherming gezocht tegen de onderdrukking?"
"Het is onverschillig, wie ik ben," hernam Cedric; "ga voort, ongelukkige, met uw verhaal van gruwelen en schuld.--Want schuld moet er onder begrepen zijn;--het is eene misdaad reeds, dat gij nog leeft, om het te verhalen!"
"Zoo is het!--Zoo is het!" antwoordde de ellendige: "eene diepe, zwarte, verdoemelijke misdaad;--eene misdaad van welke het vagevuur hiernamaals mij niet zuiveren kan.--Ja, in deze zalen, bevlekt met het edele bloed van mijn vader en van mijne broeders;--in deze zelfde vertrekken, als de bijzit van hun moordenaar, als zijne slavin en tegelijk als de deelgenoote zijner vermaken geleefd te hebben, moest iederen ademtocht voor mij tot eene misdaad en een vloek maken."
"Ellendige!" riep Cedric. "En terwijl uws vaders vrienden--want ieder oprecht Saksisch hart, als het voor de rust van zijne ziel en die zijner dappere zonen bad, vergat in zijn gebeden ook de vermoorde Ulrica niet,--terwijl allen de doode betreurden en vereerden, hebt gij geleefd, om onzen haat en onze verachting te verdienen,--geleefd, om u met den verraderlijken tiran te verbinden, die alles vermoord had, wat u het naaste en dierbaarste was;--die het bloed van kinderen vergoot, liever dan één mannelijken erfgenaam van het edele huis van Torquil Wolfganger in het leven te laten;--met hem hebt gij u vereenigd,--met hem in de banden van onwettige liefde geleefd!"
"In onwettige banden wel, maar niet in die der liefde," antwoordde de oude; "de liefde zal eerder de verblijven der eeuwige verdoemenis bezoeken, dan dit goddelooze kasteel.--Neen, dat behoef ik mij ten minste niet te verwijten;--haat tegen Front-de-Boeuf en zijn geslacht heerschte steeds in mijne ziel, zelfs te midden zijner misdadige liefkoozingen!"
"Gij haattet hem, en toch bleeft gij leven!" hernam Cedric. "Ellendige! was er geen dolk,--geen mes,--geen haarnaald? Gelukkig voor u, daar gij zulk een bestaan op prijs steldet, dat de geheimen van een Normandisch kasteel even verborgen zijn, als die van het graf. Want, had ik slechts kunnen droomen, dat de dochter van Torquil in schandelijke gemeenschap met den moordenaar van haar vader leefde, dan zou het staal van een oprechten Sakser u zelfs in de armen van uw minnaar getroffen hebben!"
"Zoudt gij inderdaad deze gerechtigheid aan Torquils naam hebben laten wedervaren?" zei Ulrica; want wij behoeven nu haar aangenomen naam van Urfried niet meer te gebruiken; "dan zijt gij inderdaad de oprechte Sakser, voor wien men u houdt; want zelfs binnen deze vervloekte muren, waar, zooals ge terecht zegt, de misdaad achter een ondoordringbaren sluier verborgen is, zelfs hier heeft de naam van Cedric weêrgalmd,--en ik, hoe ellendig en verlaagd, heb mij verheugd in de gedachte, dat er nog één wreker van ons ongelukkig volk leefde.--Ik heb ook mijne ure van wraak gehad.--Ik heb de twisten onzer vijanden aangestookt, en dronkenschap en zwelgerij in woedenden moordlust doen overgaan.--Ik heb hun bloed zien stroomen.--Ik heb hun stervend gerochel gehoord! Zie mij aan, Cedric.--Zijn er op dit verwelkt, verbleekt aangezicht niet eenige sporen van Torquils gelaatstrekken achtergebleven?"
"Vraag mij daarnaar niet, Ulrica," hervatte Cedric, op een toon, waarin smart met afschuw vermengd was; "deze sporen laten zulk een overeenkomst over, als die van iemand, die uit het graf verrezen is, als een booze geest het doode lichaam bezield heeft."
"Het zij zoo!" antwoordde Ulrica; "En evenwel droegen deze sombere trekken het masker van een geest des lichts, toen ze in staat waren, den ouden Front-de-Boeuf en zijn zoon Reginald op te hitsen. De duisternis der hel moest verbergen, wat er nu volgt; maar de wraak moet den sluier oplichten, en datgene in het verborgen fluisteren, wat de dooden uit het graf zou halen, als het met luide stem geopenbaard werd!--Lang had het vuur der oneenigheid tusschen den wreeden vader en zijn woesten zoon onder de asch gesmeuld,--lang had ik, in het geheim, den onnatuurlijken haat aangestookt;--hij ontvlamde eindelijk in een uur van woeste dronkenschap, en aan zijn eigene tafel viel mijn onderdrukker door de hand van zijn eigen zoon! Dit zijn de geheimen, welke deze gewelven verbergen!--Stort in, vervloekte bogen," voegde ze er bij, naar boven ziende, "en begraaft onder uw puin allen, die het afschuwelijk geheim kennen!"
"En gij, misdadig en ellendig wezen," zei Cedric, "wat werd uw lot na den dood van den roover uwer eer?"
"Gis daarnaar, maar vraag het mij niet.--Hier,--hier woonde ik, totdat de ouderdom, een vroegtijdige ouderdom, zijne ijselijke sporen op mij drukte,--veracht en beschimpt, waar ik eens heerschte,--en gedwongen, om de wraak, welke eens een zoo ruim veld had, te bepalen tot het bestraffen der verachtelijke boosaardigheid van een ontevreden huisbediende, of tot de ijdele en nietsbeteekenende vervloekingen eener onmachtige oude vrouw;--veroordeeld, om van mijn eenzaam torentje het geraas der zwelgerij aan te hooren, waarin ik eens deelde, of het geschreeuw en het gekerm van nieuwe slachtoffers der onderdrukking."
"Ulrica," zei Cedric, "hoe durfdet ge, met een hart, dat, zooals ik vrees, het verloren loon zijner misdaden evenzeer betreurt als de schande, door welke het verkregen werd, u tot een man wenden, die dit kleed draagt? Bedenk, ongelukkige, wat zou de heilige Eduard zelf voor u kunnen doen, zoo hij in eigen persoon hier ware? De Koninklijke Belijder was door den Hemel begaafd met het vermogen om de zweren des lichaams te heelen, maar God alleen kan de melaatschheid der ziel genezen!"
"Ik bid u, wend u niet van mij af, strenge profeet des toorns," riep ze uit: "maar zeg mij, zoo ge kunt, wat beteekenen de nieuwe en ijzingwekkende gevoelens, welke in mijne eenzaamheid zich aan mij opdringen?--Waarom verrijzen daden, die sinds lang gepleegd zijn, met nieuwen en onweêrstaanbaren schrik voor mijn oogen? Welk lot verbeidt aan de overzijde des grafs haar, aan wie God hier op aarde een lot van zulke onuitsprekelijke ellende heeft opgelegd? Beter wendde ik mij tot Wodan, Hertha, en Zernebock,--tot Misto en Skogula, de Goden onzer nog ongedoopte voorvaders, dan de schrikkelijke angsten te lijden, welke mij sedert kort wakend en slapend vervolgd hebben."
"Ik ben geen priester," zei Cedric, zich met walging afkeerende van dit ellendige slachtoffer van schuld, ellende en wanhoop. "Ik ben geen priester, schoon ik het gewaad eens priesters draag."
"Priester, of leek," antwoordde Ulrica, "ge zijt de eerste, dien ik sedert twintig jaren zie, welke God vreest, of den mensch acht, en wilt ge mij aan de wanhoop overlaten?"
"Heb berouw," hernam Cedric. "Bid en doe boete, en ge zult gehoor vinden. Maar ik kan, ik wil niet langer bij u blijven."
"Toef nog één oogenblik," zei Ulrica; "verlaat mij thans niet; zoon van mijns vaders vriend, uit vrees, dat de booze geest, die mijn leven bestuurd heeft, mij mocht aandrijven, om mij over uw hardvochtigen smaad te wreken.--Denkt ge, dat, zoo Front-de-Boeuf Cedric den Sakser, in zulk eene vermomming, in zijn kasteel vond, uw leven van langen duur zou zijn? Reeds lang heeft hij het oog op u gehad, evenals een valk op zijn prooi."
"En al ware het zoo," zei Cedric, "dan verscheure hij mij met bek en klauwen, eer mijn mond één woord zegt, dat mijn hart niet waarborgt. Ik wil als Sakser sterven;--waar in woorden, open in daden.--Ik bid u, ga weg van mij!--Raak mij niet aan, houd mij niet op! Het gezicht van Front-de-Boeuf zelven is minder hatelijk voor mij, dan het uwe, vernederd en ontaard, gelijk ge zijt."
"Het zij zoo," hervatte Ulrica, hem niet langer ophoudende; "ga, en vergeet, in den hoogmoed van uwe meerderheid, dat het ellendige schepsel, dat voor u staat, de dochter van den vriend uws vaders is! Ga;--zoo mijn lijden mij van het menschdom scheidt,--mij scheidt van hen, wier hulp ik met recht kon verwachten:--dan zal mijne wraak mij niet minder van hen scheiden!--Geen mensch zal mij helpen; maar de ooren van alle menschen zullen weêrgalmen van de daad, die ik begaan zal!--Vaarwel!--Uwe verachting heeft den laatsten band verbroken, welke mij nog aan mijn evenmenschen scheen te verbinden:--de gedachte, dat mijn rampen medelijden bij mijn volk konden verwekken."
"Ulrica," zei Cedric, getroffen door deze woorden, "hebt gij den last des levens onder zoo vele misdaden en ellende gedragen, en wilt gij u nu aan de wanhoop overgeven, nu, dat uw oogen voor uwe misdaden geopend zijn, en dat het berouw uw hart alléén moest vervullen?"
"Cedric!" antwoordde Ulrica, "gij kent het menschelijk hart slecht. Om te handelen, gelijk ik gehandeld heb, om te denken, zooals ik gedacht heb, moet men bezield zijn met de tot razernij brengende liefde voor het genot, vermengd met een felle zucht naar wraak, en de trotsche bewustheid van macht; al te bedwelmende hartstochten, dan dat het menschelijke hart er weerstand aan zou kunnen bieden. Maar hun kracht is lang voorbij. De ouderdom heeft geene vermaken;--rimpels hebben geene macht;--de wraak zelve geeft zich lucht in ijdele verwenschingen. Dan komt de gewetensangst, met scherpen angel, vermengd met een ijdel verlangen naar het verledene, en met de wanhoop aan de toekomst! Dan, als alle andere machtige stemmen zwijgen, worden wij gelijk aan de booze geesten in de hel, die wel knaging van het geweten, maar nooit berouw kunnen gevoelen.--Maar uwe woorden hebben een nieuwen geest in mij doen ontwaken.--Terecht hebt gij gezegd, alles is mogelijk voor hen die sterven durven!--Gij hebt mij de middelen ter wraak aangewezen;--wees verzekerd, dat ik ze gebruiken zal. Deze drift heeft tot hiertoe de heerschappij in dit hart met andere even sterke driften gedeeld; van nu zal zij mij geheel bezielen, en gij zelf zult zeggen, dat, hoe ook het leven van Ulrica geweest zij, haar dood de dochter van den edelen Torquil waardig was. Er is onder de muren eene krijgsmacht, die dit vervloekt kasteel belegert,--haast u, ze ten aanval aan te voeren, en als gij een roode vlag ziet waaien van het torentje, op den oostelijken hoek van dezen kerker, val dan hevig op de Normandiërs aan;--dan zullen zij genoeg van binnen te doen hebben, en dan kunt gij de muren bestormen in weerwil van vijandigen boog en slinger.--Ga, bid ik u;--volg uw eigen lot, en laat mij aan het mijne over!"
Cedric wilde nader vernemen wat het oogmerk was, waarop zij zoo duister zinspeelde, maar hij hoorde de donderende stem van Front-de-Boeuf, die uitriep: "Waar blijft die trage priester? Bij den heiligen Jacobus van Compostella, ik zal hem tot een martelaar maken, zoo hij hier toeft, om verraad te stoken onder mijne bedienden."
"Welk een waar profeet is een boos geweten!" riep Ulrica. "Maar vrees niet:--snel naar buiten, naar uw volk.--Laat het Saksische veldgeschreeuw weêrgalmen, en laten zij hun krijgslied van Rollo zingen, als zij durven; de wraak zal er mede instemmen!"
Aldus sprekende, verdween ze door een geheime deur, en Reginald Front-de-Boeuf trad in het vertrek. Cedric dwong zich met eenige moeite, om een buiging voor den trotschen Baron te maken, die zijne begroeting met een knikje beantwoordde.
"Uwe boetelingen hebben veel te biechten gehad, vader,--des te beter voor hen; daar het de laatste maal is, dat ze er de gelegenheid toe zullen hebben. Hebt gij hen tot den dood voorbereid?"
"Ik vond hen," zeide Cedric, zoo goed als hij kon in het Fransch sprekende, "het ergste verwachtende, van het oogenblik af, dat ze wisten, in wiens macht ze gevallen waren."
"Hoe, heer monnik?" hernam Front-de-Boeuf, "uwe spraak, dunkt mij, verraadt een Saksische afkomst."
"Ik ben opgevoed in het klooster van St. Withold te Burton," antwoordde Cedric.
"Zoo?" zei de Baron; "Het ware beter voor u, zoo gij een Normandiër waart, en ook beter voor mijn oogmerk, maar in den nood moet men met iederen bode tevreden zijn. Dat klooster van St. Withold te Burton is een wespennest, dat gesloopt moest worden. Er zal weldra een tijd komen, dat het monniksgewaad den Sakser even weinig zal beschermen, als het harnas."
"Gods wil geschiede!" zei Cedric, met een stem bevende van toorn, hetgeen Front-de-Boeuf aan vrees toeschreef.
"Ik zie," zeide hij, "dat gij u reeds verbeeldt, dat onze gewapenden in uwe spijskamer en in uw bierkelder zijn. Maar bewijs mij een dienst, heilige man, en wat ook anderen moge overkomen, gij zult even veilig slapen in uw cel, als een slak in haar huisje."
"Beveel maar!" hernam Cedric met onderdrukte woede.
"Volg mij dan door deze gang, opdat ik u door het achterpoortje kan uitlaten."
En terwijl Front-de-Boeuf dus den gewaanden monnik vooruit ging, gaf hij hem te kennen welke rol hij spelen moest.
"Gij ziet, heer monnik, gindsche kudden Saksische zwijnen, die het gewaagd hebben dit kasteel van Torquilstone te omsingelen.--Zeg hun wat gij wilt van de zwakheid van deze vesting, of alles, wat hen gedurende vierentwintig uren hier kan ophouden. Breng intusschen dit briefje;--maar wacht eens:--kunt gij lezen, heer priester?"
"Geen letter," antwoordde Cedric, "behalve mijn gebeden; en de letters daarvan ken ik allen van buiten, geloofd zij de Heilige Maagd en St. Withold!"
"Een des te geschikter bode in dit geval!--Breng dit briefje naar het kasteel van Philip de Malvoisin, zeg, dat het van mij komt, en geschreven is door den Tempelier Brian De Bois-Guilbert, en dat ik hem verzoek het naar York te zenden, zoo schielijk als man en paard voort komen kunnen. Verzeker intusschen hem, dat hij ons gezond en wel achter onze verschansingen zal vinden.--Het is schande, dat wij aldus gedwongen zijn, ons schuil te houden voor een bende landloopers, die gewoon zijn reeds op het gezicht onzer banieren, of bij het gestamp onzer paarden, te vluchten! Ik zeg u, priester, bedenk eenige list, om die schurken te houden, waar zij nu zijn, tot onze vrienden hun manschappen bijeen hebben. Mijne wraakzucht is opgewekt, en evenals een valk, rust zij niet zonder verzadigd te zijn."
"Bij mijn beschermheilige," zei Cedric, met meer kracht dan aan zijn rol paste, "en bij alle heiligen, die ooit in Engeland geleefd hebben en gestorven zijn, uw bevelen zal men gehoorzamen! Geen Sakser zal van deze wallen wijken, zoo ik macht en invloed genoeg heb om hen daar te houden."
"Ha!" riep Front-de-Boeuf, "gij verandert van toon, heer priester, en spreekt kort en stout, alsof uw hart vreugde zou scheppen in de slachting van die Saksische kudde; en echter zijt gij een stamgenoot dier zwijnen." Cedric was niet geoefend in de kunst van veinzen, en een wenk van Wamba's vruchtbaarder brein zou hem op dit oogenblik zeer gewenscht zijn geweest. Maar de nood scherpt het verstand, gelijk het oude spreekwoord zegt, en hij pruttelde iets onder zijn kap, dat die mannen daar buiten door kerk en staat in den ban gedaan en vogelvrij verklaard waren.
"_Despardieux!_" antwoordde Front-de-Boeuf, "gij hebt de waarheid gesproken--Ik vergat, dat die schurken een vetten abt evengoed uitkleeden, alsof zij ten zuiden van gindsche zee geboren waren. Was het niet de abt van St. Ives, dien zij aan een eik bonden, en dwongen, een mis te zingen, terwijl ze zijne koffers en valiezen uitplunderden?--Neen, bij onze Heilige Maagd, die grap was van Walter Middleton, en van onze eigene wapenbroeders. Maar het waren Saksers, die uit de kapel te St. Bees den kelk, de kandelaars en het bekken roofden, niet waar?"
"Het waren goddelooze menschen!" antwoordde Cedric.
"Jawel,--en zij dronken al den goeden wijn en het lekkere bier op, dat in voorraad lag voor menige geheime smulpartij,--als gij voorgeeft, met nachtwaken en vroegmissen bezig te zijn!--Priester, gij zijt verplicht, zulk een heiligschennis te wreken."
"Ik ben inderdaad verplicht mij te wreken!" bromde Cedric, "St. Withold kent mijn hart."
Front-de-Boeuf geleidde hem intusschen naar eene achterpoort, vanwaar zij op een smalle plank over de gracht gingen, en een klein buitenwerk bereikten, dat door een goed verschanste poort met het open veld in gemeenschap stond.
"Ga dan, en zoo gij mijn boodschap wilt doen, en hierheen terugkeert, na ze volbracht te hebben, dan zult gij het Saksische vleesch even goedkoop zien, als ooit het varkensvleesch in de slachterswinkels van Sheffield. En, luister, gij schijnt een lustige broeder,--kom na den slag hier, en gij zult zoo veel Malvoizei hebben, dat gij uw geheel klooster er mede dronken kunt maken."
"Zeker, zullen wij elkander weder zien!" hernam Cedric.
"Hier hebt gij intusschen handgeld," ging de Normandiër voort; en toen zij aan de achterdeur scheidden, stopte hij in Cedric's onwillige hand een gouden munt, terwijl hij er bij voegde: "Bedenk, dat ik u de kap en het vel zal afstroopen, zoo gij uwe boodschap niet goed verricht!"
"En ik geef u vrijheid tot alles," antwoordde Cedric, de achterdeur verlatende en met een verlicht hart door het vrije veld heenstappende, "als ik bij onze eerste ontmoeting niets meer van u verdien!"--Zich daarop naar het kasteel omkeerende, wierp hij den gever het goudstuk weder toe, terwijl hij uitriep: "Valsche Normandiër! moge uw geld met u vergaan!"