Chapter 24
"Gij vreest toch niet," vroeg de Tempelier; "dat zij eene macht verzamelen kunnen, die sterk genoeg zou zijn, om het kasteel te bestormen?"
"Dat niet, ridder Brian," antwoordde Front-de-Boeuf, "deze roovers hebben, wel is waar, een stouten aanvoerder; maar zonder krijgswerktuigen, stormladders, en ervaren opperhoofden, kan mijn kasteel hen trotseeren."
"Zend naar uwe buren," zei de Tempelier; "laten zij hunne lieden bijeen brengen, en drie ridders ter hulp snellen, die door een nar en een zwijnenhoeder in het kasteel van den baron Reginald Front-de-Boeuf belegerd zijn."
"Gij schertst, heer ridder," hernam de baron; "maar naar wien zal ik zenden?--Malvoisin is op dit oogenblik met zijn gevolg te York, evenals mijne andere bondgenooten; en daar had ik ook moeten zijn, als deze vervloekte onderneming niet tusschenbeide was gekomen."
"Zend dan naar York, en laat onze lieden terugroepen," zei De Bracy. "Indien zij het gezicht van mijn standaard en van mijn vrijcompagnie verdragen, dan zal ik hen voor de stoutste roovers houden, die ooit een boog in het bosch gespannen hebben."
"Maar wie zal de boodschap overbrengen?" vroeg Front-de-Boeuf. "Zij zullen alle paden bezetten, en den bode zijn last uit het hart scheuren.--Ik weet er iets op," ging hij voort, na een oogenblik bedenkens.--"Heer Tempelier, gij kunt even goed schrijven als lezen, en zoo wij slechts de schrijf-materialen kunnen vinden van mijn Kapelaan, die een jaar geleden gedurende de feestgelagen in de Kerstdagen gestorven is--"
"Met uw verlof," zei de schildknaap, die nog altijd gereed stond, "ik geloof, dat de oude Urfried die ergens bewaard heeft, ter liefde van den biechtvader. Hij was de laatste man, zooals ik haar heb hooren zeggen, die ooit zoo tot haar gesproken heeft, als een beleefd man tot een meisje, of eene vrouw, spreken moet."
"Loop en zoek ze op, Engelred; en dan zult gij, heer Tempelier, een antwoord op deze stoute uitdaging schrijven."
"Ik wilde het liever met de punt van mijn zwaard doen, dan met de pen," zei Bois-Guilbert; "maar zooals gij verkiest."
Hij ging derhalve zitten, en schreef een Franschen brief van den volgenden inhoud:
"De Ridder Reginald Front-de-Boeuf en zijn edele en ridderlijke bondgenooten nemen geene uitdaging aan van slaven, lijfeigenen, of vluchtelingen. Zoo hij, die zich "de Zwarte Ridder" noemt, inderdaad aanspraak heeft op de eer der ridderschap, dan moet hij weten, dat hij onteerd wordt door zijne tegenwoordige verbintenis, en geen recht heeft om rekenschap te vragen van dappere mannen van edel bloed. Ten opzichte der gevangenen, die wij gemaakt hebben, verzoeken wij u uit Christelijke liefde een geestelijke te zenden, om hunne biecht aan te hooren, en hen met God te verzoenen; daar het ons vast voornemen is, hen heden morgen, vóór den middag, ter dood te brengen, opdat hun hoofden, op onze bolwerken tentoongesteld, aan alle menschen mogen bewijzen, hoe gering wij diegenen achten, welke zich met hunne bevrijding bemoeien. Derhalve verzoeken wij u nog eens, als boven, een Priester te zenden, om hen op den dood voor te bereiden; dit doende zult gij hun den laatsten aardschen dienst bewijzen."
Zoodra deze brief dichtgevouwen was, werd hij aan den schildknaap overhandigd, en door dezen aan den bode, die buiten wachtte, op het antwoord op den brief, door hem gebracht.
De schutter, na zijn boodschap verricht te hebben, keerde naar het hoofdkwartier der bondgenooten terug, dat voor het tegenwoordige onder een eerwaardigen eik opgeslagen was, omtrent drie pijlschoten ver van het kasteel. Hier wachtten Wamba en Gurth, benevens hunne bondgenooten, de Zwarte Ridder, Locksley en de vroolijke kluizenaar, met ongeduld een antwoord op hunne opeisching. Rondom en op een afstand, zag men eene menigte dappere schutters, wier jagerskleeding en door het weêr verbrand gelaat den gewonen aard hunner bezigheden aantoonden. Meer dan tweehonderd waren reeds vergaderd, en er kwamen ieder oogenblik nog andere aan. Zij, die als aanvoerders het bevel voerden, waren alleen van de anderen onderscheiden door een pluim op de muts; hun kleeding, wapens en voorkomen waren voor het overige in alle opzichten dezelfde.
Behalve deze bende, was reeds een minder ordelijke en slechter gewapende troep aangekomen, bestaande uit de Saksische inwoners van de naaste buurtschappen, zoowel als vele lijfeigenen en bedienden van Cedric's uitgestrekte landgoederen, om tot zijne verlossing mede te werken. Weinigen van hen hadden andere wapens dan die, welke de nood in krijgswerktuigen herschapen had. Jachtsperen, zeisen, dorschvlegels en dergelijke waren hunne voornaamste wapens; want de Normandiërs hadden, overeenkomstig de gewone staatkunde der veroveraars, den overwonnen Saksers het bezit en het gebruik der wapens ontzegd. Deze omstandigheid maakte hun bijstand op verre na niet zoo geducht voor de belegerden, als de kracht der mannen zelven, hun groot getal, en de moed, dien eene rechtvaardige zaak inboezemt, hen anders hadden kunnen maken. Het was aan de aanvoerders van dezen bonten hoop, dat de brief van den Tempelier thans werd overhandigd. De Kapelaan werd eerst verzocht, den inhoud daarvan mede te deelen.
"Bij den herdersstaf van St. Dunstan," zei die waardige geestelijke, "welke meer schapen in de schaapskooi gebracht heeft, dan die van eenig heilige in het Paradijs, zweer ik, dat ik u deze wartaal niet kan uitleggen, daar ik niet gissen kan of het Fransch of Arabisch is."
Hij gaf den brief daarop aan Gurth over, die brommende het hoofd schudde en dien weêr aan Wamba overhandigde. De nar bekeek alle vier hoeken van het papier met een glimlach van gemaakte geleerdheid, zooals een aap bij dergelijke gelegenheden aanneemt, maakte hierop een sprong in de lucht, en gaf den brief aan Locksley.
"Als de groote letters bogen, en de korten pijlen waren, dan zou ik iets van de zaak begrijpen," zei de eerlijke schutter, "maar zooals de zaak nu staat, is de meening evengoed voor mij verborgen, als het hert, dat twaalf mijlen verwijderd is."
"Dan moet ik maar voorlezer zijn," zei de Zwarte Ridder, en den brief van Locksley nemende, las hij dien eerst zachtjes over, en verklaarde toen den inhoud in het Saksisch aan zijn bondgenooten.
"Den edelen Cedric ter dood brengen!" riep Wamba; "bij het heilige kruis, gij moet u vergissen, heer Ridder!"
"Zeker niet, waarde vriend," hernam de ridder, "ik heb u den zin der woorden medegedeeld, zooals ze hier staan."
"Dan bij St. Thomas van Canterbury moeten wij het kasteel hebben," hervatte Gurth, "al moesten wij het ook met de handen omverhalen."
"Wij hebben niets anders, waarmede het omver te halen," hernam Wamba; "maar de mijne zijn niet zeer geschikt, om steenen en kalk te breken."
"Het is slechts eene uitvlucht om tijd te winnen," zei Locksley, "zij durven geene daad verrichten, waarvoor ik een schrikkelijke wraak kon vorderen."
"Ik wenschte, dat er één van ons toegang tot het kasteel kon verkrijgen," zei de Zwarte Ridder, "en ontdekken, hoe het met de belegerden gesteld is. Mij dunkt, daar zij een biechtvader willen hebben, zou deze heilige kluizenaar tegelijk zijn vroom beroep kunnen uitoefenen, en ons de gewenschte berichten bezorgen."
"De drommel hale u en uw raad," hernam de brave heremiet; "ik zeg u, heer Luiaard, dat, wanneer ik mijn monnikskleed uittrek, mijn priesterschap, mijne heiligheid, zelfs mijn Latijn, mij tegelijk verlaten; en in mijn groen buis kan ik beter twintig herten doodschieten dan één Christen de biecht afnemen."
"Ik vrees," zei de Zwarte Ridder, "ik vrees zeer, dat hier niemand is, die geschikt is, om tot ons doel de rol van biechtvader op zich te nemen."
Allen zagen elkander zwijgende aan.
"Ik zie," zei Wamba, na eene korte stilte, "dat de nar al weêr de nar moet zijn, en zijn hals er aan wagen, waar wijze menschen terugdeinzen. Gij moet weten, waarde makkers en landslieden, dat ik een monnikskleed gedragen heb, eer ik de narrekap opzette, en dat ik voor monnik werd opgevoed, eer eene zenuwkoorts mij slechts verstand genoeg overliet, om een nar te zijn. Ik vertrouw, dat ik, met behulp van het gewaad van den vromen heremiet, en met het priesterschap, de heiligheid, en de geleerdheid, welke in die kap zitten, bekwaam zal zijn, om wereldschen en geestelijken troost toe te deelen aan onzen waardigen meester Cedric, en zijne lotgenooten in het ongeluk."
"Denkt gij, dat hij daartoe verstand genoeg heeft?" vroeg de Zwarte Ridder aan Gurth.
"Ik weet het niet," hernam Gurth; "maar zoo hij het niet heeft, dan zal het de eerste keer zijn, dat het hem aan vernuft ontbroken heeft, om van zijne gekheid voordeel te trekken."
"Trek dan het monniksgewaad maar aan, vriend," zei de ridder, "en laat uw meester ons bericht zenden van den toestand van het kasteel. Hun getal moet klein zijn, en het is vijf tegen één, dat men hen door een plotselingen en stouten aanval overrompelen kan. De tijd eischt spoed,--ga!"
"Intusschen," zei Locksley, "zullen wij de plaats zoo nauw insluiten, dat er zelfs geen vlieg eenig bericht uit zou kunnen brengen. Zoodat gij, goede vriend," vervolgde hij, zich tot Wamba wendende, "deze dwingelanden kunt verzekeren, dat elke daad van geweld, die zij tegen hun gevangenen plegen, hun zwaar zal vergolden worden."
"_Pax vobiscum!_" zei Wamba, die nu in zijn geestelijke vermomming gehuld was. En dit zeggende, nam hij den plechtigen en statigen gang van een monnik aan, en vertrok, om zijne zending te volbrengen.
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Men ziet het vurigst paard in stap, Het traagste ook soms in galop: Vaak zet de nar een monnikskap, De monnik 'n zotskap op.
Oud Lied.
Toen de nar, in de kap en het gewaad van den heremiet, en zijn koord met knoopen om het lijf geslingerd, voor de poort van Front-de-Boeuf's kasteel stond, vroeg hem de wachter naar zijn naam en zijn boodschap.
"_Pax vobiscum!_" antwoordde de nar, "ik ben een arme broeder van de orde van St. Franciscus, en ik kom hier om mijn dienst te doen bij zekere ongelukkige gevangenen, die in dit kasteel zijn."
"Gij zijt een stoute monnik," hernam de wachter, "dat gij hier heen durft komen, waar, behalve onze dronken biechtvader, geen vogel van uwe kleur sedert twintig jaren zich vertoond heeft."
"Evenwel bid ik u, mijne boodschap aan den heer van het kasteel te doen," antwoordde de gewaande monnik; "geloof mij, ze zal door hem goed opgenomen worden, en de vogel zal zingen, dat het geheele kasteel hem hooren zal."
"Het zij zoo," zei de wachter; "maar zoo ik beknord word, omdat ik mijn post wegens uwe boodschap verlaten heb, dan zal ik beproeven, of het grijze monnikskleed bestand is tegen een grijsgevederden pijl."
Met deze bedreiging verliet hij den toren en bracht in de zaal van het kasteel het vreemde bericht, dat een kloosterling voor de poort stond, en dadelijk wilde binnengelaten worden. Tot zijn niet geringe verwondering ontving hij bevel van zijn meester, om den geestelijke oogenblikkelijk binnen te laten; en, nadat hij den ingang met wachten voorzien had, om eene overrompeling te verhinderen, gehoorzaamde hij, zonder verder dralen, aan het ontvangen bevel. Het vermetele zelfvertrouwen, dat Wamba de stoutheid gegeven had, om zich met deze gevaarlijke zending te belasten, was nauwelijks voldoende om hem moed te geven, toen hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een zoo vreeselijken en zoo gevreesden man, als Reginald Front-de-Boeuf, en hij bracht zijn _Pax vobiscum_, waarop hij grootendeels vertrouwde, om zijne rol vol te houden, met meer angst en bedeesdheid uit, dan tot hiertoe het geval geweest was. Maar Front-de-Boeuf was gewoon om menschen van iederen stand in zijne tegenwoordigheid te zien sidderen, zoodat de vreesachtigheid van den gewaanden priester niet de minste achterdocht bij hem verwekte.
"Wie en vanwaar zijt gij, priester?" vroeg hij.
"_Pax vobiscum!_" herhaalde de nar, "ik ben een arm dienaar van St. Franciscus, en, ik ben, terwijl ik door deze wildernis reisde, onder dieven gevallen (zooals in de Heilige Schrift staat), _quidam viator incidit in latrones_, welke dieven mij naar het kasteel gezonden hebben, ten einde mijn geestelijk ambt uit te oefenen bij twee menschen, die door uwe eerbiedwaardige rechtvaardigheid ter dood veroordeeld zijn."
"Ja, dat is zoo," antwoordde Front-de-Boeuf; "en kunt gij mij zeggen, eerwaarde man, hoe groot het getal der bandieten is?"
"Dappere ridder," hernam de nar, "_nomen illis legio_, hun naam is legioen."
"Zeg mij in duidelijke woorden, hoe groot hun getal is,--of, priester, uw mantel en gordel zullen u niet beschermen!"
"Helaas!" zei de gewaande monnik; "_cor meum eruclavit_, dat wil zeggen, ik was bijna van schrik gebarsten! Maar mij dunkt, er zullen schutters en boeren bij elkander, ten minste vijfhonderd man bijeen zijn."
"Hoe!" zei de Tempelier, die op dit oogenblik binnentrad, "zijn de wespen zoo groot in aantal? Het is tijd, om zulk een kwaadaardig geslacht uit te roeien." Hierop Front-de-Boeuf ter zijde nemende, vroeg hij: "Kent gij dien priester?"
"Hij is een vreemdeling uit een afgelegen klooster," zei Front-de-Boeuf; "ik ken hem niet."
"Vertrouw hem dan uw boodschap niet mondeling," antwoordde de Tempelier. "Laat hem een geschreven bevel brengen aan De Bracy's vrijcompagnie, om dadelijk tot hulp van hun meester op te dagen. Opdat intusschen de kaalkop niets moge vermoeden, vergun hem vrij aan zijn werk te gaan, om deze Saksische zwijnen voor de slachtbank voor te bereiden."
"Het zij zoo," zei Front-de-Boeuf. En hij liet dadelijk Wamba door een dienaar naar de kamer brengen, waar Cedric en Athelstane opgesloten waren.
Cedric's ongeduld was eerder vermeerderd dan verminderd door zijn gevangenschap. Hij wandelde van den eenen hoek der kamer naar den anderen, met de houding van iemand, die op een vijand losgaat, of de bres van eene belegerde plaats wil bestormen, soms in zichzelven sprekende, soms het woord tot Athelstane richtende, die met den moed van een Stoïcijn den uitslag van het avontuur afwachtte, intusschen met groote bedaardheid den ruimen maaltijd verterende, dien hij des middags gebruikt had, en zich niet veel storende aan de langdurigheid zijner gevangenschap, welke hij besloot, dat, evenals alle aardsche rampen, met den tijd een einde zou hebben.
"_Pax vobiscum_," zei de nar, binnentredende, "de zegen van St. Duthoc, en alle andere heiligen zij op en met u!"
"Treed binnen," antwoordde Cedric tot den gewaanden monnik, "met wat oogmerk zijt gij hier?"
"Om u te verzoeken, u tot den dood te bereiden," hernam de nar.
"Het is onmogelijk," hervatte Cedric, opspringende. "Hoe vermetel en boosaardig ze ook zijn, durven ze zulk een openlijke en noodelooze wreedheid niet begaan."
"Helaas!" zei de nar, "hen door een gevoel van menschelijkheid te willen betoomen, is hetzelfde, als een hollend paard, met een teugel van zijden draad te willen tegenhouden. Bedenk u derhalve, edele Cedric, en ook gij, dappere Athelstane, welke misdaden gij begaan hebt; want nog eer deze dag ten einde is, zult gij geroepen worden, om voor een hoogeren Rechter rekenschap te geven."
"Hoort gij het, Athelstane?" zei Cedric, "wij moeten onzen moed bewaren voor dezen laatsten stap;--het is toch beter, als mannen te sterven, dan als slaven te leven."
"Ik ben gereed," antwoordde Athelstane, "om het ergste van hunne boosheid te verduren; en ik zal naar den dood gaan met evenveel bedaardheid, als ik ooit aan tafel gegaan ben."
"Laat ons dan tot onze heilige versterking overgaan, vader!" zei Cedric.
"Wacht nog een oogenblik, oomlief," zei de nar, op zijn natuurlijken toon, "het is niet goed in het donker een sprong te wagen, eer men weet waarheen."
"Hoe!" riep Cedric, "mij dunkt, ik ken die stem!"
"Het is die van uw getrouwen slaaf en nar," antwoordde Wamba, de kap terugslaande. "Hadt gij vroeger naar den raad van een nar geluisterd, dan zoudt gij nu niet hier zijn. Neem nu den raad van een nar aan en gij zult niet lang meer hier blijven."
"Hoe meent gij dat, schelm?" antwoordde de Sakser.
"Neem dit kleed en het koord," hernam Wamba, "in welke al mijn heiligheid bestaat, en ga gerust uit het kasteel, terwijl ge mij uw mantel en gordel laat, om den sprong in de lucht in uwe plaats te doen.
"U hier in mijne plaats laten!" riep Cedric, verwonderd over het voorstel; "wel, zij zouden u ophangen, arme jongen."
"Laat hen doen, wat zij durven," zei Wamba, "mij dunkt,--zonder uwe afkomst te kort te doen,--dat de zoon van Weetniet met even veel deftigheid in ketens kan hangen, als de keten op zijn voorvader, den raadsheer hing."
"Wel, Wamba," antwoordde Cedric, "onder één voorwaarde, neem ik uw verzoek aan; namelijk, dat gij met Athelstane van kleêren verwisselt, in plaats van met mij."
"Neen, bij St. Dunstan," antwoordde Wamba, "dat zou al te dwaas zijn. Er zijn gegronde redenen, waarom de zoon van Weetniet voor den zoon van Hereward sterft; maar er zou weinig wijsheid in steken, om te sterven voor iemand, wiens vader hem vreemd was."
"Schurk," zei Cedric, "de voorouders van Athelstane waren Koningen van Engeland!'
"Dat is wel mogelijk," hervatte Wamba; "maar mijn hals zit te makkelijk tusschen mijne schouders, om dien om hunnentwille te laten toesnoeren. Daarom, goede heer, neem mijn aanbod voor u zelven aan, of laat mij even vrij uit deze gevangenis gaan, als ik er in gekomen ben."
"Laat den ouden boom vergaan," ging Cedric voort, "zoo de statige eik in het woud behouden blijft. Red den edelen Athelstane, mijn getrouwe Wamba! het is de plicht van elk, in wiens aderen Saksisch bloed vloeit. Gij en ik, zullen samen de uiterste woede van onze onrechtvaardige onderdrukkers afwachten, terwijl hij, in vrijheid en veiligheid gesteld, den ontwaakten moed onzer landslieden zal aanwakkeren, om ons te wreken."
"Dat niet, vader Cedric," zei Athelstane, zijne hand vattende, want wanneer hij tot denken en handelen aangedreven werd, waren zijn gevoelens en daden zijner hooge geboorte niet onwaardig,--"dat niet; ik wil liever eene week zonder ander voedsel in deze zaal blijven dan het droge brood des gevangenen, en zonder anderen drank, dan een beker water, dan van de gelegenheid tot ontsnappen gebruik maken, welke de ongekunstelde liefde van dezen slaaf voor zijn meester bezorgd heeft."
"Ge heet wijze mannen, mijn heeren," zei de nar, "en ik een gek, maar oom Cedric, en neef Athelstane, de nar zal dezen strijd voor u beslissen, en u de moeite besparen, om verder complimenten met elkander te maken. Ik ben evenals het ros van den boer, dat geen mensch op zijn rug kan velen dan den boer zelven. Ik kwam, om mijn meester te redden, en als hij niet wil--_basta_;--dan heb ik verder niets te doen, dan weder op te stappen. Een liefdedienst kan niet van de eene hand in de andere overgaan, als een bal of een stuk speelgoed. Ik wil voor geen mensch opgehangen worden, dan voor mijn aangeboren heer."
"Ga dan, edele Cedric," zei Athelstane, "verzuim deze gelegenheid niet. Uw tegenwoordigheid daar buiten kan onze vrienden tot onze verlossing aanmoedigen;--uw hier blijven zou ons allen ongelukkig maken."
"En is er dan eenig vooruitzicht op verlossing van buiten?" vroeg Cedric, den nar aanziende.
"Vooruitzicht, inderdaad!" hernam Wamba; "ik zeg u, als ge mijn gewaad aantrekt, zijt ge in een veldheersrok gestoken. Daar buiten zijn vijfhonderd man, en ik was heden morgen een van hun voornaamste aanvoerders. Mijn zotskap was een helm, en mijn stok een veldheersstaf. Wel,--wij zullen zien, wat ze er bij winnen, door een nar tegen een wijs man te verruilen! Waarlijk, ik vrees, dat ze aan dapperheid verliezen, wat ze aan wijsheid winnen. Nu vaarwel, meester, en wees goed jegens den armen Gurth en zijn hond Fangs; en laat mijn zotskap in de zaal van Rotherwood ophangen, ter gedachtenis, dat ik mijn leven voor mijn meester gegeven heb--als eene getrouwe--nar."
Dit laatste woord kwam er uit met eene weifelende uitdrukking, tusschen scherts en ernst in. De tranen stonden in Cedric's oogen.
"Uwe gedachtenis zal bewaard blijven", zei hij, "zoo lang trouw en liefde nog op aarde geëerd worden. Maar ik hoop middelen te vinden, om Rowena, en u, Athelstane, en ook u, mijn armen Wamba, te redden; gij zult mij in dit opzicht niet overtreffen."
De kleederenverwisseling was nu geschied, toen een plotselinge twijfel bij Cedric opkwam.
"Ik versta geen andere taal," zei hij, "dan mijn eigene, en een paar woorden van hun laf Normandisch! Hoe zal ik mij als een eerwaarde vader gedragen?"
"De kunst ligt in twee woorden," hernam Wamba: "_Pax vobiscum_ beantwoordt alle vragen. Of ge gaat, of komt, eet of drinkt, zegent of vloekt, _Pax vobiscum_ helpt u overal door. Het is even nuttig voor een monnik, als een bezemstok voor eene heks, of een staf voor een toovenaar. Spreek het maar dus uit, op een indrukwekkenden, ernstigen toon,--_Pax vobiscum!_--het is onwederstaanbaar;--op wachters en oppassers, ridders en knapen, ruiters en voetgangers; op allen werkt het als eene betoovering. Ik geloof, dat zoo ze mij morgen ophangen willen, waaraan ik in het geheel niet twijfel, ik de kracht er van op den voltrekker van het vonnis zal beproeven."
"In dit geval," hervatte zijn meester, "kan ik mijn priesterambt spoedig aanvaarden;--_Pax vobiscum!_ Ik vertrouw, dat ik deze paar woorden zal onthouden.--Edele Athelstane, vaarwel! en ook gij, mijn arme jongen, vaarwel! gij, wiens hart een nog zwakker hoofd zou vergoeden.--Ik zal u redden, of terugkeeren en met u sterven. Het bloed van onze Saksische koningen zal niet vergoten worden, zoolang er nog één droppel van het mijne in mijn aderen vloeit; en er zal geen haar gekrenkt worden van het hoofd van den braven kerel, die zijn leven voor zijn heer waagt, zoo Cedric door zich in gevaar te begeven het beletten kan.--Vaarwel!"
"Vaarwel, edele Cedric," zei Athelstane; "herinner u, dat het de natuurlijke rol van een monnik is, ververschingen aan te nemen, overal waar zij hem aangeboden worden."
"Vaarwel, oom!" voegde Wamba er bij, "en denk aan het _Pax vobiscum!_"
Aldus vermaand, ging Cedric op zijn onderneming uit; en het duurde niet lang of hij had gelegenheid, om de kracht van de tooverspreuk te beproeven, welke de nar als alvermogend had aanbevolen. In een lage, gewelfde en donkere gang, waardoor hij trachtte naar de zaal van het kasteel te dringen, werd hij door een vrouwelijke gedaante opgehouden. "_Pax vobiscum!_" zei de gewaande monnik, en wilde schielijk voorbij sluipen, toen een zachte stem antwoordde: "_Et vobis--quaeso, domine reverendissime pro misericordia vestra._"--Ik ben wat doof," hernam Cedric in goed Saksisch, en tegelijk bromde hij in zichzelven: "Verwenscht zij de nar en zijn _Pax vobiscum!_ Ik heb mijn wapen bij den eersten slag gebroken!"
Het was echter niets ongewoons bij een priester van die dagen doof te zijn, als men hem in het Latijn aansprak, en dit wist zij, die Cedric thans ophield, zeer wel.
"Ik bid u, om 's hemels wille, eerwaarde vader," hernam ze in zijn eigene taal, "met uw geestelijken troost een gekwetsten gevangene in dit kasteel te bezoeken, en hem en ons dat medelijden te betoonen, hetwelk uwe heilige stand u voorschrijft.--Nooit zal eene goede daad uw klooster zooveel voordeel aangebracht hebben."
"Dochter," antwoordde Cedric, zeer verlegen, "mijn kort verblijf in dit kasteel vergunt mij niet, de plichten van mijn ambt te verrichten.--Ik moet dadelijk weg--er hangt leven en dood van mijn spoed af."
"En evenwel, vader, bid ik u, bij de gelofte, welke gij gedaan hebt," hernam de smeekende, "de onderdrukten en ellendigen niet zonder raad of bijstand te laten!"
"Moge de duivel met mij wegvliegen, en mij in Ifrin laten met de zielen van Odin en Thor!" riep Cedric ongeduldig, en hij zou waarschijnlijk zoo voortgegaan zijn, zonder in het minst aan zijn heiligen stand te denken, als niet het gesprek afgebroken was geweest door de heesche stem van Urfried, de oude vrouw van den toren.