Chapter 23
"Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden," zei Rebekka, "en God moge mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?"
"Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!" antwoordde de Tempelier; "maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in diens bescherming. De verdedigers van Salomo's Tempel kunnen vrijheden vergen op voorbeeld van Salomo."
"Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen," zei de Jodin, "dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit de gezondste en meest onmisbare planten."
De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.--"Luister," zei hij, "Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene door mijn boog en speer,--onderworpen aan mijn wil volgens het recht van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan, noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert."
"Terug," riep Rebekka, "terug!--en hoor mij, voor dat gij eene zoo doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering, ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen, zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt, onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen."
"Gij zijt sluw, Jodin," hernam de Tempelier, die de waarheid van hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen, soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,--"ge zijt sluw; maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten, zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden, dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder onder de verdedigers van den Tempel."
"Mij aan mijn lot onderwerpen!" riep Rebekka,--"Heilige Hemel! aan welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn, dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?--Gij, de dapperste der Tempeliers!--Valsche ridder!--Meineedige Priester! Ik veracht u,--ik trotseer u!--De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter geopend,--zelfs uit dezen doolhof van schande!"
Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra hij voorwaarts wilde treden, riep zij: "Blijf waar gij zijt, trotsche Tempelier,--of nader, zoo gij verkiest!--één stap slechts, en ik stort mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden, eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!"
Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering van haar moed. "Kom naar beneden," riep hij, "vermetele!--Ik zweer bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!"
"Ik vertrouw u niet, Tempelier," antwoordde Rebekka; "gij hebt mij reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof."
"Gij zijt onrechtvaardig," hernam de Tempelier; "ik zweer u bij den naam, welken ik draag,--bij het kruis op mijn borst,--bij het zwaard aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel heeft hij zeker een machtigen vriend noodig."
"Helaas!" zei Rebekka, "dat weet ik maar al te goed;--maar kan ik u vertrouwen?"
"Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden," zei Brian de Bois-Guilbert, "zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit geschonden."
"Ik zal u dan vertrouwen," hervatte Rebekka, "tot zoo verre;" en zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een der schietgaten of _machicolles_, zooals ze toen genoemd werden, staan.--"Hier," zei ze, "zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt, en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen, zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar eer aan den Tempelier zal toevertrouwen."
Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing; integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had, en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert, die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige en gebiedende schoonheid gezien te hebben.
"Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!" zei hij.
"Vrede, zoo gij wilt," antwoordde ze, "vrede, maar met dezen afstand tusschen ons."
"Gij behoeft mij niet meer te vreezen!" zei Bois-Guilbert.
"Ik vrees u niet," hervatte zij; "dank zij hem, die dezen trotschen toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het leven blijven;--dank zij hem en den God van Israël,--ik vrees u niet!"
"Gij doet mij onrecht," zei de Tempelier; "bij aarde, zee en hemel, gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard, baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.--Nooit heeft een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,--dochter van een geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de woeste landen om Bordeaux,--zij was bekend overal, waar wapenfeiten verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap tot bruidschat medebracht.--Ja," ging hij voort, op de kleine opene ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid van Rebekka's tegenwoordigheid scheen te verliezen.--"Ja, mijne daden, mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En hoe werd ik beloond?--Toen ik met mijne duur verkregen eer, met moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van het leven en zijne banden.--Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen haard kennen,--mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt worden.--Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.--Mijn graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,--het voorrecht der onafhankelijkheid,--neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles, behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich, en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander."
"Helaas," zei Rebekka, "welke voordeelen konden tegen zulk een opoffering opwegen?"
"De macht tot wraak, Rebekka!" hernam de Tempelier, "en de vooruitzichten der eerzucht."
"Eene slechte vergoeding," hervatte Rebekka, "voor het afstaan van al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn."
"Zeg dat niet, meisje!" antwoordde de Tempelier; "de wraak is een feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen, zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen vergeten."--Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij: "Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!--Neen, schrik niet," vervolgde hij: "het moet met uwe eigene toestemming, en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen, een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel, eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds sidderen;--evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid, maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,--een ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!"
"Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?" antwoordde Rebekka. "Bedenk--"
"Antwoord mij niet," hernam de Tempelier, "met het verschil van ons geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst, door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,--deze zijn tot doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden, en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten, welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets, hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik u gezegd heb. Vaarwel!--Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken."
Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende, die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood, waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming, welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;--het was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare in geene gemeenschap kon komen;--van een Nazarener en een vijand van haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen, om te wenschen, dat het niet gebeurd ware.
VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Een zoo vervloekt lastige hand om te lezen, als ik ooit van mijn leven gezien heb!
Goldsmith.
De Tempelier ging naar de zaal van het kasteel terug en vond De Bracy reeds daar aanwezig. "Uwe vrijerij," zei deze, "is waarschijnlijk, evenals de mijne, door dit luidruchtige trompetgeschal gestoord. Maar gij zijt later en met meer tegenzin gekomen, en dus veronderstel ik, dat uwe ontvangst gunstiger is geweest, dan de mijne."
"Is uw aanzoek bij de Saksische erfdochter vruchteloos geweest?" vroeg de Tempelier.
"Bij het gebeente van Thomas-à-Becket," antwoordde De Bracy, "Rowena moet gehoord hebben, dat ik het gezicht van vrouwentranen niet verdragen kan."
"Kom!" zei de Tempelier; "gij, de aanvoerder van eene vrij-bende, stoort u aan de tranen eener vrouw! Eenige droppels, op de liefdetoorts gesprengd, doen de vlam des te feller branden."
"Grooten dank voor eenige droppels," hernam De Bracy; "maar dit meisje heeft genoeg geweend, om het licht van een vuurbaak uit te blusschen. Nooit is er zulk een handenwringen en tranenvloed geweest sedert de dagen van St. Niobe, [24] waarvan Prior Aymer ons verteld heeft. Een watergeest is in de Saksische schoone gevaren."
"De Jodin is door een legioen booze geesten bezield," hervatte de Tempelier; "want ik geloof niet, dat één enkele, al ware het Apollyon [25] in eigen persoon, zulken ontembaren hoogmoed en standvastigheid kon inboezemen. Maar waar is Front-de-Boeuf? Dit horengeschal doet zich hoe langer hoe harder vernemen!"
"Hij onderhandelt met den Jood, denk ik," hernam De Bracy onverschillig; "waarschijnlijk heeft het gehuil van Izaäk den klank van den horen verdoofd. Gij zult bij ondervinding weten, ridder Brian, dat een Jood, die zijn geld af moet staan op voorwaarden, zooals onze vriend Front-de-Boeuf vermoedelijk voorschrijft, een geschreeuw zal maken, luid genoeg om boven twintig horens en trompetten uit gehoord te worden. Maar wij zullen hem laten roepen."
Een oogenblik daarna kwam Front-de-Boeuf, die in zijne onmenschelijke wreedheid op de reeds verhaalde wijze gestoord was, en zich slechts met het geven van eenige noodige bevelen had opgehouden.
"Laat ons zien wat de oorzaak is van dit vervloekt geraas," zei Front-de-Boeuf; "hier is een brief, en zoo ik mij niet vergis, dan is die in het Saksisch geschreven."
Hij bekeek dien van alle kanten, alsof hij wezenlijk eenige hoop had den inhoud te zullen raden door het papier rond te draaien, en daarop overhandigde hij den brief aan De Bracy.
"Het kan wel een tooverbrief zijn, wat weet ik er van," zei De Bracy, die zijne volle maat bezat van de onkunde, welke de ridders van dit tijdperk onderscheidde. "Onze Kapelaan heeft beproefd mij schrijven te leeren," vervolgde hij, "maar al mijne letters kregen den vorm van lanspunten en zwaard-klingen, en dus gaf de oude kaalkop het op."
"Geef mij den brief," zei de Tempelier. "Dit hebben wij van den priesterstand gekregen, dat wij eenige kennis bezitten, om onzen moed voor te lichten."
"Laten wij dan gebruik maken van uwe eerbiedwaardige kennis," zei De Bracy; "wat zegt de brief?"
"Het is een plechtige uitdaging," antwoordde de Tempelier; "maar, bij de Heilige Maagd, als het geen zotte scherts is, dan is het de zonderlingste uitdaging, die ooit over de ophaalbrug van een ridderkasteel gezonden is."
"Scherts!" zei Front-de-Boeuf; "Ik wilde wel eens weten, wie in zulk een zaak met mij zou durven schertsen!--Lees op, Ridder Brian!"
De Tempelier begon aldus te lezen: "Ik, Wamba, de zoon van Weetniet, hofnar van een edel en vrijgeboren man, Cedric van Rotherwood, bijgenaamd, de Sakser,--en ik, Gurth, de zoon van Beowolf, zwijnenhoeder--"
"Gij zijt waanzinnig geworden," zei Front-de-Boeuf, den lezer in de rede vallende.
"Bij St. Lucas, het staat er," antwoordde de Tempelier. Hierop zijne taak hervattende, vervolgde hij: "Ik, Gurth, de zoon van Beowolf, zwijnenhoeder van genoemden Cedric, ondersteund door onze bondgenooten, die gemeene zaak met ons in dezen strijd maken, zijnde deze bondgenooten, de dappere ridder, voor het tegenwoordige _Le Noir Fainéant_ genoemd en de geduchte boogschutter Robert Locksley, Tref-het-wit genoemd, doen u, Reginald Front-de-Boeuf, en uw bondgenooten en medeplichtigen, wie het ook zijn, weten, dat, daar gij, zonder aanleidende oorzaak of verklaarden oorlog, u van den persoon van onzen heer en meester, genoemden Cedric, tegen recht en billijkheid en door list hebt meester gemaakt; alsook van de persoon van eene edele en vrijgeborene Jonkvrouw, de Jonkvrouwe Rowena van Hargottstandstede, alsook van den persoon van een edel en vrijgeboren man, Athelstane van Coningsburgh; alsook van de personen van zekere vrijgeboren mannen, hun knechts, alsook van zekere mannen, hun geboren lijfeigenen, alsook van een zekeren Jood, genaamd Izaäk van York, te gelijk met zijne dochter, eene Jodin, en zekere paarden en muilezels: welke edele personen, met hunne knechts en lijfeigenen, en ook met de paarden en muilezels, den Jood en de Jodin, hierboven genoemd, allen in vrede waren met Zijne Majesteit, en als getrouwe onderdanen op des Konings heirwegen reisden; daarom eischen en vergen wij, dat genoemde edele personen, namelijk, Cedric van Rotherwood, Rowena van Hargottstandstede, Athelstane van Coningsburgh, met hunne bedienden, knechts, en gevolg, alsook de paarden en muilezels, de Jood en de Jodin, hierboven genoemd, te gader met alle have en goed, dat hun toekomt, een uur na de overgifte dezes aan ons overgegeven worden, of aan hen, die wij zullen benoemen om hen te ontvangen, ongedeerd en ongeschonden in lichaam en goederen. Bij gebreke van dien, verklaren wij u, dat wij u houden voor roovers en verraders, en dat wij onze lichamen tegen u in den slag, bij de belegering, of anders zullen wagen, en ons best doen tot uwe vernieling en ondergang. Inmiddels moge God u in Zijne hoede en bescherming nemen!--Door ons geteekend op den avond voor St. Witholds dag, onder den ouden eik in de laan van Hart-hill; het bovenstaande geschreven zijnde door een heilig man, een dienaar van God, van de Heilige Maagd, en St. Dunstan, in de kapel van Copmanshurst."
Onder dit geschrift bevond zich vooreerst een ruwe schets van een hanekop en kam, met een opschrift, hetwelk verklaarde, dat dit het teeken was van Wamba, den zoon van Weetniet. Onder dit schoone zinnebeeld stond een kruis, als het teeken van Gurth, den zoon van Beowolf. Daaronder stonden in stoute, fiksche letters de woorden: "_Le Noir Fainéant_;" en eindelijk een vrij net geteekende pijl, als het teeken van den schutter Locksley.
De ridders hoorden dit vreemd document van begin tot einde, en zagen toen elkander in stille verbazing aan, alsof zij geheel niet in staat waren, de beteekenis er van te begrijpen. De Bracy verbrak het eerst het stilzwijgen door een schaterend gelach, waarin hem de Tempelier volgde, schoon met meer gematigdheid. Front-de-Boeuf, daarentegen, scheen misnoegd over hunne ontijdige vroolijkheid.
"Ik verzeker u, mijne Heeren," zei hij; "dat gij beter zoudt doen, met te overleggen, hoe wij in deze omstandigheden moeten handelen, dan met u aan zulk een ongepast gelach over te geven."
"Front-de-Boeuf is sedert zijn laatsten val nog niet weder bij goede luim," zei De Bracy tot den Tempelier: "hij schrikt bij het bloote denkbeeld van eene uitdaging, al komt die ook maar van een nar en een zwijnenhoeder."
"Bij St. Michiel!" antwoordde Front-de-Boeuf; "ik wilde, De Bracy, dat gij het avontuur geheel alleen moest doorstaan. Deze schurken zouden niet met zulke onbegrijpelijke onbeschaamdheid hebben durven handelen, zoo zij niet door sterke benden ondersteund werden. Er zijn vogelvrijverklaarden genoeg in dit bosch, om zich te wreken over de bescherming, die ik aan het wild schenk. Ik heb slechts één kerel, die met bebloede handen op heeter daad gevat werd, aan de horens van een wild hert laten binden, dat hem in vijf minuten dood boorde en er werden even zoo vele pijlen op mij afgeschoten, als op het wit te Ashby.--Hoor eens," vervolgde hij tegen een zijner bedienden, "hebt gij iemand uitgezonden, om te zien, door welke macht deze kostelijke uitdaging zal ondersteund worden?"
"Er zijn ten minste tweehonderd man in het bosch verzameld," antwoordde een schildknaap, die tegenwoordig was.
"Bij den hemel!" zei Front-de-Boeuf; "dat komt er van, dat ik u het gebruik van mijn kasteel toegestaan heb,--u, die geene onderneming in stilte kunt uitvoeren, maar mij dit wespennest op den hals moet halen."
"Wespen?" hernam De Bracy; "zeg toch liever angellooze hommels,--eene bende luie schurken, die zich liever in het bosch ophouden, en het wild stelen, dan voor den kost werken."
"Angelloos!" hervatte Front-de-Boeuf. "Scherpe pijlen, een el lang, en die ieder wit treffen, al is het maar zoo groot als een Fransch kroonstuk, zijn, dunkt mij, vrij gevaarlijke angels."
"Schaam u, heer ridder!" zei de Tempelier. "Laten wij ons volk bij elkander roepen, en een uitval doen. Één ridder,--ja, één gewapend man, neemt twintig zulke boeren voor zijne rekening."
"Twintig en nog meer," zei De Bracy; "ik zou mij schamen, mijn lans tegen hen te gebruiken."
"Voorzeker," antwoordde Front-de-Boeuf, "zoo het zwarte Turken of Mooren waren, heer Tempelier, of laffe Fransche boeren, zeer dappere De Bracy; maar dit zijn Engelsche boogschutters, op wie wij geen voordeel zullen hebben, behalve onze wapens en paarden, welke ons in de nauwe wegen van het bosch weinig zullen baten. Een uitval doen, zeidet gij? Wij hebben nauwelijks manschappen genoeg, om het kasteel te verdedigen. De besten mijner lieden zijn te York, evenals uwe geheele bende, De Bracy; en wij hebben nauwelijks twintig man, buiten hen, die deze dolzinnige onderneming mede uitgevoerd hebben."