Ivanhoe

Chapter 22

Chapter 223,885 wordsPublic domain

"Rowena," hervatte De Bracy, "deelt gij ook in den gewonen waan van uw geslacht, dat er geen andere naijver kan zijn, dan om uwe bekoorlijkheden? Weet gij niet, dat er jaloezie is om eerzucht en rijkdom, zoowel als om liefde; en dat onze gastheer Front-de-Boeuf iedereen uit den weg zal ruimen, die zijn eisch op de schoone baronie van Ivanhoe tegengaat, even gereedelijk en hartstochtelijk, en met even weinig nauwgezetheid, alsof zijn mededinger hem door een blauwoogig meisje werd voorgetrokken? Maar verhoor mijn aanzoek, Jonkvrouw, en de gekwetste ridder zal niets te vreezen hebben van Front-de-Boeuf, terwijl gij anders om hem treuren kunt, daar hij zich in de handen van een man bevindt, die nog nooit medelijden getoond heeft."

"Red hem, om des Hemels wil!" riep Rowena, wier standvastigheid bezweek onder den angst over het lot, dat haren minnaar boven het hoofd hing.

"Ik kan het,--ik wil het,--dit is mijn voornemen," hernam De Bracy: "want, als Rowena er in toestemt, om De Bracy's bruid te worden, wie zal dan de hand durven slaan aan haar bloedverwant,--den zoon van haar voogd,--den speelmakker harer jeugd. Maar door uwe liefde moet gij zijne bescherming koopen. Ik ben niet romantisch of gek genoeg, om het geluk te bevorderen, of den dood af te wenden van een man, die mij waarschijnlijk in mijne wenschen dwarsboomen zou. Gebruik uw invloed op mij tot zijn voordeel, en hij is gered; weiger dit: Wilfrid sterft, en gij zijt geen stap nader bij de vrijheid!"

"Uw taal," antwoordde Rowena, "heeft in haar onverschillige lompheid iets, dat niet kan overeen gebracht worden met de ijselijkheden, welke ze schijnt uit te drukken. Ik geloof niet, dat uw voornemen zoo boosaardig, of uwe macht zoo groot is!"

"Vlei u dan maar met dit geloof," hervatte De Bracy, "tot de tijd zal toonen, dat het valsch is. Uw minnaar ligt gewond in dit kasteel;--uw begunstigde minnaar! Hij is een hinderpaal tusschen Front-de-Boeuf en hetgeen bij hem hooger staat dan eerzucht of schoonheid. Het zou niet meer kosten dan één dolksteek, of een stoot met een spies, om hem voor altijd tot zwijgen te brengen. Stel zelfs, dat Front-de-Boeuf eene zoo in het oog loopende misdaad niet durfde verrichten; laat de arts zijn patient maar een verkeerd geneesmiddel geven;--laat de kamerdienaar, of de oppasser, die hem bedient, hem slechts onzacht de peluw van onder het hoofd rukken, en Wilfrid is, in zijn tegenwoordigen toestand, zonder bloedstorting, uit den weg geruimd. Cedric ook--"

"En Cedric ook," zuchtte Rowena, zijne woorden herhalende; "mijn edele, grootmoedige voogd! Ik verdien de ramp, die mij getroffen heeft, daar ik zijn lot om dat van zijn zoon vergeten heb."

"Cedric's lot hangt ook van uw besluit af," zei De Bracy; "en ik verlaat u, om er over na te denken."

Tot hiertoe had Rowena hare rol in deze beproeving met onverschrokken moed volgehouden, maar alleen omdat zij het gevaar noch als ernstig, noch als dringend beschouwde. Haar karakter was van natuur dat, hetwelk de gelaatkundigen als eigenaardig aan blonde vrouwen toekennen; zacht, vreesachtig en goedig; maar het was gewijzigd, en als het ware verhard geworden, door de omstandigheden van hare opvoeding. Gewoon om den wil van allen, zelfs van Cedric, die voor het overige vrij onbuigzaam was jegens anderen, voor hare wenschen te zien onderdoen, had zij die soort van moed en zelfvertrouwen verworven, welke voortspruit uit de gedurige inschikkelijkheid der menschen, in wier kring wij ons bewegen. Zij kon nauwelijks aan de mogelijkheid denken, dat men zich tegen haar wil zou verzetten, veel minder, dat men er in het geheel geen acht op zou slaan.

Haar trotschheid en hoogmoed waren dus slechts aangenomen hoedanigheden, welke diegene, die haar aangeboren waren, verdrongen hadden, en ze verlieten haar zoodra haar de oogen geopend werden voor haar eigen gevaar en voor dat van haar minnaar en van haar voogd, en zoodra zij bevond, dat haar wil, welken zij gewoon was geëerd en opgevolgd te zien, aan dien van een sterk, trotsch en vast mannelijk gemoed tegenover stond, dat bovendien de overmacht reeds bezat, en besloten had er gebruik van te maken.

Nadat zij de oogen in het rond geslagen had, als om hulp te zoeken, welke nergens te vinden was, en na eenige onsamenhangende uitroepingen, hief zij de ineengeslagen handen ten hemel, en barstte uit in tranen van onmatige droefheid en smart.

Het was onmogelijk zulk een schoon wezen in zooveel ellende te zien, zonder medelijden te gevoelen, en De Bracy bleef niet onaangedaan, ofschoon hij eerder verlegen dan verteederd werd. Hij was inderdaad te ver gegaan, om weder terug te treden; en evenwel kon hij, in Rowena's tegenwoordige gemoedsgesteldheid, noch met bewijsgronden, noch met bedreigingen op haar werken. Hij liep in het vertrek heen en weer, nu eens te vergeefs het verschrikte meisje vermanende, om te bedaren, dan weder aarzelende ten opzichte van zijne eigene verdere houding.

"Zoo ik door de tranen en de smart van dit troostelooze meisje bewogen werd," dacht hij, "wat zou ik anders inoogsten dan het verlies van de schoone hoop, voor welke ik zooveel gewaagd heb, en de spotternijen van Prins Jan en zijne lustige makkers? En toch," zei hij in zich zelven, "gevoel ik mij slecht geschikt voor de rol, die ik speel. Ik kan dat schoon gezicht, door smart ontsteld, en die in tranen zwemmende oogen niet langer aanschouwen! Ik wilde, dat ze haar eerste trotschheid van karakter behouden had, of dat ik meer van de onwrikbare hardvochtigheid van Front-de-Boeuf bezat."

Verontrust door deze gedachten, kon hij niets anders doen, dan de ongelukkige Rowena bidden zich te troosten, en haar verzekeren, dat ze vooralsnog geene reden had tot de vlaag van wanhoop, waaraan zij zich overgaf. Maar in deze taak van vertroosting werd De Bracy gestoord door den horen, die "schor, ver en luid weergalmende" tegelijk de overige bewoners van het kasteel verschrikt en de uitvoering van hun verschillende plannen van geldzucht of losbandigheid gestoord had. De Bracy was misschien van allen het minst over deze stoornis ontevreden; want zijn gesprek met de Jonkvrouw Rowena was tot die hoogte gekomen, dat hij het even moeielijk vond, zijne onderneming door te drijven, als ze op te geven.

En hier oordeelen wij het niet onnoodig, eenige krachtiger bewijzen te geven, dan de voorvallen van een verdicht verhaal om de waarheid van het tafereel, dat wij van de bedorvenheid der zeden opgehangen hebben, te staven. Het is een pijnlijke gedachte, dat die dappere baronnen, aan wier wederstand tegen de kroon, Engeland zijn vrijheden te danken heeft, zelven verschrikkelijke geweldenaars waren, in staat tot buitensporigheden, strijdig niet alleen met de wetten van het rijk, maar zelfs met die der natuur en der menschelijkheid. Maar, helaas, wij behoeven slechts uit den vlijtigen Henry een dier talrijke bladzijden af te schrijven, welke hij uit schrijvers van dien tijd heeft verzameld, om te bewijzen, dat de verdichting zelve nauwelijks de droevige wezenlijkheid der ijselijkheden van dit tijdvak kan evenaren.

De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. "Zij onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen; en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen, of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol slangen, adders en padden." [23] Maar het zou wreed zijn om den lezer de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen.

Als een ander voorbeeld van de bittere vruchten der verovering, en misschien het sterkste, dat kan worden aangehaald, kunnen wij melden, dat de Keizerin Mathilde, ofschoon een dochter van den Koning van Schotland, en naderhand Koningin van Engeland en Keizerin van Duitschland, de dochter, gemalin en moeder van Vorsten, verplicht was, gedurende haar verblijf in Engeland, waar zij hare opvoeding zou ontvangen, den sluier aan te nemen, als het eenige middel, om aan de losbandige vervolgingen der Normandische edelen te ontkomen. Deze verontschuldiging gebruikte zij voor een grooten raad van de Engelsche geestelijkheid als de eenige reden, om welke zij het geestelijk gewaad had aangenomen. De vergaderde geestelijkheid vergenoegde zich met deze verschooning, steunende op de bekendheid der omstandigheden, waarop ze gegrond was, en gaf dus eene ontwijfelbaar en allermerkwaardigst getuigenis van het bestaan dier schandelijke losbandigheid, welke die eeuw bevlekte. "Het was algemeen bekend," zeide zij, "dat, na de verovering van Koning Willem, zijn Normandische volgelingen, trotsch geworden door eene zoo groote overwinning, geen andere wet erkenden, dan hun eigen, goddeloozen wil, en de overwonnen Saksers niet alleen van land en goed beroofden, maar de eer hunner vrouwen en dochters met de meest teugellooze ongebondenheid schonden; en van daar was het de gewoonte van vrouwen en meisjes van adellijke familie, den sluier aan te nemen, en in de kloosters eene schuilplaats te zoeken, niet als geroepen door de stem van God, maar alleen om haar eer tegen de toomelooze slechtheid der mannen te bewaren."

Zoodanig en zoo losbandig waren die tijden, volgens de openlijke verklaring van de vergaderde geestelijkheid, zoo als Eadmer die geboekt heeft; en wij behoeven er niets meer bij te voegen, om de waarschijnlijkheid der tooneelen te rechtvaardigen, die wij reeds beschreven hebben en nog beschrijven zullen, op het meer apocrief gezag van het Wardour Handschrift.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid.

Douglas.

Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw, die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid, gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen.

"Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude," zei een der mannen; "onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner overlaten."

"Ach," bromde de oude, "zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg, op bevel van een stalknecht, zooals gij!"

"Goede vrouw Urfried," zei de andere, "houd u niet met redeneeren op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;--gij hebt in uw tijd ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!"

"Moge de booze u vervolgen!" riep de oude, "en het galgenveld uwe begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken afgesponnen heb."

"Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook," zei de man heengaande, en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn men haar zoo tegen wil en dank gebracht had.

"Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?" zei de oude heks, in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen en boosaardigen blik op Rebekka wierp; "maar het is gemakkelijk te raden.--Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.--Ach, het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord, en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche," zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.--"Uit welk land zijt gij?--Een Saraceensche? of een Egyptische?--Waarom antwoordt gij niet?--Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?"

"Wees niet boos, moeder!" smeekte Rebekka.

"Gij behoeft geen woord meer te zeggen," hernam Urfried: "men kent den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak."

"Om Gods wil," zei Rebekka, "wat moet ik verwachten na het geweld, waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne daarvoor opofferen."

"Uw leven, zottinnetje?" antwoordde de oude, "wat vermaak zouden zij er in vinden, om u het leven te benemen?--Geloof mij, uw leven is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht, die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze behandeld wordt? Zie mij maar aan.--Ik was jong en tweemaal zoo schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald, en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van kamer tot kamer.--Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig was van hun bloed. Zij stierven:--zij stierven tot den laatsten man; en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was, werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!"

"Is er geene hulp?--Zijn er geene middelen om te ontvluchten?" riep Rebekka. "Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!"

"Denk daar niet aan," zei de oude; "uit deze plaats is er geen andere uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat," voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, "eer die zich voor ons openen.--Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!--Jood of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad is afgesponnen;--uwe taak moet eerst beginnen."

"Blijf! blijf! om Gods wil!" riep Rebekka; "Blijf, al is het ook om mij te beschimpen en mij te vervloeken.--Uwe tegenwoordigheid is toch nog eenige bescherming."

"De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u zijn!" antwoordde de oude. "Daar staat ze," op een ruw beeld van de Heilige Maagd wijzende, "zie of zij het lot, dat u te wachten staat, kan afwenden!"

Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom.

Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel, dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien, waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom, welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht, het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en eigenzinnig had kunnen worden.

Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen, omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde, dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven.

Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor.

Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht, eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt, waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken.

Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar waarschijnlijk te wachten stonden.

De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende, dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest.

"Neem dit, goede vriend," zei ze, "en wees om Gods wil barmhartig jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel ontslaan wildet."

"Schoone bloem van Palestina," hernam de roover, "deze paarlen zijn Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen, de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven."

"Doe u zelven dit ongelijk niet aan," zei Rebekka; "neem het losgeld, en heb medelijden!--Voor goud kunt gij alles koopen;--ons te mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan."

"Gij hebt goed gesproken," hervatte de roover in het Fransch, daar hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; "maar weet, schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal, wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid, en ik zal geene andere munt aannemen."

"Gij zijt geen roover," hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin hij haar aansprak; "geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër; misschien edel van geboorte;--o, wees dat ook in uwe daden, en werp dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!"

"En gij, die zoo waar kunt gissen," zei Brian de Bois-Guilbert, den mantel voor zijn gezicht weg doende, "zijt geene ware dochter van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten behangen, dan u van deze sieraden berooven zal."

"Wat wilt gij dan van mij," vroeg Rebekka, "zoo het mijn rijkdom niet is?--Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge."

"Dat zou ze wezenlijk zijn," hernam de Tempelier lachende; "eene Jodin trouwen? _Despardieux!_--Neen, al was zij ook de Koningin van Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter, met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan _par amours_, zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn heilige orde."

"Durft gij u daarop beroepen," zei Rebekka, "bij eene gelegenheid als deze?"

"En indien ik het doe," zei de Tempelier, "raakt het u niet; daar gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing."