Ivanhoe

Chapter 21

Chapter 213,934 wordsPublic domain

"Op deze schaal," vervolgde de onbarmhartige edele, "zult gij mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den _Tower_ van Londen."

"Heilige Abraham!" hernam de Jood, die nu woorden vond: "heeft men ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden."

"Ik ben redelijk," antwoordde Front-de-Boeuf, "en zoo het zilver schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft."

"Heb medelijden met mij, edele ridder!" riep Izaäk. "Ik ben oud, arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.--Het is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!"

"Oud moogt gij zijn," hernam de ridder, "te meer schande voor de dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten grijs worden.--Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een Jood hart of hand?--Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!"

"Ik zweer u, edele ridder," hervatte de Jood, "bij alles, waaraan ik geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven--"

"Word niet meineedig," zei de Normandiër, hem in de rede vallende, "en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid, welke gij van uw stam geërfd hebt.--Ik zweer u bij datgene, waaraan gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt, en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden, dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood bespaard, waartegen de hunne zaligheid was."

Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest, waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden.

"Ziet gij, Izaäk," zei Front-de-Boeuf, "de rij ijzeren staven boven die gloeiende houtskolen? [22] Op dat heete bed zult gij liggen, van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad niet aanbrande.--Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt geen andere keuze."

"Het is onmogelijk," zei de ongelukkige Jood, "het is onmogelijk, dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid te begaan."

"Vertrouw daar niet op, Izaäk," zei Front-de-Boeuf; "dat zou eene noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien, om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?--Of meent gij, dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen, behalve huns meesters wil,--die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk, paal of koord gebruiken,--denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben, daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?--Wees verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd, om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden meer;--kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij kiest,--zoo zal het zijn!"

"Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan," zei Izaäk; "ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit, om aan uw buitensporigen eisch te voldoen."

"Grijpt en ontkleedt hem, slaven!" riep de ridder. "En mogen de vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!"

De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op, en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach, die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin, om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden, en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed.

"Ik zal de duizend pond zilver betalen," riep hij.--"Dat is," voegde hij er na een oogenblik zwijgens bij, "ik zal ze betalen met behulp mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen kan.--Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?"

"Hier," hernam Front-de-Boeuf, "hier moeten ze worden uitbetaald en gewogen,--gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?"

"En wie zal mij borg zijn," zei de Jood, "dat ik in vrijheid zal worden gesteld, als dit losgeld betaald is?"

"Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf," antwoordde Front-de-Boeuf; "het woord van een Normandischen edelman, dat meer waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam."

"Vergeef mij, edele heer," zei Izaäk vreesachtig; "maar waarom zou ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne vertrouwen wil?"

"Omdat gij het niet laten kunt, Jood!" hernam de ridder minachtend. "Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is _mijn_ schatkamer. Hier heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen, de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk."

De Jood zuchtte diep.--"Schenk mij ten minste," zei hij, "met mijn vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood; echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen; buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen."

"Zoo gij die Saksische boeren meent," zei Front-de-Boeuf, "hun losgeld zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene."

"Ik zal dus," zei Izaäk, "alleen in vrijheid gesteld worden met mijn gekwetsten vriend?"

"Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen," hernam Front-de-Boeuf, "om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan anderen de hunne over te laten?--Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken tijd bijeen brengt."

"Maar hoor mij aan," zei de Jood,--"om den wille van denzelfden rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw--" Hier bleef hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende in des Joods gezegde aan.

"Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar ronduit.--Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem, die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden."

"Ik zweer op den Talmud," hervatte de Jood, "dat men u in die zaak verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot betaling was op het Paaschfeest verschenen."

"Het is mij onverschillig, wat hij deed," zei Front-de-Boeuf; "de vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld hebben, Izaäk?"

"Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u, edele ridder," antwoordde Izaäk, "en zoo spoedig man en paard terug keeren kan, zal u de schat--" hier slaakte hij een diepen zucht, maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,--"zal u de schat hier uitbetaald worden."

"Uw dochter!" zei Front-de-Boeuf, met een schijn van verwondering.--"Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was, en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert, naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd, welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan."

De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer, dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid, om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf's knieën te omvatten.

"Neem alles, wat gij geëischt hebt," riep hij. "Heer ridder;--neem tienmaal meer;--breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;--doorboor mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter, laat haar in eer en deugd vertrekken!--Bij de moeder, welke u het leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.--Zij is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste van zes panden harer liefde.--Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar van zijn eenigen overgebleven troost berooven?--Wilt gij een vader dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind, naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?"

"Ik wilde," zei de Normandiër, een weinig aangedaan, "dat ik dit vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne geldzakken?"

"Denk niet zoo slecht van ons," zei Izaäk, begeerig om van dit oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: "de vervolgde vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.--Het verachte en vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen."

"Het is zoo," zei Front-de-Boeuf; "ik wil het in het vervolg gelooven, Izaäk, om uwentwille;--maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?"

"Er zal, er moet haar kwaad overkomen!" riep Izaäk, de handen angstig wringende. "Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?"

"Ongeloovige hond!" riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had, om in drift te geraken: "Laster de heilige orde van den Tempel van Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat gij mij beloofd hebt, of wee u!"

"Roover en booswicht!" riep de Jood, de beleedigingen van zijn onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig ook, hij nu niet meer beteugelen kon. "Ik wil niets betalen;--geen penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet teruggegeven wordt."

"Zijt gij bij zinnen, Jood?" vroeg de Normandiër barsch.--"Is uw vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?"

"Ik geef er niet om," zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke liefde; "doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed, duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in de gierige keel kan gieten,--geen penning wil ik u geven, Nazarener, al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood, te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen."

"Wij zullen dat eens zien," hernam Front-de-Boeuf, "want bij het heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult het uiterste van vuur en staal gevoelen.--Ontkleedt hem, slaven, en bindt hem op de ijzeren stangen."

In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens de overhand kregen.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Indien mijn vriendlijk woord niet baat, Uw stuurschen zin niet om kan zetten, Ik dwing tot liefde u als soldaat, En min u strijdig met haar wetten.

De twee Edelen van Verona.

De kamer, waarin de Jonkvrouw Rowena gebracht was, vertoonde eenige ruwe versiering en opschik, en men kon hare opsluiting aldaar als een bijzonder blijk van hoogachting beschouwen, die aan de overige gevangenen niet bewezen werd. Maar de echtgenoote van Front-de-Boeuf, voor wie het vertrek oorspronkelijk ingericht werd, was sedert lang overleden, en verval en verwaarloozing hadden de weinige sieraden verminkt, waarmede haar smaak de kamer opgesmukt had. Het behangsel hing, op vele plaatsen, bij den muur neer, en op andere was het door de kracht der zon verbleekt, of vergaan, of door ouderdom verscheurd en verwoest. Hoe vervallen dan ook de kamer scheen, was het toch die, welke men in het kasteel voor het gemak der Saksische erfdochter het geschiktst geoordeeld had; en daar liet men haar, om over haar lot na te denken, tot de handelende personen, in dit schandelijk bedrijf, de verscheidene rollen verdeeld hadden, welke zij spelen zouden. Dit was bepaald in een raad, gehouden door Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier, in welken zij, na eene lange en driftige beraadslaging over de verschillende voordeelen, welke ieder, voor zijn eigen aandeel, uit deze stoute onderneming wilde trekken, ten laatste het lot hunner ongelukkige gevangenen beslist hadden.

Het was dus omtrent den middag, toen De Bracy, door wien de onderneming eigenlijk beraamd was, verscheen, om zijne plannen op de hand en de goederen van Rowena door te zetten. Den tusschentijd had hij niet geheel en al besteed, om te raadplegen met zijne bondgenooten; maar hij had zich met al de pracht van die tijden opgesmukt. Zijn groen wambuis en masker waren afgelegd. Zijn lang, schoon haar hing in zware krullen over zijnen met rijk bont bezetten mantel. Zijn baard was kort geschoren, zijn wambuis hing tot op het midden van zijn been, en de gordel, welke het vasthield, en tegelijk zijn groot zwaard droeg, was geborduurd en bezet met goud. Wij hebben reeds van de buitensporige mode der schoenen van dien tijd gesproken, en de punten van die van Maurice De Bracy konden aan de schoonsten van dien aard den prijs betwisten, daar ze gedraaid en opgekruld waren als de horens van een ram. Zoo was de kleeding van een hofjonker van dit tijdvak; en in het tegenwoordige geval werd de uitwerking daarvan bevorderd door het schoone voorkomen en de beschaafde manieren van den ridder, wiens houding de bevalligheid van den hoveling met het ongedwongene van den krijgsman vereenigde.

Hij groette Rowena, door zijn fluweelen _baret_ af te nemen, die met een gouden speld versierd was, verbeeldende St. Michiel, den Satan onder de voeten tredende. Hierna wees hij de dame vriendelijk een stoel aan, en daar ze er geen gebruik van scheen te willen maken trok de ridder den handschoen van de rechterhand uit, en bood haar die aan, om haar naar den stoel te geleiden. Maar Rowena wees zwijgend de aangebodene beleefdheid van de hand, en zei: "Zoo ik in tegenwoordigheid van mijn bewaarder ben, heer ridder, zooals alle omstandigheden mij overtuigen, dan betaamt het zijne gevangene te blijven staan, tot ze haar vonnis vernomen heeft."

"Ach! schoone Rowena," hernam De Bracy, "gij zijt in tegenwoordigheid van uw gevangene, en niet van uw bewaarder, en het is van uwe schoone oogen, dat De Bracy dat vonnis moet ontvangen, hetwelk gij te vergeefs van hem verwacht."

"Ik ken u niet, ridder,"--zei de Jonkvrouw, zich verheffende met al de trotschheid van beleedigden rang en schoonheid;--"ik ken u niet; en de onbeschaamde gemeenzaamheid, waarmede gij mij in de wartaal der troubadours aanspreekt, is geene verontschuldiging voor het geweld van den roover."

"Aan u zelve, schoone dame," antwoordde De Bracy op zijn vorigen toon,--"aan uwe eigene bekoorlijkheden moet gij alles wijten, wat ik strijdig gedaan heb met den eerbied jegens haar, die ik tot koningin van mijn hart en leidstar van mijne oogen gekozen heb."

"Ik herhaal het, heer ridder, dat ik u niet ken, en dat geen man, die ridderketen en sporen draagt, zich aldus bij eene weerlooze vrouw moest opdringen."

"Dat ik onbekend bij u ben," zei De Bracy, "is inderdaad mijn ongeluk; laat mij, evenwel, hopen, dat De Bracy's naam niet altijd ongenoemd is gebleven, als minnezangers en herauten de heldendaden der ridderschap, in het strijdperk en op het slagveld, geprezen hebben."

"Laat dan, heer ridder," hernam Rowena, "uw lof over aan de lofspraak van herauten en minnezangers, daar die beter in hun mond past, dan in den uwe, en zeg mij, wie van hen, in een gezang of toernooiboek, de merkwaardige zegepraal van dezen nacht zal verhalen, een zegepraal, die gij behaald hebt op een ouden man, vergezeld door eenige vreesachtige dienstbaren, en waarvan de buit bestaat in een ongelukkig meisje, dat men tegen wil en dank naar het kasteel van een roover gevoerd heeft."

"Gij zijt onbillijk, Jonkvrouw," zei de ridder, zich verlegen op de lippen bijtende, en een toon aannemende, die hem natuurlijker was, dan de gemaakte hoffelijkheid, die hij eerst gebruikt had; "daar gij zelve door geen hartstocht bezield zijt, kunt gij de razernij van een ander niet verontschuldigen, schoon die door uwe eigene schoonheid veroorzaakt is."

"Ik bid u, heer ridder," hervatte Rowena, "niet voort te gaan met een taal, die zoo afgesleten is door rondreizende minnezangers, dat ze niet in den mond van ridders of edelen past. Waarlijk, gij dwingt mij, te gaan zitten, daar gij zulke afgezaagde uitdrukkingen gebruikt, waarvan ieder gemeene speelman een voorraad heeft, waarmede hij van heden tot Kerstmis uitkomen kon."

"Hoogmoedige Jonkvrouw," zei De Bracy vertoornd, daar hij zag, dat zijn hoogdravende stijl hem niets dan verachting op den hals haalde;--"hoogmoedige Jonkvrouw, gij zult met gelijken hoogmoed behandeld worden. Verneem dan, dat ik mijn aanzoek om uwe hand op de meest met mijn karakter overeenstemmende wijze heb gedaan. Het past beter voor uwe inborst met geweld gevrijd te worden, dan met smeekende woorden en hoffelijke taal."

"Hoffelijke taal," hernam Rowena, "gebruikt om eene lage daad te verbergen, is niets dan een riddergordel om het lichaam van een lagen boer. Het verwondert mij niet, dat de terughouding u zwaar valt;--het zou u meer tot eer verstrekken, zoo gij de kleeding en de taal van een roover hadt behouden, dan diens daden onder eene aangenomen edele taal en houding te verbergen."

"Gij geeft mij daar een goeden raad," zei De Bracy; "en in de stoute taal, welke het best aan stoute daden betaamt, zeg ik u, dat gij dit kasteel nooit anders zult verlaten, dan als de echtgenoote van De Bracy. Ik ben niet gewoon, in mijne ondernemingen gedwarsboomd te worden; en een Normandisch edelman behoeft niet eens zijn gedrag angstig te rechtvaardigen voor het Saksische meisje, dat hij met het aanbod zijner hand vereert. Gij zijt trotsch, Rowena; wel nu, des te geschikter zijt gij, om mijne echtgenoote te worden. Door welk ander middel, dan door eene verbintenis met mij, kunt gij tot hooge eer en tot een vorstelijken stand verheven worden? Hoe wilt gij anders uit de benauwde vertrekken van eene boerenwoning verlost worden, waar de Saksers zich opsluiten met de zwijnen, welke hun rijkdom uitmaken, om uw plaats in te nemen, geëerd zooals het betaamt, onder alles, wat in Engeland door schoonheid uitmunt, of door macht verheerlijkt is?"

"Heer ridder," hernam Rowena, "de woning, welke gij veracht, is van mijne kindsheid af mijne schuilplaats geweest; en geloof mij, als ik ze verlaat,--zoo die dag ooit verschijnt,--dan zal het zijn met een man, die niet geleerd heeft de woning en de zeden te verachten, in welke ik opgevoed ben."

"Ik gis uwe meening, Jonkvrouw," zei De Bracy, "schoon ge u verbeelden moogt, dat ze te diep ligt voor mijn begrip. Maar droom niet, dat Richard Leeuwenhart ooit zijn troon weder zal bestijgen, noch veel minder, dat zijn gunsteling, Wilfrid van Ivanhoe, u ooit naar den voet van dien troon zal geleiden, om daar, als de bruid van des Konings gunsteling, verwelkomd te worden. Een ander minnaar zou jaloersch kunnen worden bij het aanraken van deze snaar; maar mijn vast voornemen kan niet veranderd worden door een zoo kinderachtigen en hopeloozen hartstocht. Verneem, Jonkvrouw, dat deze medeminnaar in mijn macht is, en dat het alleen van mij afhangt, om het geheim van zijne tegenwoordigheid in het kasteel Front-de-Boeuf te verraden, wiens ijverzucht noodlottiger zou zijn, dan de mijne."

"Wilfrid hier?" zei Rowena met verachting. "Het is even waar als dat Front-de-Boeuf zijn medeminnaar is."

De Bracy zag haar een oogenblik strak aan. "Waart gij hiervan werkelijk onkundig?" zei hij. "Wist gij niet, dat hij in den draagstoel van den Jood reisde?--Een schoon geleide voor den kruisvaarder, wiens machtige arm het Heilig Graf moest veroveren!" voegde hij, verachtelijk lachende, er bij.

"En al is hij hier," zei Rowena, met geveinsde onverschilligheid, schoon sidderende met een angstig gevoel, dat zij niet kon onderdrukken, "waarin zou hij Front-de-Boeufs mededinger zijn? Of wat heeft hij te vreezen, behalve eene korte gevangenschap, en een eervol losgeld, volgens het gebruik der ridderschap?"