Chapter 2
Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen, met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd, hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar, daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling:
"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld, op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier, Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond, die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth, "en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen, om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren."
"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak en verlichting."
"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn geest te geplaagd, om raadsels op te lossen."
"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten rondloopen?" vroeg Wamba.
"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat."
"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten opgehangen is, evenals een landsverrader?"
"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder.
"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam; maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe vindt ge dat, vriend Gurth?"
"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in uw zotshoofd is opgekomen."
"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon; "daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam, zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een _Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van genot wordt."
"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters, en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien, hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder, de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!"
"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt, anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren."
"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te zeggen?"
"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek; een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden.
"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven.
"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon."
"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal een verschrikkelijke nacht worden!"
Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben, die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige kudde vóór zich heen drijvende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen, Een vriend van de jacht en van 't horengeschal, Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen; Ook hield hij veel kostbare paarden op stal; En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen, Men kon op de winden het zweepgeklap hooren, Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel, Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.
Chaucer.
In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker, kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam, na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt, dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden, die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft, welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.
Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen, inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang, door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten, welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar, ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken, die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende, zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.
De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren, rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante, aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten, maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden, die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar, en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger, door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren, en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.
Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets, dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen, namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt; de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes, netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen, en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.
Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd; aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild, breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde de daarop staande spreuk te lezen.
Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden, dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land [3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden, en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen; de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening "_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.
De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte, vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.
Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed, van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met zijne kloostergeloften.
Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_ bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon, waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard; en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden, ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite, mes fils_," vereerd werden.
Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo, dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden: "of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk, dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd, onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren der Saksische boeren klonk.
"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende, en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.
"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren, naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."
"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_, dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren te helpen en te ondersteunen."
"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."
"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende, "en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_, Prior Aymer?"
"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"
"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."
"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."
"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als een recht vorderen."