Chapter 19
"Gij kunt ze hier dichtbij aan hunne rokken herkennen," zei Wamba, "en zien, of het uwer kinderen kleêren zijn, of niet.--Want ze gelijken op de uwen even sterk, als het eene ei op het andere."
"Ik zal het dadelijk onderzoeken," antwoordde Locksley; "en ik beveel u, om uw leven, geen voet van de plaats te verzetten, eer ik terug kom. Gehoorzaamt mij, en het zal des te beter zijn voor u en uw meesters.--Maar wacht, ik moet er zooveel mogelijk, als een dezer mannen uitzien."
Dit zeggende, nam hij den draagband met den jachthoorn af, nam de pluim van zijn muts, en gaf ze aan Wamba te bewaren: daarop haalde hij een masker uit den zak en, zijn bevel om stil te staan herhalende, ging hij heen, om zijne verkenning te doen.
"Zullen wij blijven staan, Gurth?" vroeg Wamba, "of hem den rug toekeeren? Naar mijn onnoozel begrip, had hij al te veel dievengereedschappen bij de hand, om een eerlijk man te zijn."
"En al ware hij de duivel in eigen persoon," antwoordde Gurth, "wij verliezen niets door op hem te wachten. Als hij tot dien hoop behoort, heeft hij hun reeds een teeken gegeven, en vluchten noch vechten zal ons meer baten. Buitendien heb ik sedert kort ondervonden, dat de grootste dieven niet altijd de slechtste menschen zijn, met wie men te doen heeft."
De schutter kwam binnen weinige minuten terug. "Vriend Gurth," zei hij, "ik heb mij onder die kerels gemengd, en vernomen, aan wien zij behooren, en waar hun reis heen gaat. Er is, dunkt mij, geen gevaar, dat zij hun gevangenen dadelijk eenig geweld aandoen. Het zou een dwaasheid van ons zijn, zoo wij hen met ons drieën aanvallen wilden; want het zijn ervarene krijgslieden, en zij hebben dus wachten uitgezet, om hen te waarschuwen, zoodra iemand nadert. Maar ik vertrouw, dat ik weldra zulk eene macht bijeen zal brengen, dat ik al hunne voorzorgen kan verijdelen; gij zijt beide dienaars, en, naar ik meen, trouwe dienaars van Cedric den Sakser, den beschermer van de rechten der Engelschen. Het zal hem niet aan Engelsche handen ontbreken in dezen nood. Gaat dan met mij, om meer hulp te zoeken."
Dit zeggende, stapte hij met rassche schreden door het woud, gevolgd door den nar en den zwijnenhoeder. Het was onmogelijk voor Wamba, om lang te zwijgen.
"Mij dunkt," zei hij, naar den draagband en den hoorn, welke hij nog altijd droeg, ziende, "dat ik den pijl heb zien afschieten, welke dezen schoonen prijs gewonnen heeft, en dat is nog niet zoo lang geleden, als Kerstmis."
"En ik," zei Gurth, "zou er op willen zweren, dat ik de stem van den dapperen schutter, die dien gewonnen heeft, zoo wel bij nacht als bij dag gehoord heb, en dat de maan, sedert ik die vernam, nog geen drie dagen ouder is geworden.
"Mijn vrienden," hervatte de schutter, "wie, of wat ik ben, kan thans weinig schelen; zoo ik uw meester bevrijd, zult gij redenen hebben, mij voor den besten vriend te houden, dien gij ooit in uw leven hadt. En of ik onder dezen of genen naam bekend ben,--en of ik een boog even goed, of beter dan een koeherder kan afschieten,--en of ik verkies in den zonneschijn of bij maanlicht te wandelen,--dit zijn dingen, aan welke gij u niet behoeft te storen, daar zij u niet raken."
"Onze hoofden zijn in des leeuwen muil," fluisterde Wamba Gurth toe, "laten wij ze er uittrekken, als wij kunnen."
"Stil," zei Gurth; "wees stil; beleedig hem niet door uw gekheden, en ik vertrouw er vast op, dat alles goed zal gaan."
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Als in den herfstnacht koud en lang, Zijn eenzaam pad verduistert, 't Is naar des kluiz'naars lofgezang, Dat liefst de pelgrim luistert.
Het lied verheft het vroom gemoed, De vroomheid geeft de hymne gloed; Zij stijgen onder 't loven, Gelijk de vogel 't zonlicht groet, Al zingend' zaam naar boven.
de kluizenaar van St. Clements bron.
Eerst na drie uren wandelens was het, dat de volgelingen van Cedric, met hun geheimzinnigen leidsman, eene kleine opening in het woud bereikten, in wier midden een eik van ontzachelijke grootte groeide, welke de kromme takken naar alle kanten uitspreidde. Onder dezen boom lagen vier of vijf schutters op den grond uitgestrekt, terwijl een ander, als schildwacht, in den maneschijn heen en weder ging. Zoodra deze de naderende voetstappen hoorde, gaf hij een teeken, en de slapers sprongen dadelijk op en spanden hun bogen. Zes pijlen werden gericht naar den kant, van waar de reizigers kwamen, tot hun geleider, herkend zijnde, met alle blijken van achting en liefde verwelkomd werd, en alle teekens van en alle vrees voor een vijandige ontvangst verdwenen.
"Waar is de Molenaar?" was zijn eerste vraag.
"Op weg naar Rotherham."
"Met hoeveel man?" vroeg de aanvoerder, want dat scheen hij te zijn.
"Met zes man, en goede hoop op buit, als het St. Nicolaas behaagt."
"Vroom gesproken," zei Locksley; "en waar is Allen-a-Dale?"
"Op weg naar Watling, om op den Prior van Jorvaulx te wachten."
"Ook goed," hernam de kapitein.
"En waar is de monnik?"
"In zijn cel."
"Daar ga ik heen," zei Locksley. "Verstrooit u en zoekt uwe makkers op. Verzamelt een zoo groote macht mogelijk; want er is wild opgespoord, dat hard vervolgd moet worden en dat zich krachtig verdedigen zal. Komt tegen het aanbreken van den dag hier bij mij terug. Wacht," voegde hij er bij; "ik heb het noodzakelijkste van alles vergeten; twee van u moeten spoedig den weg naar Torquilstone, het kasteel van Front-de-Boeuf, inslaan. Eene bende schurken, die zich in eene kleeding, als de onze, vermomd hebben, brengen er een hoop gevangenen heen.--Slaat hen nauwkeurig gade; want zelfs, al bereikten zij het kasteel, vóór dat wij onze macht bijéénhebben, is onze eer er toch in betrokken, om hen te bestraffen, en wij zullen een middel vinden, om dat te doen.--Houdt hen dus goed in het oog; en zendt één uwer makkers, den besten looper, om aan de landlieden in de buurt bericht er van te brengen."
Zij beloofden stipte gehoorzaamheid, en vertrokken oogenblikkelijk, om hunne verschillende boodschappen te verrichten. Intusschen vervolgde hun aanvoerder met zijn twee metgezellen, die hem nu met grooten eerbied, zoowel als met eenige vrees beschouwden, hun weg naar de kapel van Copmanshurst.
Toen zij de vrije, door de maan verlichte plaats in het bosch bereikt, en de eerbiedwekkende, schoon vervallen kapel, en de ruwe kluis, die zoo goed voor de zelfverloochenende vroomheid geschikt was, vóór zich hadden, fluisterde Wamba Gurth toe: "Als dit de woning van een dief is, dan wordt het oude spreekwoord bevestigd: hoe dichter bij de kerk hoe verder van God.--En bij mijn zotskap," voegde hij er bij, "ik geloof, dat het wezenlijk zóó is;--luister maar naar den wonderlijken _Sanctus_, welken zij in de kluis zingen!"
Wezenlijk zongen de kluizenaar en zijn gast, met alle kracht van hun sterke longen, een oud drinklied, waarvan dit het slot was:
Kom, reik mij 't bruine bier terstond, Blijde jongen, blijde jongen! Kom, reik mij 't bruine bier terstond, Ha! lustig jongen! 'k tart een' schelm in 't drinken. Kom, reik mij 't bruine bier terstond!
"Wel, dat is niet kwaad," zei Wamba, die in koor mede gezongen had. "Maar bij alle heiligen, wie zou ooit verwacht hebben, zulk een vroolijk gezang, te middernacht, uit eene kluis te hooren dreunen?"
"Wel, dat zou ik voorzeker verwachten," antwoordde Gurth; "want de vroolijke monnik van Copmanshurst is bekend, en doodt de helft van het wild, dat in dit bosch gestolen wordt. Men zegt, dat de boschwachter bij den abt over hem geklaagd heeft, en dat hem zijn monnikskleed zal uitgetrokken worden, als hij zich niet beter gedraagt."
Terwijl zij dus spraken, had Locksley's herhaald geklop ten laatste den kluizenaar en zijn gast gestoord. "Bij mijn rozenkrans," riep de heremiet, midden in het gezang ophoudende, "hier komen meer gasten, die door den nacht overvallen zijn. Ik wilde niet, om mijn kap, dat ze mij bij deze vrome bezigheid vonden. Iedereen heeft zijn vijanden, goede heer Luiaard; en er zijn er, die boosaardig genoeg zijn, om de gastvrije verversching, welke ik u, een vermoeiden reiziger, gedurende een paar uurtjes, aangeboden heb, ronduit dronkenschap en zwelgerij te noemen; ondeugden, even vreemd aan mijn beroep als aan mijn karakter."
"Lage lasteraars!" hernam de ridder; "ik wilde, dat ik hen kastijden mocht. Niettemin is het waar, heilige man, dat iedereen zijne vijanden heeft; en er zijn er in dit land, die ik liever door het vizier van mijn helm, dan met ontbloot gezicht spreken wilde."
"Zet dan uw ijzeren pot op het hoofd, vriend Luiaard, zoo schielijk als uw aard zulks toelaat," zei de kluizenaar, "terwijl ik deze flesschen weg zet, welker inhoud in mijne hersenen spookt; en om het gekletter te verdooven,--want, op mijn woord, ik gevoel, dat ik een weinig wankel,--stem in met het gezang, dat gij mij hoort zingen;--op de woorden komt het niet aan, ik ken ze zelf nauwelijks."
Dit zeggende, hief hij een donderend _de profundis clamavi_ aan, en ruimde hun maaltijd weg; terwijl de ridder hartelijk lachende, zich intusschen wapende, en zijn gastheer van tijd tot tijd met zijne stem ondersteunde, als zijn gelach het toeliet.
"Wat voor duivelsmetten worden hier op dit uur gezongen?" riep een stem van buiten.
"De hemel vergeve het u, heer reiziger!" zei de heremiet, wien het gedruisch, dat hij zelf maakte, en misschien zijn drinken, belette, een stem te herkennen, die hem anders vrij wel bekend was; "vervolg uw weg, in God en St. Dunstan's naam, en stoor mij en mijn vromen broeder niet in onze aandacht."
"Dolle priester," antwoordde de stem van buiten, "doe open voor Locksley."
"Alles is veilig,--alles is in orde!" zei de kluizenaar tot zijn metgezel.
"Maar wie is het?" vroeg de Zwarte Ridder. "Er is mij veel aan gelegen, dit te weten."
"Wie of het is!" antwoordde de kluizenaar. "Ik zeg u, dat het een vriend is!"
"Maar wat voor een vriend?" antwoordde de ridder. "Want hij kan uw vriend zijn, en toch in het geheel niet de mijne."
"Wat voor een vriend?" hernam de monnik; "dat is een vraag, die lichter te doen, dan te beantwoorden is. Wat voor een vriend?--Wel, hij is, nu schiet het mij te binnen, juist die eerlijke boschwachter, van welken ik u straks gesproken heb."
"Wel ja, een even eerlijke boschwachter, als gij een vroom kluizenaar zijt!" hervatte de ridder; "daar twijfel ik niet aan. Maar doe hem de deur open, vóórdat hij ze uit de hengels slaat."
De honden, welke in het begin geweldig geblaft hadden, schenen nu de stem van hem, die buiten stond, te herkennen; want, geheel van houding veranderende, krabden en jankten zij aan de deur, alsof om zijn toelating te smeeken. De heremiet opende schielijk de deur, en liet Locksley met zijn twee metgezellen binnen.
"Wel heremiet," was des schutters eerste vraag, zoodra hij den ridder zag: "Welken lustigen broeder hebt gij daar?"
"Een broeder van onze orde," hernam de monnik, het hoofd schuddende. "Wij hebben den geheelen nacht door gebeden."
"Hij is een monnik van de strijdende kerk, denk ik," antwoordde Locksley; "er dolen velen van dien aard door het land. Ik zeg u, monnik, gij moet den rozenkrans afleggen, en den knots opnemen; wij hebben alle onze brave makkers noodig, geestelijken, of leeken. Maar," voegde hij er bij, hem even ter zijde nemende, "zijt gij gek?--Een ridder binnen te laten, dien gij niet kent! Hebt gij onze overeenkomst vergeten?"
"Hem niet kennen!" antwoordde de monnik stout; "ik ken hem even goed, als de bedelaar zijn schotel kent."
"En hoe heet hij dan?" vroeg Locksley.
"Hoe hij heet?" zei de heremiet; "wel!--het is de ridder Anthonius van Scrablestone,--alsof ik met een mensch zou willen drinken, zonder zijn naam te weten!"
"Gij hebt meer dan genoeg gedronken," zei de schutter, "en ik vrees, ook meer dan genoeg gebabbeld."
"Vriend," zei de ridder, vóórtredende, "wees niet boos op mijn vroolijken gastheer. Hij heeft mij slechts de gastvrijheid geschonken, welke ik hem zou afgedwongen hebben, zoo hij ze geweigerd had."
"Gij mij dwingen!" riep de monnik; "wacht maar, tot ik dit grijs monnikskleed tegen een groen buis verruild heb, en als ik u niet met mijn knuppel een tik op het hoofd geef, dan ben ik noch een echte monnik, noch een goed jager."
Dit zeggende, trok hij zijn monnikskleed uit, en verscheen in een nauw zwart linnen wambuis en broek, waarover hij spoedig een groenen rok en broek aantrok. "Ik bid u, maak de strikken vast," zei hij tegen Wamba, "en gij zult een glas wijn ter belooning hebben."
"Ik heb niets tegen den wijn," antwoordde Wamba; "maar denkt gij, dat het geen gewetenszaak voor mij is, de hand te leenen om een heiligen heremiet in een zondigen jager te veranderen?"
"Vrees niets," zei de kluizenaar, "ik behoef de zonden van mijn groenen rok slechts aan mijn grijs monnikskleed te biechten, en alles is weer goed."
"Amen!" hervatte de nar: "Een in fijn laken gekleed boeteling moet een in grof linnen gekleeden biechtvader hebben, en uw monnikskleed kan mijn bonte pak op den koop toe de absolutie geven."
Intusschen had Wamba den monnik geholpen, om de talrijke banden vast te maken, waarmede de broek aan het wambuis gebonden werd.
Terwijl ze dus bezig waren, nam Locksley den ridder een weinig ter zijde, en sprak hem dus aan: "Ontken het niet, heer ridder; gij zijt het die op den tweeden dag van het toernooi te Ashby, de overwinning der Engelschen tegen de vreemdelingen beslist hebt."
"En wat volgt daaruit, zoo uw gissing gegrond is, vriend?" hernam de ridder.
"Ik houd u dan voor een vriend van de zwakken!" hernam de schutter.
"Dat te zijn is ten minste de plicht van een goed ridder," antwoordde de zwarte kampvechter, "en ik zou niet gaarne willen, dat er redenen waren, om anders van mij te denken."
"Maar om mij te helpen," zei de andere, "moet gij een even goed Engelschman, als ridder zijn: want hetgeen ik te zeggen heb, betreft, wel is waar, den plicht van ieder eerlijk man, maar meer bijzonder dien van een rechtgeaarden inboorling van Engeland."
"Gij kunt tot niemand spreken," hervatte de ridder, "wien Engeland, en het leven van ieder Engelschman, dierbaarder kan zijn dan mij."
"Ik wil het gaarne gelooven," zei de jager, "want nooit heeft dit land meer noodig gehad, om door diegenen ondersteund te worden, die het liefhebben. Hoor naar mij, en ik zal u eene onderneming openbaren, in welke gij, zoo gij wezenlijk zijt, wat gij schijnt, een eervol deel kunt nemen. Eene bende booswichten, verkleed als betere menschen, dan zij zelve zijn, hebben een edelen Engelschman, Cedric, de Sakser genaamd, met zijn dochter en zijn vriend, Athelstane van Coningsburgh, gevangen genomen, en hen naar een kasteel in dit woud, Torquilstone genoemd, gevoerd. Ik vraag u, als goeden ridder en echten Engelschman, wilt gij hen helpen bevrijden?"
"Ik ben door mijn gelofte verplicht dat te doen," hernam de ridder, "maar ik wilde gaarne weten, wie gij zijt, die mijne hulp ten hunnen behoeve inroept?"
"Ik ben," zei de jager, "een onbekend man; maar ik ben de vriend van mijn vaderland, en van de vrienden er van.--Met dit bericht moet gij u voor het tegenwoordige tevreden stellen, te meer, daar gij zelf wenscht onbekend te blijven.--Geloof echter, dat mijn woord, als ik het geef, even veilig is, alsof ik gouden sporen droeg."
"Ik geloof het gaarne," zei de ridder, "ik ben gewoon op het gelaat der menschen te lezen, en ik kan op het uwe eerlijkheid en moed zien. Ik zal u dus verder geene vragen doen, maar u helpen, om die onderdrukte gevangenen in vrijheid te stellen, en als dit volbracht is, vertrouw ik, dat wij beter bekend en weltevreden van elkander zullen scheiden."
"Dus," zei Wamba tegen Gurth,--want daar de monnik nu geheel toegerust was, had de nar, die naar den anderen kant der hut gekomen was, het einde van het gesprek gehoord,--"dus hebben wij een nieuwen bondgenoot gekregen. Ik vertrouw, dat de dapperheid van den ridder van beteren aard zal zijn, dan de godsdienst van den heremiet, of de eerlijkheid van den schutter; want deze Locksley ziet er uit, als een geboren wilddief, en de priester, als een listige huichelaar."
"Houd u stil, Wamba," zei Gurth, "het kan zijn, zooals gij vermoedt;--maar al kwam de gehoornde duivel in eigen persoon, en bood mij zijn bijstand aan, om Cedric en Jonkvrouw Rowena te bevrijden, dan vrees ik, nauwelijks vroom genoeg te zijn, om het aanbod af te slaan, en hem te verzoeken zich weg te pakken."
De monnik was nu geheel toegerust, met zwaard en schild, boog en pijlkoker, en een zware strijdbijl op de schouders. Hij verliet zijn cel aan het hoofd van de bende, en na de deur zorgvuldig gesloten te hebben, legde hij den sleutel onder den drempel.
"Zijt gij in staat, om goeden dienst te doen, monnik," vroeg Locksley, "of is de wijn u in het hoofd gestegen?"
"Niet meer, dan één slok uit St. Dunstans bron verdrijven zal," antwoordde de priester, "het suist mij een weinig in de ooren, en mijn beenen wankelen iets; maar gij zult zien, dat dit alles dadelijk overgaat."
Dit zeggende, ging hij naar het steenen bekken, waarin het water van de fontein onder het vallen bellen vormde, die in het witte maanlicht dansten, en hij nam een zoo geweldige teug, alsof hij de bron had willen ledigen.
"Wanneer hebt gij meer zulk eene groote teug water gedronken, heilige monnik van Copmanshurst?" vroeg de Zwarte Ridder.
"Niet sedert mijn wijnvat lekte, en de drank door een verkeerde opening er uit liep, en mij niets overbleef, dan de bron van mijn beschermheilige hier!" hervatte de monnik.
Hierop handen en hoofd in de fontein dompelende, wiesch hij er alle teekenen van den nachtelijken roes af.
Aldus ververscht en ontnuchterd, zwaaide de vroolijke priester zijn zware strijdbijl met drie vingers rondom het hoofd, alsof hij met een riet speelde, terwijl hij riep: "Waar zijn die schandelijke roovers, welke meisjes tegen haar wil schaken? De duivel zal mij halen, als ik er niet een dozijn van sta!"
"Ha! vloekt gij, heilige monnik?" zei de Zwarte Ridder.
"Noem mij geen monnik," hernam de van gedaante veranderde priester; "bij St. Joris en den Draak, ik ben die niet meer, als mijn monnikskleed niet om mijn rug zit.--Als ik mijn groenen rok aan heb, wil ik drinken, vloeken en vrijen tegen den besten jager in het _West-Riding_."
"Kom, dwaze priester," zei Locksley, "wees stil; gij zijt zoo luidruchtig, als een geheel klooster op Vasten-avond, als de Prior naar bed is. Komt gij ook, vrienden;--houdt u niet op met praten.--Ik zeg, gaat onverwijld mede, wij moeten onze geheele macht verzamelen, en deze zal klein genoeg zijn, als wij het kasteel van Reginald Front-de-Boeuf moeten bestormen."
"Hoe!" riep de Zwarte Ridder, "is het Front-de-Boeuf, die op 's heeren wegen des Konings getrouwe onderdanen aangevallen heeft?--Is hij een roover en een onderdrukker geworden?"
"Een onderdrukker was hij altijd!" antwoordde Locksley.
"En wat den roover betreft," zei de priester, "ik twijfel, of hij half zoo eerlijk is, als menig roover dien ik ken."
"Voorwaarts, priester, en houd u stil," zei de schutter, "het ware beter, dat gij den weg weest naar de vergaderplaats, dan dat gij zegt, wat zoowel uit betamelijkheid als voorzichtigheid, verzwegen moest blijven!"
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Helaas! hoe menig uur en jaar vervloog Sinds aan deez' disch een mensch'lijk wezen zat, En op zijn vlak het lamp- of kaarslicht gloorde! Mij dunkt, ik hoor 't geluid van vroeger dagen Nog wederklinken door het hol en hoog gewelf Der duistere bogen, evenals de stemmen Der dooden lang verwijlen bij hun graven.
Orra, een Treurspel.
Terwijl deze maatregelen ten behoeve van Cedric en zijn metgezellen genomen werden, dreven de gewapenden, welke hen gevangen genomen hadden, hen voort naar de veste, waar zij hen wilden opsluiten. Maar het werd spoedig duister, en de boschpaden schenen slecht aan de stroopers bekend te zijn. Zij moesten herhaaldelijk lang stilhouden, en zelfs een paar maal op hun pad terugkeeren, om weder op den rechten weg te komen. De zomermorgen brak aan, eer zij met de volkomene bewustheid, dat zij op het rechte spoor waren, konden verder gaan. Maar het vertrouwen keerde met den dag terug, en de ruiters joegen nu ijlings voorwaarts. Intusschen viel het volgende gesprek tusschen de twee aanvoerders der bandieten voor.
"Het is tijd, dat gij ons verlaat, ridder Maurice," zei de Tempelier tegen De Bracy, "om het tweede bedrijf van uw mysterie op het tooneel te brengen. Gij weet, dat gij nu den bevrijder moet spelen."
"Ik heb mij bedacht," antwoordde De Bracy; "ik zal u niet verlaten, eer de prijs behoorlijk in Front-de-Boeuf's kasteel in veiligheid is. Dáár zal ik in mijne eigene gedaante voor de Jonkvrouw Rowena verschijnen, en vertrouw, dat zij de gewelddadigheid, waaraan ik mij schuldig gemaakt heb, om den wille mijner hevige liefde zal vergeven."
"En wat heeft u van plan doen veranderen, De Bracy?" vroeg de Tempelier.
"Dat raakt u niet!" antwoordde zijn makker.
"Ik wil evenwel hopen, heer ridder," zei de Tempelier, "dat deze verandering van maatregel niet aan achterdocht omtrent mijne eerlijkheid, welke Fitzurse getracht heeft in te boezemen, toe te schrijven zij?"
"Mijne gedachten zijn vrij," antwoordde De Bracy; "de booze lacht, zegt men, wanneer een dief den anderen besteelt, en wij weten, dat al spuwde hij ook wezenlijk vuur en zwavel, het nooit een tempelier zou afschrikken, om zijne lusten niet te volgen."
"Of den aanvoerder van een vrijbende," hervatte de Tempelier, "om van zijn makker en vriend het onrecht te vreezen, dat hij tegen alle menschen uitoefent."
"Dit is nutteloos en gevaarlijk twisten," hernam De Bracy; "het zij genoeg, dat ik de zeden der Tempeliers ken, en ik wil u de macht niet geven, om den schoonen buit te kapen, voor welken ik zoo groot gevaar geloopen heb."
"Bah!" zei de Tempelier. "Wat hebt gij te vreezen?--Gij kent immers de geloften mijner orde."
"Zeer goed," hernam De Bracy, "en ik weet ook, hoe ze nagekomen worden. Kom, kom, heer Tempelier, de wetten der galanterie worden in Palestina zeer vrij uitgelegd, en dit is een geval, in hetwelk ik volstrekt niet op uw geweten vertrouwen zal."
"Hoor dan de waarheid," hervatte de Tempelier. "Ik bekommer mij niet om uwe blauwoogige schoonheid. Er is ééne bij den hoop, die mij veel beter bevalt."
"Hoe! zoudt gij u tot eene dienstbare verlagen?" zei De Bracy.
"Neen, heer ridder;" zei de Tempelier, op trotschen toon; "tot eene dienstbare zal ik mij niet verlagen. Ik heb een prijs onder de gevangenen, even schoon, als de uwe."
"Bij de heilige mis, gij meent de schoone Jodin!" zei De Bracy.
"En wat dan?" hernam De Bois-Guilbert. "Wie zal mij tegenhouden?"
"Niemand en niets, voor zoover ik weet," hernam De Bracy, "zoo het niet uwe gelofte is, of dat uw geweten zich verzet tegen een liefdehandel met eene Jodin."
"Van mijne gelofte," zei de Tempelier, "heeft onze Grootmeester mij dispensatie verleend. En wat mijn geweten betreft, een man, die driehonderd Saracenen verslagen heeft, behoeft niet iederen misstap op te rekenen, evenals een dorpsmeisje bij haar biecht op den Goeden Vrijdag."
"Gij kent het best uwe eigene voorrechten," hervatte De Bracy. "Ik had echter willen zweren, dat gij meer gedacht hadt om de geldzakken van den ouden woekeraar, dan om de zwarte oogen zijner dochter."