Chapter 18
"Het is mij onverschillig," hernam Gurth, "hoe spoedig hij mij tot zijn doelwit verkiest te maken. Gisteren liet hij Wilfrid, mijn jongen meester, in zijn bloed liggen. Heden heeft hij gepoogd het éénige levend wezen, dat mij ooit vriendschap betoonde, voor mijn aangezicht te dooden. Bij St. Edmond, St. Dunstan, St. Withold, St. Eduard den Martelaar, en alle Saksische heiligen ter wereld," (want Cedric zwoer nooit bij een heilige, die niet van Saksischen oorsprong was, en zijn geheele huisgezin volgde zijn voorbeeld): "ik vergeef het hem nooit!"
"Naar het mij toescheen," zei de nar, die dikwijls als vredemaker in de familie handelde, "was het de bedoeling van onzen heer niet, om Fangs te raken, maar alleen om hem te verschrikken. Want, misschien hebt ge ook opgemerkt, dat hij zich in de stijgbeugels verhief omdat hij voornemens was over den hond heen te werpen; en dat zou hij ook gedaan hebben; maar, daar Fangs op hetzelfde oogenblik opsprong, kreeg hij een schram, die ik met niet meer pik, dan men op een duit leggen kan, aanneem dadelijk te genezen."
"Dacht ik er maar zóó over," zeide Gurth;--"konde ik er slechts zóó over denken;--maar neen;--ik zag dat de spies wèl gemikt was;--ik hoorde ze door de lucht suizen, met al de vertoornde kwaadwilligheid van hem, die ze wierp, en ze trilde nadat ze in den grond geboord was, als uit nijd dat ze haar doel gemist had. Bij het varken, zoo dierbaar aan St. Anthonius, ik verzaak hem!"
De verontwaardigde zwijnenhoeder verviel hierop weder in een norsch stilzwijgen, dat geene pogingen van den nar hem overhalen konden te verbreken.
Intusschen spraken Cedric en Athelstane, de aanvoerders van den stoet, te zamen over den staat van het land, over de oneenigheden der koninklijke familie, over de veeten en twisten der Normandische edelen, en over de kans, die de onderdrukte Saksers hadden, om zich van het Normandische juk te bevrijden, of zich ten minste tot een staat van aanzien en onafhankelijkheid gedurende de burgeroorlogen, die waarschijnlijk zouden uitbreken, te verheffen. Bij de behandeling van dit onderwerp was Cedric vol vuur. De herstelling der onafhankelijkheid van zijn geslacht was de afgod van zijn hart, waaraan hij gaarne zijn geheel huiselijk geluk en de belangen van zijn eigen zoon opgeofferd had. Maar om deze omwenteling ten voordeele van de Britsche inboorlingen te bewerken, moest men noodzakelijk onderling vereenigd zijn, en onder één erkend opperhoofd handelen. De noodzakelijkheid om een opperhoofd uit het Saksische koninklijke huis te kiezen, was niet slechts in zich zelve duidelijk, maar was tevens als eene plechtige voorwaarde aangenomen door hen, aan wie Cedric zijn geheime plannen en zijne hoop had medegedeeld. Athelstane bekleedde ten minste dezen rang: en ofschoon hij weinig verstandelijke vermogens en talenten bezat, die hem als aanvoerder aanbevalen, had hij echter een indrukwekkend uiterlijk, was geen lafaard, aan krijgsoefeningen gewoon, en wel gezind, naar het scheen, om het oor te leenen aan raadgevers, die verstandiger waren dan hij zelf. Bovenal, kende men hem als mild en gastvrij, en men geloofde, dat hij ook zeer goedaardig was. Maar welke aanspraken Athelstane ook bezat, om als het hoofd van het Saksisch verbond te worden aangemerkt, waren echter velen dier natie geneigd, om het recht der Jonkvrouw Rowena boven het zijne te stellen; want zij stamde van Alfred af; haar vader was een opperhoofd geweest, wegens wijsheid, moed en zijn edel karakter beroemd, en zijne nagedachtenis werd door zijne onderdrukte landgenooten zeer vereerd.
Het ware niet moeielijk voor Cedric geweest, indien hij het gewild had, om zich aan het hoofd eener derde partij te plaatsen, welke ten minste even geducht was, als ééne der beide anderen. Om tegen de koninklijke afkomst op te wegen, bezat hij moed, werkzaamheid, geestkracht, en bovenal een vurige verknochtheid aan de zaak, waardoor hij den eernaam van "_de Sakser_" verworven had, en wat geboorte betrof, behoefde hij op dat punt voor niemand onder te doen, dan voor Athelstane en zijne pupil. Deze edele hoedanigheden waren echter niet door den minsten zweem van baatzucht ontsierd; en, in plaats van zijne reeds zwakke natie nog meer te verdeelen, door eene partij voor zichzelven te vormen, was het Cedric's hoofddoel, de reeds bestaande partijen door een huwelijk tusschen Rowena en Athelstane te vereenigen. Er ontstond eene zwarigheid tegen dit, zijn geliefkoosd voornemen, in de wederkeerige liefde van zijne pupil en zijn zoon, en dit was de eerste aanleiding tot de verbanning van Wilfrid uit het vaderlijke huis geweest.
Dezen gestrengen maatregel had Cedric genomen in de hoop, dat, gedurende Wilfrids afwezigheid, Rowena hare genegenheid zou vergeten; maar in deze hoop werd hij bedrogen, eene teleurstelling, die gedeeltelijk kon worden toegeschreven aan de wijze, waarop het meisje was opgevoed. Cedric, voor wien de naam van Alfred die eener godheid was, had de eenig overblijvende spruit van dien grooten vorst met een vereering behandeld, welke in die dagen nauwelijks aan eene erkende prinses betoond werd. Rowena's wil was, in bijna alle gevallen, een wet bij hem in huis geweest; en Cedric zelf, alsof hij besloten had, dat hare oppermacht, ten minste in dien kleinen kring, volkomen erkend zou worden, scheen er trotsch op te zijn, als de eerste harer onderdanen op te treden. Rowena, dus niet alleen aan een vrijen wil, maar ook aan een willekeurig gezag gewend, was door hare vroegere opvoeding geneigd iedere poging te weêrstaan, om hare neiging tegen te werken, of om tegen haren zin over hare hand te beschikken; en scheen besloten hare onafhankelijkheid te handhaven in een geval, waarin zelfs vrouwen, die aan gehoorzaamheid en onderwerping gewoon zijn, aan voogden en ouders zoo dikwerf hun gezag betwisten. Zij kwam rond voor de gevoelens uit, die ze zoo vurig koesterde, en Cedric, die zich niet kon vrij maken van zijn gewone inschikkelijkheid jegens haar, was verlegen, hoe hij zijn invloed als voogd zou doen gelden.
Het was te vergeefs, dat hij beproefde haar te overreden door het vooruitzicht op een toekomstigen troon. Rowena, die veel gezond verstand bezat, beschouwde zijn plan noch als mogelijk, noch als wenschelijk, voor zoover ze er in betrokken was, al had het overigens ook tot stand kunnen gebracht worden. Zonder te trachten hare erkende liefde tot Wilfrid van Ivanhoe te verbergen, verklaarde zij, dat, al bleef haar beminde ridder van haar gescheiden, ze liever toevlucht in een klooster wilde nemen, dan een troon met Athelstane deelen, dien ze altijd veracht had, en nu oprecht begon te haten, wegens het verdriet, dat ze om zijnentwille moest uitstaan.
In weerwil van dit alles volhardde Cedric, die geen hoog denkbeeld van vrouwelijke standvastigheid koesterde, in het beproeven van alle middelen, om het voorgenomen huwelijk, waardoor hij begreep een gewichtigen dienst aan de zaak der Saksers te doen, tot stand te brengen. De plotselinge, avontuurlijke verschijning van zijn zoon in het strijdperk te Ashby, had hij terecht beschouwd, als bijna den doodsteek voor zijne hoop. Zijn vaderlijke liefde had, wel is waar, voor één oogenblik de overhand gekregen op hoogmoed en vaderlandsliefde; maar beiden waren nu weder ontwaakt, en hij was voornemens eene beslissende poging tot de verbintenis van Athelstane en Rowena te doen, en tegelijk alle andere maatregelen te bevorderen, die noodzakelijk schenen, om de Saksische onafhankelijkheid te herstellen.
Over dit laatste onderwerp sprak hij nu met Athelstane, van tijd tot tijd, even als Hotspur, het bejammerende, dat "zulk een schotel vol water en melk" tot zulk een eervol werk moest gebezigd worden. Athelstane was, wel is waar, ijdel genoeg, en liet gaarne zijne ooren streelen met verhalen van zijne hooge afkomst, en van zijn erfelijk recht op hulde en oppermacht. Maar zijne kleingeestige ijdelheid was voldaan, indien hij deze hulde van zijne onmiddellijke onderhoorigen en van de Saksers, die hem naderden, ontving. Al had hij ook den moed om het gevaar te trotseeren, zoo vreesde hij toch de moeite, om het te gaan opzoeken; en terwijl hij de algemeene stellingen van Cedric, omtrent de aanspraken der Saksers op onafhankelijkheid, toestemde, en nog meer overtuigd was van zijn eigen recht om hen te beheerschen, in geval ze deze onafhankelijkheid verwierven, bleef hij toch altijd, wanneer men over de middelen beraadslaagde om deze eischen te handhaven, "Athelstane de Besluitelooze,"--traag, aarzelend, dralend en weifelachtig. De vurige en driftige vermaningen van Cedric hadden even weinig uitwerking op zijn ongevoelig karakter, als gloeiende kogels, die in het water vallende, een weinig gedruisch en rook voortbrengen, en oogenblikkelijk uitgebluscht worden.
Toen Cedric deze taak,--die veel op het aansporen van een vermoeid ros, of het smeden van koud ijzer geleek,--liet varen, en zich tot zijn pupil Rowena wendde, vond hij weinig meer voldoening in het onderhoud met haar; want, daar zijne tegenwoordigheid het gesprek afbrak tusschen de Jonkvrouw en haar vertrouwde over de dapperheid en het lot van Wilfrid, liet Elgitha niet na, hare meesteres en zich zelve te wreken, door over het bezwijken van Athelstane in het strijdperk te spreken, het onaangenaamste onderwerp, dat Cedric's ooren treffen kon. Voor dezen koppigen Sakser werd dus de reis op alle mogelijke wijze verbitterd; zoodat hij, meer dan eens, inwendig het toernooi, hem, die het ingesteld had, en zijne eigene dwaasheid, dat hij er heen gegaan was, verwenschte.
Tegen den middag hielden de reizigers, op voorstel van Athelstane, bij een bron, in den lommer van het woud stil, om hunne paarden te laten rusten, en om zelve eenige ververschingen te gebruiken, waarmede de gastvrije abt een muilezel beladen had. Hun maaltijd duurde vrij lang, en deze verschillende oponthouden maakten het hun onmogelijk, Rotherwood te bereiken, zonder den geheelen nacht door te reizen;--eene omstandigheid, die hen aanspoorde om hun weg schielijker, dan tot dusver, voort te zetten.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Een bende krijgsvolk, dat een eedle Jonkvrouwe Bewaakt, gelijk ik daar vernomen heb, Terwijl ik de achterhoede heimlijk volgde, Is ginds in aantocht naar dit burgslot, Om te overnachten.
Orra, een Treurspel.
De reizigers hadden nu de grenzen van het woud bereikt, en waren op het punt zich in het dichtste gedeelte er van te begeven, dat op dien tijd voor gevaarlijk gehouden werd wegens het groote aantal vrijbuiters, welke onderdrukking en armoede tot wanhoop gedreven hadden, en die de bosschen in zulke groote benden bezetten, dat zij gemakkelijk de zwakke rustbewaarders van die dagen konden trotseeren. Tegen deze roovers echter rekenden Cedric en Athelstane zich bestand, in weerwil van het late uur, daar zij tien bedienden in hun gevolg hadden, behalve Wamba en Gurth, op wier hulp men geen staat kon maken, daar de één een nar en de andere een gevangene was. Men kan er bijvoegen, dat, zoo laat door het woud reizende, Cedric en Athelstane niet minder op hunne afkomst en hun naam steunden, dan op hun moed. De vogelvrij-verklaarden, die de gestrengheid der jachtwetten tot dit wanhopige rooversleven gebracht had, waren voornamelijk boeren en pachters van Saksischen stam, en men geloofde in het algemeen, dat zij de personen en het eigendom hunner landslieden eerbiedigden.
Terwijl de reizigers hun weg voortzetten, werden zij door een herhaald geroep om hulp verschrikt; en naar de plaats rijdende, van waar het kwam, zagen zij, tot hunne verbazing, een draagkoets op den grond staan, waarnaast een jong meisje zat, dat rijk, op Joodsche wijze gekleed was, terwijl een oud man, wiens gele muts aanduidde, dat hij tot dezelfde natie behoorde, op en neder ging, met gebaren van de grootste wanhoop, en de handen wrong, alsof hem een groot ongeluk was overkomen.
Op de vragen van Athelstane en Cedric kon de oude Jood gedurende eenigen tijd alleen antwoorden door de bescherming van alle aartsvaders van het Oude Testament, na elkander aan te roepen, tegen de zonen van Ismaël, die gekomen waren, om hem aan de scherpte van het zwaard over te leveren. Toen hij van zijn overmatigen schrik begon te herstellen, was Izaäk van York (want het was onze oude vriend), eindelijk in staat te vertellen, dat hij te Ashby eene lijfwacht van zes man gehuurd had, met muilezels, om de draagkoets van een zieken vriend te geleiden. Deze troep had aangenomen hem tot Doncaster te vergezellen. Zij waren tot zoover veilig gekomen; maar door een houthakker onderricht zijnde, dat er eene sterke bende vrijbuiters in het bosch vóór hen op de loer lag, hadden Izaäks huurlingen niet alleen de vlucht genomen, maar ook de ezels medegenomen, welke de draagkoets droegen, en den Jood en zijne dochter zonder middelen gelaten, om zich te verdedigen of om weg te komen, zoodat zij waarschijnlijk geplunderd en vermoord zouden worden door de bandieten, die, zooals ze verwachtten, ieder oogenblik op hen aanvallen zouden. "Zoo het den heeren ridders maar behaagde," voegde Izaäk er bij, op een toon van groote nederigheid, "den armen Joden te vergunnen, onder hunne vrijgeleide te reizen, zoo zweer ik bij de twaalf tafels onzer wet, dat er aan een kind van Israël sedert de dagen der ballingschap, nooit een gunst bewezen is, welke met meer dank beloond werd."
"Hond van een Jood!" zei Athelstane, wiens geheugen van dien kleingeestigen aard was, dat het alle kleinigheden en vooral beuzelachtige beleedigingen onthield, "herinnert gij u niet, hoe gij ons in de galerij bij het toernooi getrotseerd hebt? Vecht of vlucht, of maak een overeenkomst met de vrijbuiters, zoo goed gij kunt;--vraag ons niet om gezelschap of hulp; en indien zij alleen zulke menschen berooven, als gij zijt, die de geheele wereld bestelen, dan zal ik hen voor zeer eerlijke lieden houden."
Cedric stemde niet in met het harde oordeel van zijn makker. "Wij zullen beter doen," zei hij, "met hun twee van onze bedienden en een paar paarden te geven, om hen naar het naaste dorp terug te brengen. Dat zal onze macht slechts weinig verzwakken; en met uw goed zwaard, edele Athelstane, en met behulp van de overblijvenden, zal het ons licht vallen, twintig van deze landloopers de spits te bieden."
Rowena, eenigszins verontrust, toen ze hoorde, dat er een zoo groot getal vrijbuiters in de nabijheid was, ondersteunde met kracht het voorstel van haar voogd. Maar Rebekka, plotseling de plaats, waar ze zat, verlatende, en zich een weg door het gevolg heen naar het paard der Saksische dame banende, knielde neder, en kuste, volgens de Oostersche gewoonte, als men zijn meerderen aanspreekt, de slip van Rowena's gewaad. Toen opstaande, en haar sluier terugslaande, smeekte zij haar, in den naam van dien grooten God, welken zij beiden aanbaden, en bij de openbaring van die wet, aan welke ze beiden geloofden, medelijden met hen te hebben, en hun te vergunnen, onder hun geleide verder te reizen. "Het is niet voor mij zelve, dat ik deze gunst verzoek," zei Rebekka; "en niet eens voor dezen armen grijsaard. Ik weet, dat het bij de Christenen eene geringe misdaad, zoo niet eene verdienste is, om ons volk te onderdrukken en te plunderen; en wat kan het ons schelen, of het in de stad, in de woestijn, of in het veld gebeurt? Maar het is in den naam van iemand, die dierbaar is aan velen, en zelfs dierbaar aan u, dat ik u smeek, om dezen zieke met zorg en oplettendheid onder uwe bescherming te laten vervoeren. Want, zoo hem eenig ongeluk overkwam, zou het laatste oogenblik van uw leven nog verbitterd worden, door het berouw van mij mijne bede geweigerd te hebben."
De edele en plechtige houding, waarmede Rebekka dit verzoek deed, gaf er dubbel gewicht aan bij de Saksische schoone.
"De man is oud en zwak," zei zij tot haar voogd, "het meisje is jong en schoon; hun vriend ziek en in levensgevaar; hoewel het Joden zijn, kunnen wij, als Christenen, hen in dezen uitersten nood niet verlaten. Men moet twee pakezels ontladen, en de bagaadje aan twee der lijfeigenen geven. De muilezels kunnen voor de draagkoets geplaatst worden, en wij hebben paarden voor den grijsaard en zijne dochter."
Cedric stemde gereedelijk in haar voorstel toe, en Athelstane voegde er slechts de woorden bij: "Dat zij bij de achterhoede moesten reizen, waar Wamba hen met zijn schild van hout kon beschermen."
"Ik heb mijn schild op het toernooiveld verloren," hervatte de nar, "evenals menig ander en beter ridder dan ik."
Athelstane werd vuurrood, want dit was het geval met hem geweest op den laatsten dag van het toernooi, terwijl Rowena, aan wie deze spotternij goed beviel, en als het ware om de lompe scherts van haar ongevoeligen minnaar weder goed te maken, Rebekka verzocht, naast haar te rijden.
"Dat zou mij niet passen," antwoordde Rebekka met trotsche nederigheid, "daar mijn gezelschap mijne beschermster tot schande zou kunnen aangerekend worden."
Intusschen was de bagaadje reeds overgepakt, want het bloote woord "vrijbuiters" maakte iedereen bijzonder vlug, en het naderen der schemering vermeerderde nog den schrik. Onder het gewoel werd Gurth van het paard genomen, en hij verzocht den nar hem een weinig losser te binden. Het touw werd, misschien voorbedacht, zoo slecht door Wamba weder vastgemaakt, dat Gurth er geen zwarigheid in vond, om zijn armen geheel vrij te maken, en hierop in het bosch sluipende, ontsnapte hij uit het gezelschap.
De drukte was groot geweest, en het duurde eenigen tijd eer Gurth gemist werd; want daar hij, gedurende het overige van de reis, achter een knecht zou rijden, veronderstelde ieder, dat een of ander zijner makkers hem in bewaring had, en toen zij eindelijk elkander toefluisterden, dat Gurth wezenlijk verdwenen was, waren zij in de verwachting van zoo spoedig door de roovers aangevallen te worden, dat men niet veel acht sloeg op dit voorval.
Het pad, waarlangs de troep voortreisde, was thans zoo smal, dat er niet veel meer dan twee ruiters naast elkander konden rijden, en het daalde in een nauw dal neder, dat van een beek doorsneden werd, wier oevers afgespoeld, moerassig, en met kleine wilgenboomen bewassen waren. Cedric en Athelstane, die aan het hoofd van den stoet waren, begrepen, hoe groot het gevaar was, als zij in dezen nauwen pas aangevallen werden; maar daar geen van beiden veel ervaring in den oorlog had, kenden zij geen beter middel om het gevaar te voorkomen, dan zoo schielijk mogelijk voort te rijden. Daarom, zonder veel orde voorwaarts trekkende, waren zij juist met een gedeelte van hun gevolg over de beek gegaan, toen zij tegelijk van voren, van achteren en van beide zijden, met een geweld aangevallen werden, waaraan zij in hun verwarden en slecht voorbereiden toestand onmogelijk krachtigen weerstand konden bieden. Het geroep van: "Een witte draak!--Een witte draak! Sint Georg en oud Engeland!" een krijgsgeschreeuw door de aanvallers aangenomen, als behoorende tot hun aangenomen karakter van Saksische vogelvrij verklaarden, werd van alle kanten gehoord, en van alle kanten verschenen vijanden met eene snelheid, welke hun getal scheen te vermenigvuldigen.
De beide Saksische opperhoofden werden op hetzelfde oogenblik gevangen gemaakt, en ieder onder omstandigheden, die volkomen met zijn karakter overeenstemden. Cedric wierp, zoodra een vijand verscheen, zijn nog overgebleven werpspies op hem, welke, een krachtigere uitwerking hebbende, dan die, welke hij op Fangs gericht had, den man tegen een eikenboom, die toevallig achter hem stond, vastprikte. Tot zoover gelukkig, spoorde Cedric zijn paard, tegen een tweeden vijand, terwijl hij zijn zwaard trok, en met zulke onbedachtzame woede toesloeg, dat zijn kling in een dikken, boven hem hangenden tak zitten bleef, zoodat hij door het geweld van zijn eigen slag ontwapend werd. Hij werd dus dadelijk gevangen genomen, en van zijn paard getrokken door eenige bandieten, die zich om hem heen drongen. Athelstane deelde zijn gevangenschap, daar men de teugels uit zijn hand gerukt had, en hij met geweld van zijn paard gesleept was, lang voordat hij zijn zwaard kon trekken, of eenigen krachtdadigen tegenstand bieden. De bedienden, belemmerd door de bagaadje, en verrast en verschrikt door het lot hunner meesters, werden een gemakkelijke prooi der aanvallers, terwijl Rowena, in het midden van het gezelschap, en de Jood en zijn dochter in de achterhoede, hetzelfde lot ondervonden.
Van den geheelen stoet ontsnapte niemand dan Wamba, die bij deze gelegenheid veel meer moed betoonde, dan zij, die aanspraak maakten op een grooter verstand. Hij greep een zwaard, dat aan een der bedienden behoorde, die het juist met een trage en besluitelooze hand uittrekken wilde, sloeg om zich heen als een leeuw, dreef verscheidenen terug, die hem te nabij kwamen, en deed een dappere, schoon vruchtelooze poging, om zijn meester te redden. Zich overmand ziende, wierp de nar zich eindelijk van het paard, drong in het dichte bosch, en ontsnapte, door de algemeene verwarring begunstigd, van het tooneel van het gevecht. Evenwel weifelde de dappere nar, zoodra hij zich in veiligheid bevond, een tijdlang, of hij niet zou terugkeeren en de gevangenschap van een meester deelen, aan wien hij hartelijk verkleefd was.
"Ik heb de menschen van de zegeningen der vrijheid hooren spreken," zei hij bij zich zelven; "maar ik wenschte wel, dat de een of ander verstandig man mij wilde onderrichten, wat gebruik ik er van maken moet, nu ik ze bezit."
Terwijl hij deze woorden luide uitsprak, riep een stem zeer dicht bij hem, op zachten en voorzichtigen toon: "Wamba!" en te gelijker tijd sprong een hond, in welken hij Fangs herkende, tegen hem op en liefkoosde hem. "Gurth!" antwoordde Wamba met dezelfde voorzichtigheid, en in denzelfden oogenblik stond de zwijnenhoeder voor hem.
"Wat is er te doen?" vroeg hij angstig; "wat beduidt dat geschreeuw en dat zwaardgekletter?"
"'t Is niets ongewoons in onze tijden," hernam Wamba; "ze zijn allen gevangen."
"Wie is gevangen?" riep Gurth ongeduldig.
"Onze heer, en de Jonkvrouw, en Athelstane, en Hundebert, en Oswald."
"In 's hemels naam!" zei Gurth, "hoe zijn ze gevangen geraakt?--En in wiens handen?"
"Onze meester was al te gereed om te vechten," zei de nar; "en Athelstane was niet gereed genoeg, en de anderen waren in het geheel niet gereed. Ze zijn gevangen genomen door menschen in groene rokken, met zwarte maskers. En ze liggen nu allen op het gras, evenals de wilde appels, die gij voor uw zwijnen afschudt. En ik zou er om lachen," zei de eerlijke nar, "als ik maar kon, in plaats van te schreien." En daarbij stortte hij tranen van ongeveinsde droefheid.
Gurth's gelaat gloeide.--"Wamba," zei hij, "gij hebt een wapen, en uw moed was altijd grooter, dan uw verstand;--wij zijn maar met ons beiden, maar een onverwachte aanval van kloekmoedige mannen kan veel afdoen:--volg mij!"
"Waarheen?--en wat wilt ge?" vroeg de nar.
"Cedric bevrijden!"
"Maar gij hebt u eerst eenige oogenblikken geleden aan zijn dienst onttrokken," zei Wamba.
"Dat was maar," antwoordde Gurth, "zoo lang hij gelukkig was:--volg mij."
Toen de nar op het punt was van te gehoorzamen, verscheen er eensklaps een derde, die aan beiden beval te blijven staan. Naar zijn kleeding en wapenen zou Wamba hem voor een der roovers gehouden hebben, die zoo even zijn meester aangevallen hadden; maar behalve dat hij geen masker droeg, deed de glinsterende draagband over zijn schouders, aan welke een schoone jachthoorn hing, zoowel als de kalme en gebiedende uitdrukking zijner stem en gebaren, hem, in weerwil van het schemerlicht, erkennen als Locksley, den schutter, die onder zulke ongunstige omstandigheden, den prijs bij het boogschieten weggedragen had.
"Wat beduidt dit alles?" vroeg hij. "Wie plundert, rooft en maakt gevangenen in dit woud?"