Ivanhoe

Chapter 17

Chapter 173,882 wordsPublic domain

"Mijnheer de ridder," hernam de geestelijke, "dit zijn gevaarlijke woorden en ik bid u, onthoud u er van. Ik ben een heremiet, een getrouwe dienaar van den Koning en van de wetten, en indien ik mijns Vorsten wild roofde, zou ik zeker in de gevangenis komen, en, als mijn geestelijk gewaad mij niet redde, zou ik zelfs in gevaar verkeeren van opgehangen te worden."

"En toch, zou ik, in uwe plaats," zei de ridder, "eene wandeling in het maanlicht doen, als de houtvesters en boschwachters warm te bed liggen; en terwijl ik mijn gebeden prevelde,--zou ik een pijl tusschen de kudden wild laten vliegen, die op de open plaatsen weiden.--Zeg mij de waarheid, heilige man, hebt gij dit genoegen nooit gesmaakt?"

"Vriend ridder," antwoordde de heremiet, "gij hebt alles van mijne huishouding gezien, wat u kan aangaan, en zelfs iets meer dan een man verdient te zien, die zich met geweld opgedrongen heeft. Geloof mij, het is beter, het goede te genieten, dat God u zendt, dan met onbeschaamde nieuwsgierigheid te vragen, vanwaar het komt. Vul uw beker, en wees welkom; en noodzaak mij niet, bid ik u, door verdere onbeschaamde vragen, om u te toonen, dat het u moeielijk zou gevallen zijn hier een verblijf te vinden, als ik mij er ernstig tegen had willen verzetten."

"Op mijn woord," zei de ridder, "gij maakt mij nieuwsgieriger dan ooit! Gij zijt de geheimzinnigste kluizenaar, dien ik ooit ontmoette; en ik moet u nader leeren kennen, eer wij scheiden. Wat uw bedreigingen aangaat, heilige man, verneem, dat gij met iemand spreekt, die er zijn beroep van maakt, het gevaar te zoeken, overal waar het te vinden is."

"Mijnheer de Luiaard, ik drink u toe," zei de heremiet, "met veel eerbied voor uw dapperheid, maar met bedroefd weinig achting voor uwe bescheidenheid. Als gij het met gelijke wapenen tegen mij opnemen wilt, zal ik u in alle vriendschap en broederlijke liefde een zoo voldoende boete opleggen, en zoo volkomen absolutie geven, dat gij in de eerste twaalf maanden niet weder zult bezondigen aan overdreven nieuwsgierigheid."

De ridder deed hem bescheid, en verzocht hem te zeggen, welk wapen hij verkoos te gebruiken.

"Er zijn er geene," hernam de heremiet, "van Delila's schaar en Jaëls tienduims spijker, tot aan Goliaths slagzwaard toe, waarmede ik niet tegen u bestand ben;--maar dewijl gij mij de keus laat, wat dunkt u, vriend, van dit speelgoed?"

Dit zeggende, opende hij een ander hok, en nam er twee zwaarden en twee schilden uit, van de soort, die toen bij de landlieden in gebruik waren. De ridder, die zijne bewegingen bespiedde, bespeurde, dat deze tweede bergplaats voorzien was van twee of drie goede bogen, een handboog, een bundel lange pijlen voor de eersten, en een half dozijn bundels kleinere pijlen voor den laatste. Een harp, en andere zaken van zeer wereldsch aanzien, werden insgelijks zichtbaar, toen deze duistere hoek geopend werd.

"Ik beloof u, heilige man," zei de ridder, "dat ik u geene beleedigende vragen meer zal doen. De inhoud van deze kast is een voldoend antwoord op al mijne vragen; en hier zie ik een wapen," (zich bukkende om de harp op te nemen), "waarmede ik liever mijn kracht tegen u wil beproeven, dan met zwaard en schild."

"Ik hoop, heer ridder," zei de kluizenaar, "dat gij geene gegronde reden hebt gegeven tot uw bijnaam van Luiaard? Ik verzeker u, dat ik u zeer sterk verdenk. Maar gij zijt mijn gast, en tegen wil en dank, wil ik uwe dapperheid niet op de proef stellen. Ga dus zitten, en vul uw beker; laat ons drinken, zingen en vroolijk zijn. Als gij maar een mooi liedje kent, zult gij te Copmanshurst welkom zijn op een stuk pastei, zoo lang ik in de kapel van St. Dunstan dienst doe, dat, indien het God behaagt, zoolang zal zijn, tot ik mijn grijs gewaad met een dekmantel van groene zoden verwissel. Maar komaan, vul den beker; want er zal eenige tijd toe vereischt worden om de harp te stemmen; en niets smeert de keel en scherpt het gehoor zoo goed, als een teug wijn. Wat mij aangaat, ik houd er veel van, om het druivensap tot in de toppen mijner vingers te gevoelen, eer ze de snaren aanraken."

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

'k Ontsluit in gindschen stillen hoek Des avonds 't zwaar gekoperd boek, Waarin zoo menig heilge daad Van vrome martelaren staat; En dreigt mijn lamplicht uit te gaan, 'k Hef, voor ik slaap een lofzang aan. . . . . . . . . . . . . . . . Wie legt ook voor mijn kleed en staf Niet gaarne 's wereld glorie af, En geeft niet ver mijn stille kluis De voorkeur, boven 't aardsch gedruisch?

Warton.

Niettegenstaande het voorschrift van den vroolijken kluizenaar, waarmede zijn gast van harte instemde, vond deze het geen gemakkelijke taak, om de harp te stemmen.

"Het komt mij voor, eerwaarde vader," zei hij, "dat er ééne snaar aan het instrument ontbreekt, en dat de overigen eenigszins bedorven zijn door een slecht spel."

"Ei, ei, merkt gij dat nu al?" hernam de heremiet; "dat verraadt den meester in de kunst. Wijn en goede sier!" voegde hij er ernstig bij, de oogen opslaande:--"Dit alles is de schuld van den wijn! Ik waarschuwde Allen-a-Dale, den noordschen speelman, dat hij de harp zou beschadigen, indien hij ze na den zevenden beker aanraakte; maar hij wilde zich niet laten gezeggen:--Vriend, op uw gelukkige uitvoering!"

Dit zeggende, ledigde hij den beker met veel deftigheid, tevens het hoofd schuddende over de onmatigheid van den Schotschen speelman.

Intusschen had de ridder de snaren zoowat gestemd, en na een kort voorspel, vroeg hij zijn gastheer of hij een _sirvente_ in de taal van _Oc_, of een _Lai_ in de taal van _Oui_, of een _Ballade_, in gewoon Saksisch, verlangde? [18]

"Een ballade, een ballade," zei de heremiet, "boven al de _Ocs_ en _Ouis_ van Frankrijk. Ik ben een oprecht Brit, heer ridder! en oprecht Engelsch was mijn patroon St. Dunstan, en hij verachtte _Oc_ en _Oui_ evenzeer als hij den afval van des duivels hoef zou veracht hebben;--oprecht Saksisch alleen zal in mijn cel gezongen worden."

"Dan zal ik," zei de ridder, "een ballade beproeven, door een Saksischen zanger, dien ik in het Heilige Land kende, gedicht."

Het bleek weldra, dat, ofschoon de ridder geen volkomen meester was in de toonkunst, zijn smaak ten minste door een goeden leeraar was aangekweekt. Zijn stem, die van weinig omvang was, en van natuur eerder ruw dan zacht, was door oefening buigzaam en welluidend geworden,--kortom, de kunst had alles aangewend, om in de gebreken der natuur te voorzien. Zijn uitvoering had dus door meer bevoegde rechters dan de kluizenaar kunnen geprezen worden, te meer daar de ridder beurtelings met een geestdrift en een gevoel zong, die den verzen, die hij voordroeg, kracht en nadruk bijzetten.

DES KRUISRIDDERS TERUGKOMST.

De ridder was beroemd, vereerd, Uit Palestina weergekeerd; Het kruisbeeld raakte in storm en strijd Op d' armband glans en luister kwijt; Zijn schild getuigde in beuk en bocht Hoe menig vijand hij bevocht; Hij zong voor Tekla's venster thans Dit minnelied bij d' avondglans:--

Gegroet, o Schoone! aanschouw uw held, Van 't Heilig Land tot u gesneld; Hij brengt geen rijkdom, hem niets waard; Alleen zijn wapens, spoor en paard, Om naar den vijand heen te snellen, Zijn lans en zwaard, hem neer te vellen, Zijn de eereteekens van zijn moed, En o!--de hoop op Tekla's gloed.

Gegroet, o Schoone! uw gunstig woord Heeft steeds uw ridder aangespoord; Zij dan uw naam alom vermaard, Waar 't puik der vrouwen ook vergaart; Heraut en 's minnezangers lied Vraagt: Ziet ge gindsche Schoone niet? De zege is t' Askalon behaald, Voor 't licht, dat uit haar oogen straalt.

Het staal, eens door haar lach gewet, Heeft ook, in spijt van Mahomet, Iconiums Sultan neergehouwen, Verweduwd meer dan vijftig vrouwen; Van 't goudgeel haar geen enkel, neen! Hoe 't golft, in weeldrigen overvloed, Om 't zilver van haar boezem heen, Waarvoor geen heiden heeft gebloed.

Gegroet, o Schoone! U dank ik naam, En elke daad van roem en faam: Ontsluit de poort, 't is laat, 't is guur, De nevel valt in 't nachtlijk uur, Mijn lijf door Syrië's zon verbrand, Weerstaat geen kou van 't Noorderland; Ik breng u roem, verzacht uw zin, Verblijd mijn hart door wedermin.

Onder de uitvoering van dit stuk gedroeg zich de kluizenaar vrij wel als een hedendaagsche _criticus_ van den eersten rang bij eene nieuwe opera. Hij legde zich achterover op zijn stoel, met halfgesloten oogen: nu eens de handen vouwende en de duimen tegen elkander wrijvende, scheen hij in aandacht verzonken, en dan weer, de uitgestrekte handen bewegende, sloeg hij zachtjes de maat der muziek. Bij een of twee schoone passages verleende hij zelf een weinig hulp, waar des ridders stem niet krachtig genoeg scheen, om de hooge tonen zoo uit te brengen, als volgens zijn wijs oordeel noodig was. Toen de ridder zweeg, verklaarde de heremiet nadrukkelijk, dat hij schoon en goed gezongen had.

"En echter," zei hij, "komt het mij voor, dat mijn Saksische landsman lang genoeg onder de Normandiërs heeft verkeerd, om in den zwaarmoedigen toon hunner liederen te vallen. Wat riep den eerlijken ridder van huis? En wat kon hij anders verwachten, dan bij zijne terugkomst zijn jonkvrouw gelukkig met een mededinger verbonden, en zijne _serenade_ even weinig geëerbiedigd te zien, als het geschreeuw eener kat op het huisdak? Evenwel, Heer ridder! ik breng u dezen beker toe, op den goeden uitslag van alle trouwe minnaars;--ik vrees, dat gij daar niet onder behoort!" voegde hij er bij, toen hij zag dat de ridder (wiens brein door de herhaalde teugen begon verhit te worden), zijn beker uit de waterkruik aanvulde.

"Waarom?" zei de ridder; "Hebt gij mij niet gezegd, dat dit water uit de bron van uwen beschermheilige, St. Dunstan, was?"

"Wel zeker," hernam de kluizenaar, "en eenige honderd heidenen heeft hij er in gedoopt; maar ik heb nooit gehoord, dat hij er van gedronken heeft. Ieder ding in de wereld heeft zijn nut. St. Dunstan kende, zoo goed als iemand, de voorrechten van een lustigen monnik."

En dit zeggende, nam hij de harp, en onthaalde zijn gast op het volgende karakteristieke lied, op de wijze van een oud Engelsch gezang, met een soort van _derrydown_ koor. [19]

DE BARREVOETER MONNIK.

Ik geef u, mijn vriend! twalef maanden ten beste, Doorzoek heel Europa van het Oost tot het Westen, Neen, niemand vindt elders, hij zoek wat hij kan, Dan den Barvoeter Monnik gelukkiger man.

Getogen ten strijd voor geliefde en voor de eer, Keert 's avonds uw ridder verwond door de speer, Dan haastig gebiecht; voor hem vindt zijn getrouwe Bij den Barvoeter Monnik slechts heul in haar rouwe.

Uw koning? O he!--van zoo menig ik weet, Die 't purper verruilde voor 't harige kleed; Maar 'k vraag u, wie hoorde het ooit in zijn leven, Dat een Monnik zijn kap voor een kroon heeft gegeven?

De wereld doorkruist hij, en waar hij verschijne, Het vette der aarde blijft immer het zijne, Zoo doolt hij naar lust en vermoeit hem de reis, Voor den Barvoeter openen zich hut en paleis.

Ter maaltijd verwacht, zal geen bengel het wagen, Zijn armstoel te ontwijden, naar het beste te vragen, De hoofdschotel blijft en de plaats bij den haard Onbetwist, voor den Barvoeter Monnik bewaard.

Des avonds te gast, haalt de vrouw de pastei En vult hem de bierkruik en schotel daarbij, En, moest ook haar man in de modder zich keeren, Zal de Barvoeter Monnik geen peluw ontberen.

Sandaal dan en koord en kap ga het wel; 't Geloof aan den Paus en de vrees voor de Hel; Want rozen op aard, zonder doornen te plukken, Mag alleen aan den Barvoeter Monnik gelukken.

"Op mijn woord," zei de ridder, "goed en krachtig gezongen, en zeer tot roem van uw orde. Maar, van den duivel gesproken, heilige man, vreest gij niet, dat hij eens een bezoek bij u zal afleggen, te midden uwer zeer wereldsche vermaken?"

"Ik wereldsch!" antwoordde de heremiet; "ik ontken het,--ik loochen het geheel en al! Ik doe behoorlijk en trouw dienst in mijne kapel. Dagelijks twee missen; 's morgens en 's avonds,--vroegdienst, namiddagdienst en vesper, _ave's_, _credo's_, _pater's_."

"Uitgezonderd in de maanlichte nachten, in den jachttijd," zei zijn gast.

"_Exceptis excipiendis_," hernam de heremiet, "zooals onze oude abt mij leerde zeggen, als de een of andere onbeschaamde leek mij vroeg, of ik alle plichten mijner orde vervulde."

"Goed zoo, eerwaarde vader," zei de ridder, "maar de duivel is in staat, een oog te houden op zulke uitzonderingen; hij gaat rond, gelijk gij weet, als een brieschende leeuw."

"Laat hem maar hier komen, als hij durft," zei de monnik, "één slag met mijn touw zal hem even luid doen brullen, als de tang van St. Dunstan zelven. Ik vreesde nooit een menschelijk wezen, en even weinig vrees ik den duivel en zijn makkers.--Met behulp van St. Dunstan, St. Dubric, St. Winibald, St. Winifred, St. Swibert, St. Willick, St. Thomas-a-Kent niet te vergeten, en mijn eigene geringe verdiensten, daag ik alle duivels uit, met of zonder staart, laat ze maar vrij komen!--Maar om u een geheim te zeggen, vriend, ik spreek nooit over zulke onderwerpen dan na den vroegdienst."

Hij bracht het gesprek op een ander onderwerp; de vreugde werd luidruchtig en onstuimig, en menig liedje werd beurtelings door hen gezongen, tot hunne nachtelijke uitspanning gestoord werd door een hard geklop aan de deur van de kluis.

De oorzaak dezer stoornis kunnen wij niet anders verklaren, dan door het verhaal der lotgevallen van eenige andere onzer personaadjes weder op te vatten; want wij stellen er geen eer in, evenmin als de oude Ariosto, om steeds dezelfde personen van ons drama gezelschap te houden.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Nu slingert onze tocht door diepe kloof en dalen, Waar reeën dartelend' bij haar schuwe moeders dwalen, De hooge en statige eik zijn takken overhangt, Wiens breed gevormde kruin het daglicht ondervangt. Kom haastig, haastig voort: 't zijn liefelijke wegen Zoo lang de lieve zon is op haar troon gestegen; Maar minder aangenaam en veilig, als de maan Haar twijfelachtig licht werpt door de donkre blaân.

Het Woud van Ettrick.

Toen Cedric de Sakser zijn zoon bewusteloos in het strijdperk te Ashby zag nedervallen, was zijn eerste natuurlijke opwelling, hem der oppassing en zorg zijner bedienden aan te bevelen; maar de woorden bleven hem in de keel. Hij kon er niet toe besluiten, om in tegenwoordigheid van zulk gezelschap, zijn zoon, dien hij verstooten en onterfd had, weder aan te nemen. Echter beval hij Oswald hem in het oog te houden en zond den schenker met twee zijner lijfeigenen om Ivanhoe naar Ashby te brengen, zoodra de menigte verstrooid zou zijn. Maar iemand anders was Oswald in deze zorg voor geweest. De menigte ging wel uiteen; maar de ridder was nergens te zien.

Te vergeefs zocht Cedric's schenker naar zijn jongen meester:--hij zag de bebloede plek, waar hij kort te voren was nedergezonken, maar hij zelf was niet meer te vinden; het was alsof men hem door tooverij had weggevoerd. Misschien zou Oswald zoo iets verondersteld hebben (want de Saksers waren zeer bijgeloovig), om Ivanhoe's verdwijning te verklaren, ware niet plotseling zijn oog gevallen op iemand, in de kleeding van een schildknaap, in wien hij weldra zijn dienstmakker Gurth herkende. Vol zorg over het lot van zijn meester, en wanhopig over zijne plotselinge verdwijning, zocht hem de vermomde zwijnenhoeder overal, en had dus de geheimhouding van zijne rol, waaraan zijn eigene veiligheid afhing, uit het oog verloren. Oswald achtte het zijn plicht Gurth in verzekerde bewaring te nemen, als een vluchteling, over wiens lot zijn meester beslissen moest.

Zijne nasporingen aangaande Ivanhoe's lot vervolgende, kon de schenker geen ander bericht dienaangaande van de omstanders verkrijgen, dan dat de ridder door zekere welgekleede bedienden zorgvuldig opgenomen, op een draagbaar geplaatst, die aan eene dame onder de toeschouwers toebehoorde, en oogenblikkelijk uit het gedrang weggevoerd was. Na deze opheldering ontvangen te hebben, besloot Oswald tot zijn meester terug te keeren, om hem zelf verdere nasporingen te laten doen, terwijl hij Gurth, dien hij als overlooper uit Cedric's dienst beschouwde, medevoerde.

De Sakser was in grooten angst over het lot van zijn zoon geweest; want de natuur had hare rechten, in weerwil van het stoïcisme, hetwelk die verloochenen wilde, gehandhaafd. Maar nauwelijks had hij vernomen dat Ivanhoe in goede handen was,--en waarschijnlijk in die van vrienden,--of de vaderlijke angst, door het onzekere van zijn lot opgewekt, week voor het gevoel van beleedigden hoogmoed, en voor de herinnering aan hetgeen hij Wilfrids kinderlijke ongehoorzaamheid noemde. "Men late hem aan zijn lot over," zei hij; "mogen diegenen zijne wonden genezen, voor wie hij ze ontvangen heeft. Hij is beter geschikt, om de dwaasheden der Normandische ridderschap na te volgen, dan om den roem en de eer zijner Saksische voorouders met het zwaard en den knots, de goede oude wapens van zijn vaderland, te handhaven."

"Als het genoeg is," zei Rowena, die tegenwoordig was, "de eer zijner voorouders te handhaven, door wijs te zijn in raad, en moedig in de daad,--door de stoutste onder de stouten, en de edelste onder de edelen te zijn; dan ken ik niemand, behalve zijn vader"--

"Stil, Rowena!--over dit onderwerp alleen, wil ik u niet aanhooren. Maak u gereed voor het feest van den Prins; wij zijn genoodigd met buitengewone bewijzen van eer en hoffelijkheid,--die de hooghartige Normandiërs, sedert den noodlottigen slag bij Hastings, zelden jegens ons geslacht bezigden. Ik zal gaan, al ware het slechts om de trotsche Normandiërs te toonen, hoe weinig het lot van een zoon, die de dappersten hunner kan verslaan, den Sakser kan aandoen."

"Ik ga niet daarheen," zei Rowena; "en ik bid u neem u in acht, opdat, wat gij moed en standvastigheid noemt, u niet als ongevoeligheid van hart worde toegerekend."

"Blijf dan te huis, ondankbare," antwoordde Cedric; "gij hebt een ongevoelig hart, dat het welzijn van een onderdrukt volk aan eene ijdele en onverstandige liefde kan opofferen. Ik wil mij bij den edelen Athelstane vervoegen, en met hem het gastmaal van Jan van Anjou bijwonen."

Hij ging dus naar het feest, waarvan wij de voornaamste gebeurtenissen hebben vermeld. Zoodra zij het kasteel verlaten hadden, stegen de Saksische _Thanes_ met hun gevolg te paard en onder de drukte, die hiermede gepaard ging, viel Cedric's oog voor het eerst op den overlooper Gurth. De edele Sakser had, gelijk wij gezien hebben, in geen zeer zachte gemoedsstemming het feest verlaten, en het ontbrak hem slechts aan een voorwendsel, om zijn verdriet op iemand uit te storten.

"De boeien!" riep hij uit, "de boeien!--Oswald!--Hundibert!--Honden en schurken! waarom laat gij den schelm ongeketend?"

Gurths makkers bonden hem met een halster, het eerste, wat zij bij de hand hadden, zonder dat iemand het waagde een woord voor hem in te brengen. Hij onderwierp zich zonder tegenstand; maar een verwijtenden blik op zijn meester vestigende, zei hij: "Dat komt er van, dat ik uw vleesch en bloed liever heb dan het mijne."

"Te paard en voorwaarts!" zei Cedric.

"Het wordt waarlijk hoog tijd!" zei de edele Athelstane; "want indien wij niet vlug aanrijden, zullen de toebereidselen van den eerwaarden abt Waltheoff voor een na-avondmaaltijd [20] vergeefs zijn."

Onze reizigers maakten echter zoo veel spoed, dat zij St. Withold's klooster bereikten, eer de gevreesde ramp plaats had. De abt, die zelf uit een oud Saksisch geslacht sproot, ontving den edelen Sakser met de gulle en kwistige gastvrijheid aan dit volk eigen, die hen tot laat in den nacht, of liever tot den vroegen morgen ophield, en zij namen zelfs toen geen afscheid van hun eerwaarden gastheer, voordat zij nog een prachtig ontbijt met hem gebruikt hadden.

Juist toen de stoet de plaats van het klooster verliet, gebeurde er iets, dat de Saksers eenigszins verontrustte; want, onder alle Europeesche volken, waren zij het sterkste gehecht aan een bijgeloovig vertrouwen op voorteekens; en de meeste trekken van dien aard, die onder onze volks-oudheden overgebleven zijn, kunnen tot op hun tijd nagespoord worden; daar de Normandiërs, die een vermengd volk waren, en reeds in die tijden beter onderricht, vele der vooroordeelen afgelegd hadden, die hun voorouders uit Scandinavië hadden medegebracht, en dus ook beweerden, op dergelijke punten groote vrijgeesten te zijn.

In het tegenwoordig geval werd de vrees voor eenig naderend gevaar ingeboezemd door een eerbiedwaardigen profeet in de gestalte van een grooten, mageren, zwarten hond, die op zijne achterpooten zittende, jammerlijk huilde, toen de eerste ruiters de poort uitreden, en vervolgens met woest geblaf heen en weer sprong, voornemens naar het scheen het gezelschap te volgen.

"Die muziek behaagt mij niet, vader Cedric," zei Athelstane; want met dezen eeretitel was hij gewoon hem aan te spreken.

"En mij even weinig, oom," zei Wamba, "ik vrees dat wij--"

"Naar mijn oordeel," zei Athelstane, op wiens geheugen het goede bier van den abt een aangenamen indruk had gemaakt (want Burton was reeds beroemd voor dezen drank), "zouden wij beter doen, als wij terugkeerden, en tot den namiddag bij den abt bleven:--men reist ongelukkig, wanneer men zijn tocht vóór den volgenden maaltijd voortzet, indien men een monnik, een haas, of een huilenden hond heeft ontmoet."

"Voorwaarts maar!" riep Cedric ongeduldig. "De dag is nu al te kort voor de reis. Wat den hond betreft, ik herken hem voor dien van den weggeloopen slaaf Gurth, een ondeugende vluchteling, evenals zijn meester."

Dit zeggende, verhief hij zich in de stijgbeugels, en ongeduldig over het oponthoud, wierp hij zijn spies naar den armen Fangs;--want Fangs was het, die, zijn meester tot dusver op zijn tocht gevolgd hebbende, hem hier verloren had, en nu op zijne ruwe manier zijn blijdschap over zijn bijzijn te kennen gaf. De spies wondde het dier in den schouder en had het bijna aan den grond genageld. Fangs ontvluchtte huilende de tegenwoordigheid van den woedenden _Thane_. Gurths hart kromp ineen; want hij was gevoeliger over dezen voorgenomen moord van zijn getrouwen makker, dan over de wreede behandeling, die hij zelf ondergaan had. Na te vergeefs beproefd te hebben zijn hand aan de oogen te brengen, zei hij tot Wamba, die zoodra hij de slechte luim van zijn meester ontwaarde, zich voorzichtig bij de achterhoede gevoegd had: "Ik bid u, wees zoo goed en veeg mij de oogen af met de slip van uw mantel; het stof hindert mij, en deze banden veroorlooven mij niet mij zelven, op de eene of andere manier, te helpen."

Wamba bewees hem den gevraagden dienst, en zij reden eenigen tijd naast elkander, terwijl Gurth een somber stilzwijgen bewaarde. Eindelijk kon hij zijn gevoeligheid niet langer onderdrukken.

"Vriend Wamba," zei hij; "onder al degenen, die dwaas genoeg zijn om Cedric te dienen, kent gij alleen de kunst, om hem uw dwaasheid aangenaam te maken. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth hem niet langer wil dienen, noch uit liefde, noch uit vrees. Hij mag mij het hoofd afslaan,--hij mag mij laten geeselen,--hij mag mij met ketenen beladen;--maar, van heden af, zal hij mij nooit kunnen dwingen, hem te beminnen, of te gehoorzamen. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth, de zoon van Beowolf, zijn dienst verzaakt."

"Waarachtig," zei Wamba, "in weerwil van al mijne dwaasheid, zal ik uwe dwaze boodschap niet doen. Cedric heeft nog eene werpspies in den gordel, en gij weet, hij mist niet altijd het doel!"