Chapter 16
Den volgenden morgen vertrok de ridder vroegtijdig, met het voornemen om eene groote dagreis te maken, daar zijn paard, dat hij den vorigen morgen zorgvuldig gespaard had, in staat was, een langen tocht te doen, zonder veel te rusten. Zijn voornemen werd echter verijdeld door de onbekende wegen, die hij nam; zoodat, toen de avond hem overviel, hij zich slechts op de grenzen van het _West-Riding_ van Yorkshire bevond. Nu hadden man en paard behoefte aan verkwikking, en het was bovendien, noodig naar een plaats uit te zien, om den snel naderenden nacht door te brengen.
De plek, waar de reiziger zich bevond, scheen noch eene schuilplaats noch voedsel op te leveren, en hij liep gevaar genoodzaakt te zijn, den gewonen leefregel der dolende ridders te volgen, die, bij zulke gelegenheden, hun paarden lieten grazen, en zich nedervlijden aan den voet van een eik om aan hunne jonkvrouw te denken. Maar de Zwarte Ridder had geene jonkvrouw, aan welke hij denken kon, of even onverschillig in de liefde, als hij in den oorlog scheen te zijn, was hij niet hartstochtelijk genoeg met hare schoonheid en wreedheid bezield, om de uitwerkselen van vermoeidheid en honger niet te gevoelen, en de liefde als plaatsvervangster te laten optreden voor de krachtige versterkingen van slaap en maaltijd. Hij was daarom eenigszins verdrietig, toen hij, rondziende, bevond, dat hij in het dichte woud verdwaald was, waarin wel vele opene plaatsen en eenige paden waren, maar die slechts gebaand schenen te zijn door de menigvuldige kudden hoornvee, of door het wild en de jagers, die het vervolgden.
De zon, naar welke de ridder voornamelijk zijn koers gericht had, was nu achter de heuvels van Derbyshire, die aan zijn linkerhand lagen, ondergegaan, en elke poging om zijne reis te vervolgen, kon hem even gemakkelijk van den weg verwijderen als nader brengen. Na vruchteloos getracht te hebben, het meest gebaande pad uit te zoeken, in de hoop, dat het hem naar de hut van eenig herder, of het verblijf van den een of anderen houtvester zou voeren, en bij herhaling besluiteloos te zijn gebleven in zijne keus, nam hij zich voor, alles aan het instinkt van zijn paard over te laten, daar de ondervinding, bij vroegere gelegenheden, hem de verwonderlijke gave dezer dieren, om zich zelven en hun ruiters uit dergelijke moeielijkheden te redden, had leeren kennen.
Uitgeput door zulk een lange reis, onder een gewapenden en geharnasten ruiter, had het schoone paard nauwelijks aan den slappen teugel gevoeld, dat het aan zijn eigen leiding was overgelaten, of het scheen nieuwe kracht en moed te verkrijgen; en terwijl het te voren bijna niet anders dan door steunen den spoorslag beantwoord had, spitste het nu de ooren, alsof het trotsch was op het vertrouwen, dat men het schonk, en verhaastte uit vrijen wil zijn gang. De weg, welken het dier insloeg, week af van dien, welken de ridder gedurende den dag gevolgd had; maar daar het paard vol vertrouwen deze keuze scheen te doen, liet de ridder zich geheel en al aan zijn ros over.
De uitkomst rechtvaardigde zijne verwachting; spoedig scheen de weg iets breeder en meer begaanbaar te worden, en het luiden van een klokje onderrichtte den ridder, dat hij zich in de nabijheid van een kapel of kluizenaarshut bevond.
Hij bereikte ook spoedig een open grasplein, aan welks overkant zich een steile rots verhief op een zacht hellende vlakte, en den reiziger een grijzen en verweerden kruin vertoonde. Op sommige plaatsen was ze met klimop bekleed; elders hingen eiken- en hulststruiken, wier wortels in de spleten der rots voedsel vonden, over den grond, evenals de vederbos eens krijgsmans over zijn stormhoed, bevalligheid verleenende aan een tooneel, dat anders schrikwekkend geweest ware. Aan den voet der rots was een ruwe hut gebouwd, die als het ware er tegen leunde, en voornamelijk bestond uit stammen van boomen, in het naburige woud geveld, en tegen het weder beschut door mos, met klei doormengd, in de reten te stoppen. De stam van een jongen denneboom, van de takken beroofd, waaraan, bij den top, kruiselings een stuk hout was gebonden, was voor de deur opgericht, als een ruw zinnebeeld van het heilige kruis.
Op een kleinen afstand, aan de rechterhand, ruischte uit de rots eene beek van het zuiverste water, dat opgevangen werd in een hollen steen, tot eene ruwe kom uitgehouwen. Uit deze kom murmelde de beek naar beneden over een bedding, die ze sedert lang uitgehold had, kronkelde verder door het kleine dal, en verdween in het aangrenzende woud.
Ter zijde van deze beek stonden de bouwvallen van een zeer kleine kapel, waarvan het dak gedeeltelijk ingevallen was. In zijn geheel was het gebouw niet meer dan zestien voet lang en twaalf voet breed, en het dak, dat naar evenredigheid laag was, rustte op vier boven samenloopende bogen, die zich uit de vier hoeken van het gebouw verhieven, ieder ondersteund door eene korte dikke zuil. De zijden van twee dezer bogen waren blijven staan, ofschoon het dak tusschen beide was ingestort: over de beide andere bestond het nog in zijn geheel. De ingang tot deze overoude plaats van godsvereering was door een zeer lagen boog, versierd met verscheidene rijen van dat gevlamd loofwerk, op haaientanden gelijkende, dat men dikwijls nog in oude Saksische gebouwen ziet. Een torentje verhief zich boven den ingang op vier dunne pilaren, en daarin hing de oude en verweerde klok, wier zwakke tonen door den Zwarten Ridder eenigen tijd geleden gehoord waren.
Het vreedzame en stille tooneel vertoonde zich in het zwakke schemerlicht aan de oogen des reizigers, en voorspelde hem een goed nachtverblijf, daar het vooral de plicht der kluizenaars was, die in de wouden leefden, herbergzaamheid uit te oefenen jegens reizigers, die door den nacht overvallen en verdwaald waren.
Derhalve gaf de ridder zich geen tijd om de bijzonderheden, die wij beschreven hebben, nauwkeurig op te nemen, maar den heiligen Julianus (den beschermheilige der reizigers) dankende, dat hij hem in een veilige haven gebracht had, sprong hij van zijn paard en klopte tegen de deur der kluizenaarshut met zijn lans, om zich aan te melden, en binnen gelaten te worden.
Het duurde vrij lang, eer hij eenig antwoord kreeg; en het bescheid, toen het eindelijk kwam, was ongunstig.
"Ga voorbij, wie gij ook zijn moogt," klonk het antwoord, uitgesproken met een diepe, schorre stem binnen in de hut, "en stoor den dienaar van God en van den heiligen Dunstan niet in zijn avondgebed."
"Eerwaarde vader," antwoordde de ridder, "hier is een arm reiziger, die in het bosch verdwaald, u gelegenheid geeft, uwe menschlievendheid en herbergzaamheid uit te oefenen."
"Broeder," hernam de bewoner der kluis, "het heeft der Heilige Maagd en den heiligen Dunstan behaagd, mij tot een voorwerp dezer deugden, in plaats van tot een beoefenaar er van te bestemmen. Ik heb hier geen levensmiddelen, welke zelfs een hond met mij zou willen deelen, en een paard, aan eenige zorg en verpleging gewoon, zou mijn strooleger verachten: zet daarom uw reis voort, en God geleide u!"
"Maar," zei de ridder, "hoe is het mij mogelijk den weg te vinden door zulk een bosch, in de naderende duisternis? Ik bid u, eerwaarde vader, zoo gij een Christen zijt, uwe deur te openen, en mij ten minste den weg te wijzen."
"En ik bid u, lieve mede-Christen," hernam de kluizenaar, "mij niet verder te storen. Gij hebt mij reeds belet één _pater_, twee _ave's_ en een _credo_ te spreken, welke ik, ellendige zondaar, die ik ben, volgens mijn gelofte moest hebben opgezegd, vóór het opkomen der maan."
"Wijs mij den weg!--den weg!" schreeuwde de ridder, "indien ik dan anders niet van u verkrijgen kan."
"De weg," hernam de heremiet, "is gemakkelijk te vinden. Uit het woud geleidt het pad naar een moeras, van daar naar een doorwaadbare plaats, die misschien thans begaanbaar is, daar het weinig geregend heeft. Als gij deze plaats doorwaad hebt, moet gij voorzichtig te voet gaan langs den linker oever, wijl die op sommige plaatsen vrij steil is, en het pad, dat boven de rivier hangt, is, naar ik gehoord heb (want ik verlaat zelden mijne kapel), op sommige plekken, onlangs ingezakt. Van hier gaat gij rechtuit tot--"
"Een ingezakt pad--een afgrond--een doorwaadbare rivier, en een moeras!" riep de ridder hem in de rede vallende.--"Heer kluizenaar, al zijt ge de heiligste van allen, die ooit een baard droegen, of een rozekrans baden, zult gij mij toch niet overhalen, om heden dezen weg te volgen. Ik zeg u, dat gij, die van de liefdadigheid in het land leeft, en naar ik veronderstel van eene slecht verdiende liefdadigheid,--geen recht hebt een reiziger in den nood eene schuilplaats te weigeren. Doe uwe deur spoedig open, of--bij het Kruis,--ik sla ze in, en verschaf mij zelf ingang!"
"Vriend reiziger," hernam de heremiet, "wees niet lastig; als ge mij noodzaakt een vleeschelijk wapen te gebruiken te mijner verdediging,--des te erger voor u!"
Op dit oogenblik werd een dof geknor en geblaf, dat de reiziger reeds eenigen tijd gehoord had, luid en hevig, en hieruit veronderstelde de ridder, dat de kluizenaar, verontrust door zijn bedreiging van zich met geweld een toegang te banen, de honden geroepen had uit het binnenste van het hol, waarin zij opgesloten geweest waren, om hem in zijne verdediging bij te staan.
Verstoord over des kluizenaars voorbereiding ter handhaving van zijn ongastvrijheid, schopte de ridder zoo geweldig tegen de deur, dat de posten zoowel als de hengsels begonnen te wankelen.
De kluizenaar, die zijn deur niet opnieuw aan een dergelijken aanval wilde blootstellen, riep hard op: "Geduld, geduld!--spaar uwe krachten, goede reiziger, en ik zal de deur dadelijk openen, ofschoon het u misschien weinig genoegen verschaffen zal."
De deur werd dus geopend en de heremiet, een groot, forsch man, stond voor den ridder in een haren kleed en kap, met een biezen touw vastgemaakt. In de eene hand hield hij een brandende fakkel, en in de andere een knuppel van een wilden appelboom, zoo dik en zwaar, dat men die met recht een knots had kunnen noemen. Twee groote, ruige honden, half windhond, half bulhond, stonden gereed om den reiziger aan te vallen, zoodra de deur open was. Maar, toen de fakkel op den hoogen helm en gouden sporen des ridders flikkerde, die nog buiten stond, beteugelde de heremiet,--waarschijnlijk zijn eerste voornemen opgevende,--de woede zijner honden, en met een boersche hoffelijkheid, noodigde hij den ridder uit, zijne woning binnen te treden, en haalde als verontschuldiging voor zijne onwilligheid om na zonsondergang te openen, de menigte roovers en vrijbuiters aan, die zich in het bosch bevonden, en geen eer bewezen aan de Heilige Maagd, aan St. Dunstan, of aan de heilige mannen, die hun leven in hunnen dienst sleten.
"De armoede uwer cel, goede vader," zei de ridder, rondziende en niets bespeurende dan een bed van bladeren, een crucifix, ruw uit eikenhout gesneden, een misboek, een lompe tafel, twee stoelen, en een paar grove stukken huisraad,--"de armoede uwer cel schijnt een genoegzame waarborg tegen eenig gevaar van dieven, om niet te spreken van de hulp van twee getrouwe honden, sterk genoeg, naar het mij toeschijnt, om een hert ter neder te werpen, en bijgevolg ook, om hun krachten tegen een mensch te beproeven."
"De brave houtvester van dit woud," zei de heremiet, "heeft mij het gebruik dezer dieren toegestaan, om mij in mijne eenzaamheid te verdedigen, tot de tijden veiliger worden."
Na dit gezegd te hebben, plaatste hij de fakkel in een krom gebogen stuk ijzer, dat hem tot kandelaar diende, en den eiken drievoet voor de asch van het vuur zettende, dat hij met wat droog hout opwakkerde, zette hij een stoel aan één kant der tafel en verzocht zijn gast er een aan den anderen kant te plaatsen.
Zij gingen zitten, en staarden elkander zeer ernstig aan; terwijl ieder bij zich zelven dacht, dat hij zelden een sterkere en meer gespierde gestalte gezien had, dan die welke nu tegenover hem zat.
"Eerwaarde heremiet," zei de ridder, nadat hij zijn gastheer een tijd lang, strak aangezien had, "indien ik niet vreesde, uwe heilige overdenkingen te storen, zou ik gaarne drie dingen van uwe heiligheid willen weten: ten eerste, waar moet ik mijn paard laten?--ten tweede, wat kan ik tot mijn avondmaal bekomen?--ten derde, waar zal ik mij nederleggen van nacht?"
"Ik zal het u met mijn vinger beantwoorden," zei de kluizenaar, "want het is tegen mijn regel, woorden te gebruiken, als teekens voldoende zijn ter bereiking van mijn oogmerk." Dit zeggende wees hij naar twee hoeken der hut. "Uw stal," zei hij, "is dáár--uw bed dáár," en hem een houten schotel met een paar handen vol droge erwten, over de tafel toereikende, voegde hij er bij: "uw avondmaal is hier."
De ridder haalde de schouders op, en de hut verlatende, haalde hij zijn paard, dat hij aan een boom had vastgebonden, naar binnen, ontzadelde het zorgvuldig en spreidde zijn eigen mantel op den vermoeiden rug van het dier uit.
De heremiet scheen eenigszins getroffen door de zorgvuldigheid en handigheid, die den vreemdeling toonde in de behandeling van zijn paard; want, terwijl hij iets mompelde over voeder, voor des houtvesters paard achtergelaten, haalde hij uit een donkeren hoek een bundel hooi, dat hij des ridders strijdros voorwierp, en terstond daarop spreidde hij een menigte droog varenkruid in den hoek, dien hij tot slaapplaats voor zijn gast bestemd had. Deze bedankte hem voor zijne beleefdheid; en beide namen weder plaats aan de tafel, waarop de houten schotel met erwten tusschen hen stond. Nadat de heremiet een lang gebed had uitgesproken, dat eens Latijn geweest was, maar waarin van de oorspronkelijke taal, behalve een paar deftige uitgangen van een woord en volzin, weinige sporen waren overgebleven, gaf hij zijn gast een voorbeeld, door in een zeer grooten mond, met tanden voorzien, welke met die van een everzwijn in scherpte en witheid konden wedijveren, zediglijk drie of vier droge erwten te steken, een ellendig maalsel, naar het scheen, voor een zoo grooten en stevigen molen.
Om een zoo loffelijk voorbeeld te volgen, legde de ridder zijn helm, zijn borstharnas en het grootste gedeelte zijner wapenrusting af, en de heremiet zag een hoofd voorzien met zware, blonde lokken, sprekende gelaatstrekken, blauwe, zeer helder schitterende oogen, een welgevormden mond, welks bovenlip met een knevel prijkte, van donkerder kleur dan het hoofdhaar;--in één woord een man wiens geheele gelaat een stoutheid, onversaagdheid en ondernemenden geest aan den dag legde, waarmede zijn forsche gedaante zeer goed overeenstemde.
Alsof hij het vertrouwen van zijn gast wilde beantwoorden, schoof de kluizenaar zijn kap terug, en vertoonde het kogelrond hoofd van een man in den bloei des levens. Zijn kaal geschoren kruin, door een krans van stijf zwart haar omgeven, geleek eenigszins op eene ronde schapenkooi, met een hooge heg. De gelaatstrekken getuigden noch van kloosterlijke gestrengheid noch van lange ontbering: het was integendeel een stout, vrijpostig gelaat, met groote, zwarte wenkbrauwen, een welgevormd voorhoofd, en wangen--zoo bol en rood als die van een trompetter--waaraan een lange zware baard nederhing. Zulk een gelaat en de gespierde gestalte des heiligen mans spraken eerder van vet gebraad, dan van droge erwten en boonen. Deze tegenstrijdigheid ontging den gast niet. Nadat hij met groote moeite een mondvol droge erwten gekauwd had, vond hij het volstrekt noodzakelijk, zijn heiligen gastheer te verzoeken hem eenigen drank te verschaffen; deze beantwoordde aan zijn bede, door een groote kan, met het zuiverste bronwater gevuld, voor hem te plaatsen.
"Het is uit St. Dunstans bron," zei hij, "in welke hij tusschen zons op- en ondergang vijfhonderd heidensche Denen en Britten doopte,--gezegend zij zijn naam!" Zijn zwarten baard hierop tegen de kruik drukkende, nam hij een veel matiger teug, dan zijn lofrede scheen te voorspellen.
"Het schijnt mij toe, eerwaarde vader!" zei de ridder, "dat het weinige, dat gij eet, met den heiligen, maar eenigszins dunnen drank, u verwonderlijk wel bekomt. Gij schijnt geschikter om den prijs te winnen in het worstelperk, of met knuppel of zwaard, dan om uw tijd te slijten in deze eenzame wildernis, met het opzeggen van missen,--en om van droge erwten en koud water te leven."
"Heer ridder," antwoordde de kluizenaar, "uwe gedachten zijn die van een onkundigen leek, die naar den vleesche oordeelt. Het heeft der Heilige Maagd en mijn beschermheilige behaagd, het geringe, waartoe ik mij zelven bepaal, te zegenen, evenals de vruchten en het water gezegend werden bij de jongelingen Sadrach, Mesach en Abednego, die zich met deze spijzen liever vergenoegen wilden, dan zich bezoedelen met de wijnen en het vleesch, hun door den koning der Saracenen toegedeeld."
"Heilige man," zei de ridder, "op wiens gelaat het den hemel behaagd heeft zulk een wonder te verrichten, sta een armen, zondigen leek toe, naar uw naam te vragen?"
"Gij kunt mij den geestelijke van Copmanshurst noemen," antwoordde de heremiet; "want onder dezen naam ben ik in deze streken bekend.--Men voegt er wel is waar, den bijnaam van _heilig_ bij, maar hierop ben ik niet gesteld, want ik ben dezen eeretitel onwaardig.--En nu, dappere ridder, mag ik u verzoeken, mij ook den naam van mijn geëerden gast te zeggen?"
"Waarlijk," zei de ridder, "heilige heer van Copmanshurst, men noemt mij in deze streken den Zwarten Ridder,--en velen voegen er den bijnaam van den Luiaard bij; maar ik ben er ook niet erg op gesteld, om aldus onderscheiden te worden."
De heremiet kon zich nauwelijks van een glimlach onthouden over het antwoord van zijn gast.
"Ik zie," zei hij, "mijnheer de ridder, dat gij een bedachtzaam en voorzichtig man zijt, en bovendien zie ik, dat mijn arm, kloosterlijk onthaal u niet behaagt, daar gij aan de losbandigheid der hoven en legerplaatsen, en aan de weelde der steden gewend zijt; en nu schiet het mij te binnen, mijnheer de Luiaard, dat, toen de liefdadige houtvester van dit woud, tot mijne bescherming, deze honden met dezen bundel voêr hier liet, hij ook eenig voedsel heeft achtergelaten; maar, daar het tot mijn gebruik ongeschikt is, was mij zelfs de herinnering er aan, onder overdenkingen van meer ernstigen aard ontschoten."
"Ik had er een eed op durven doen," zei de ridder; "sedert gij uw kap aflegdet, eerwaarde vader, was ik overtuigd, dat er beter voedsel in uw cel was.--Een boschwachter is altijd een vroolijke gast; en niemand die uwe kiezen worstelen zag tegen deze erwten, terwijl uw keel afgespoeld werd door dit weinig bekoorlijk element, zou u veroordeeld kunnen zien tot dit paardenvoedsel en dezen paardendrank,"--(op den voorraad op tafel wijzende)--"en zich onthouden van uw lof te verbeteren.--Kom aan, toon ons dus zonder uitstel wat de goede boschwachter u verschaft heeft!"
De kluizenaar wierp een veelbeteekenenden blik op den ridder, waarin een komieke uitdrukking van twijfeling lag, alsof hij onzeker was, in hoever het voorzichtig zou wezen zijn gast te vertrouwen. Er lag, echter, op des ridders trekken zooveel gulle openhartigheid, als men bij mogelijkheid kon begeeren. Zelfs zijn glimlach had iets onwederstaanbaar opgeruimds, en gaf blijken van trouw en rechtschapenheid, die zijn gastheer niet nalaten kon op te merken.
Nadat zij, zonder te spreken, een paar blikken gewisseld hadden, ging de heremiet naar het voorste gedeelte der hut, en opende een deurtje, dat met veel zorg en eenigszins kunstig verborgen was. Uit de hoeken van een donker kastje, waartoe deze opening toegang verschafte, haalde hij een groote pastei, op een tinnen bord, van buitengewone grootte, te voorschijn. Dezen ontzaggelijken schotel plaatste hij voor zijn gast, die, zich van zijn dolk bedienende, om de korst open te snijden, geen oogenblik verzuimde om zich met den inhoud bekend te maken.
"Hoe lang is het geleden, dat de goede boschwachter hier geweest is?" zei de ridder, nadat hij gretig verscheidene brokken van deze vermeerdering van het gastmaal had verslonden.
"Omtrent twee maanden," antwoordde de kluizenaar dadelijk.
"Bij den Hemel," antwoordde de ridder, "alles in uw kluis is vol wonderen, heilige man; want ik zou er een eed op hebben gedaan, dat de vette reebok, die dit wildbraad heeft opgeleverd, deze week nog door het woud geloopen heeft."
De heremiet was eenigermate uit het veld geslagen door deze aanmerking, en hij zette een bedroefd gelaat, terwijl hij op de vermindering van de pastei staarde, waarin de ridder verschrikkelijke verwoestingen aanrichtte; een heldendaad, die zijn gastheer, wegens zijn vorige belijdenis van onthouding, geen voorwendsel had om hem na te volgen.
"Ik ben in Palestina geweest, eerwaarde vader," zei de ridder, eensklaps ophoudende, "en ik herinner mij, dat het dáár de gewoonte is, dat ieder, die een gast onthaalt, hem van de degelijkheid zijner spijzen overtuigt, door ze met hem te deelen. Verre zij het van mij, van zulk een heilig man als gij zijt, iets te vermoeden, dat met de gastvrijheid strijdig ware; gij zoudt mij echter zeer verplichten, door u naar deze Oostersche gewoonte te schikken."
"Om uw onnoodige ongerustheid te verdrijven, heer ridder, wil ik ditmaal van mijn regel afwijken," zei de kluizenaar. En daar men in die tijden nog geen vorken had, greep hij met de vingers oogenblikkelijk in de ingewanden der pastei.
Nu het ijs der plichtplegingen eenmaal gebroken was, scheen het een tweestrijd tusschen den gast en den gastheer, wie van beiden den besten eetlust zou toonen; en ofschoon de eerste waarschijnlijk langer gevast had, liet de heremiet hem evenwel ver achter zich.
"Heilige man," zei de ridder, toen zijn honger gestild was, "ik zou mijn goed paard, dat ginds staat, tegen een _zechien_ durven zetten, dat dezelfde beleefde boschwachter, aan wien wij dit wildbraad te danken hebben, u een slok wijn, of een vaatje sek, of eene kleinigheid van dien aard achtergelaten heeft, om deze pastei af te spoelen. Deze omstandigheid zou zonder twijfel niet waard zijn in het geheugen van een zoo strengen kluizenaar bewaard te worden; echter denk ik, dat gij zien zult, dat ik in mijn vermoeden niet dwaal, indien gij gindsche geheime bergplaats nog eens doorsnuffelen wildet."
De kluizenaar antwoordde slechts met een glimlach, en naar het kastje terugkeerende, haalde hij een lederen wijnzak te voorschijn, die ongeveer driemaal zoo groot was als een gewone kruik. Hij kreeg ook twee groote drinkbekers, uit de horens van een wilden stier gemaakt, en met zilver beslagen. Nadat hij dezen schoonen voorraad voor den dag gehaald had, scheen hij van zijn kant geene plichtplegingen meer noodig te achten; maar, nadat hij de beide bekers gevuld had, zeide hij, naar de Saksische wijze: "_Waes hael_, (op uw welzijn!) heer ridder!" en ledigde zijn glas in eene teug.
"_Drink hael_, heilige man van Copmanshurst!" antwoordde de krijgsman, zijn gastheer met een even vollen beker bescheid doende.
"Eerwaarde heer," zei de vreemdeling, na den eersten beker geledigd te hebben, "het verwondert mij ten hoogste, dat een man, die zulke kracht en spieren bezit als gij, en die daarenboven zulk een vriend van goede sier schijnt, er behagen in schept, zich in deze wildernis af te zonderen. Volgens mijn oordeel, zijt gij geschikter een kasteel of een sterkte te helpen bezetten,--van het vette des lands te eten en te drinken, dan om hier van groenten en water, of zelfs van de liefdadigheid des boschwachters te leven. In uwe plaats, zou ik mij ten minste zoowel tijdverdrijf als overvloed verschaffen met des Konings wild. In deze bosschen zijn vele schoone herten; en eene enkele ree, ten gebruike van St. Dunstans volgeling, zou niet gemist worden."