Chapter 15
"En dan den moed en het beleid," zei Brian de Bois-Guilbert, "waardoor zij zich te Hastings en elders onderscheidden."
Terwijl de hovelingen, beurtelings, met een effen en lachend gelaat het voorbeeld van hun Prins volgden, en hun pijlen op Cedric afschoten, werd het gezicht van den Sakser vuurrood van toorn; hij wierp zijn woesten blik van den één op den anderen, alsof de schielijke opvolging van zoo vele beleedigingen hem belette ze dadelijk te beantwoorden; of gelijk een getergde stier, die, door zijne pijnigers omringd, verlegen is, wie onder hen tot het onmiddellijke doel van zijn wraak uit te kiezen.
Eindelijk zich tot Prins Jan wendende, als het hoofd, en de oorzaak der hem aangedane beleediging, zei hij, met een stem, die half door drift gesmoord was: "Welke ook de zwakheden en gebreken van onzen stam mogen geweest zijn, een Sakser zou voor een _Niddering_ [17]" (de krachtigste uitdrukking voor de uiterste nietswaardigheid), "gehouden zijn, zoo hij in zijne eigene zaal, en terwijl zijn eigen beker rondging, een onschuldigen gast behandeld had, zooals uwe Hoogheid mij heden heeft laten behandelen; en welke ook de ongelukken onzer voorvaderen op het slagveld bij Hastings mogen geweest zijn, moesten zij er tenminste van zwijgen"--en hier zag hij op Front-de-Boeuf en den Tempelier--"die voor weinige uren meer dan éénmaal zadel en stijgbeugel door de lans van een Sakser verloren hebben."
"Op mijn eer, een bijtende scherts!" zei Prins Jan. "Hoe vindt gij ze, mijn heeren?--Onze Saksische onderdanen nemen toe in geest en moed; zij worden scherp van vernuft en trotsch van gedrag in deze onrustige tijden.--Wat zegt gij, mijn heeren?--Bij het licht des hemels, ik houd het voor het best, dat wij onze galeien weder bestijgen, en bij tijds naar Normandië terugkeeren!"
"Uit vrees voor de Saksers?" zei de Bracy lachende. "Wij zouden geen ander wapen, dan onze jachtsperen noodig hebben, om zulk wild te jagen!"
"Houdt op met uwe scherts, heeren ridders," zei Fitzurse, "en het ware goed," voegde hij er bij, zich tot den Prins wendende, "dat uw Hoogheid den waardigen Cedric verzekerde, dat er geen beleedigende bedoeling is in spotternijen, die in het oor van een vreemdeling zeer onaangenaam moeten klinken."
"Beleediging?" antwoordde Prins Jan, terwijl hij zijn beleefde houding weder aannam; "ik verzeker dat ik er nooit een bedoeld heb, of in mijn tegenwoordigheid toelaten zou.--Hier! ik ledig mijn beker op het welzijn van Cedric zelven, daar hij niet op de gezondheid van zijn zoon wil drinken."
De beker ging rond, onder de geveinsde toejuiching der hovelingen, welke echter de gewenschte uitwerking op het gemoed des Saksers misten. Hij was van natuur niet scherpzinnig, maar zij, die meenden, dat dit vleiend compliment zijne gevoeligheid over de hem pas aangedane beleediging zou uitwisschen, rekenden zijn verstand toch al te min. Hij zweeg echter, toen de koninklijke beker weder rondging: "Op het welzijn van den ridder Athelstane van Coningsburgh."
De ridder maakte een buiging, en toonde, dat hij niet ongevoelig was voor die eer, door een grooten beker te ledigen.
"En nu, mijn heeren," zei Prins Jan, die verhit begon te worden door den wijn, dien hij gedronken had, "daar wij recht hebben laten wedervaren aan onze Saksische gasten, willen wij hen verzoeken, onze beleefdheid te beantwoorden. Waardige Sakser," ging hij voort, zich tot Cedric wendende, "mag ik u verzoeken ons een Normandiër te noemen, wiens naam uw lippen het minst zal bezoedelen, en met een beker wijn alle bitterheid af te spoelen, welke de klank nog zou achterlaten?"
Terwijl Prins Jan sprak, stond Fitzurse op, en zachtjes achter den stoel van den Sakser tredende, fluisterde hij hem toe, dat hij de gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, om een einde te maken aan de vijandigheid tusschen de twee stammen, door Prins Jan zelven te noemen.
De Sakser antwoordde niet op dezen listigen raad, maar opstaande, en den beker tot den rand toe vullende, sprak hij Prins Jan aldus aan: "Uwe Hoogheid heeft begeerd, dat ik een Normandiër zou noemen, die verdiende, dat wij bij ons feest aan hem dachten. Dit is, waarlijk, een zware taak, daar ze den slaaf oplegt om den lof van zijn meester te verkondigen;--den overwonnene om zijn overwinnaar te prijzen. Echter _zal_ ik een Normandiër noemen,--den eersten in de wapenen en in stand,--den besten en edelsten van zijn stam. En de lippen, die weigeren mij op zijn welverkregen roem bescheid te doen, noem ik valsch en eerloos, en dat wil ik met mijn leven staande houden!--Ik ledig dezen beker op het welzijn van Richard Leeuwenhart!"
Prins Jan, die verwacht had, dat zijn eigen naam de rede van den Sakser zou besluiten, schrikte toen die van zijn beleedigden broeder zoo onverwacht genoemd werd. Hij bracht den beker werktuigelijk naar de lippen, en zette dien dadelijk weder neer, om het gedrag van het gezelschap bij dezen onverwachten feestdronk gade te slaan, daar velen der aanwezigen gevoelden, dat het even gevaarlijk was er aan te voldoen, als het te weigeren. Eenige oude, ervarene hovelingen, volgden getrouw het voorbeeld van den Prins zelven, door den beker naar de lippen te brengen en dien weder voor zich neder te zetten. Er waren echter velen, die door een edelmoediger opwelling medegesleept, uitriepen: "Lang leve Koning Richard! Moge hij ons weldra weder gegeven worden!" Eenige weinigen, waaronder Front-de-Boeuf en de Tempelier, lieten in sombere verachting hun bekers onaangeroerd staan. Maar niemand waagde het rechtstreeks den beker te weigeren, die ter eere van den regeerenden Vorst geledigd moest worden.
Nadat Cedric voor een oogenblik zijn zegepraal genoten had, zei hij tot zijn metgezel: "Kom, edele Athelstane! wij zijn lang genoeg hier gebleven, nu wij de gastvrije beleefdheid van Prins Jan vergolden hebben. Zij, die in het vervolg meer van onze ruwe Saksische manieren willen weten, moeten ons in de huizen onzer vaderen opzoeken; want wij hebben genoeg van koninklijke gastmalen en Normandische wellevendheid gezien."
Dit zeggende, stond hij op, en verliet de eetzaal, gevolgd door Athelstane en verscheidene andere gasten, die met de Saksers vermaagschapt, zich beleedigd gevoelden door de spotternijen van Prins Jan en zijn hovelingen.
"Bij het gebeente van St. Thomas!" riep Prins Jan, toen zij zich verwijderd hadden, "de Saksische boeren hebben ons de nederlaag gegeven, en zijn zegevierende afgetrokken."
"_Conclamatum est, poculatum est_," zei Prior Aymer, "wij hebben gedronken en zijn luidruchtig geweest;--het wordt tijd, dat wij de wijnflesschen verlaten."
"De monnik heeft de eene of andere schoone boetvaardige, die heden avond bij hem biechten moet, daar hij zooveel haast maakt!" zei de Bracy.
"Dat niet, heer ridder," hernam de abt; "maar ik moet dezen avond nog eenige mijlen van mijne terugreis afleggen."
"Zij gaan al weg," fluisterde de Prins Fitzurse toe; "hun vrees loopt de gebeurtenissen vooruit, en deze lafhartige Prior is de eerste, die mij verlaat."
"Vrees niet, mijn Vorst," zei Waldemar; "ik zal hun redenen geven, die hen zullen nopen bij onze bijeenkomst te York tegenwoordig te zijn.--Heer Prior," zei hij, "ik moet u alléén spreken, voordat gij te paard stijgt."
De andere gasten gingen nu spoedig uiteen, behalve zij, die onmiddellijk tot de partij, of tot het gevolg van Prins Jan behoorden.
"Dit is dan de uitslag van uw raad," zei de Prins, een vertoornden blik op Fitzurse werpende, "dat een dronken Saksische boer mij op mijn eigen gastmaal trotseert, en dat, bij den enkelen naam van mijn broeder, de menschen van mij afvallen, als van een melaatsche."
"Geduld, mijn Vorst," hernam zijn raadgever; "ik zou u ook kunnen beschuldigen, en de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid berispen, welke mijn plan hebben doen mislukken, en uw eigen beter oordeel op het dwaalspoor hebben geleid; maar dit is geen tijd, om elkander verwijten te doen. De Bracy en ik zullen ons dadelijk onder deze lafaards begeven, en hen overtuigen, dat zij te ver zijn gegaan, om terug te treden."
"Het zal vruchteloos zijn," zei Prins Jan, terwijl hij met ongelijke schreden door het vertrek stapte, en met eene hevigheid sprak, waartoe de wijn, dien hij gedronken had, gedeeltelijk bijdroeg.--"Het zal vruchteloos zijn;--ze hebben het schrift aan den muur gezien;--ze hebben de voetstappen van den leeuw in het zand bespeurd;--ze hebben zijn naderend gebrul door het woud hooren weergalmen;--niets zal hun moed weder verlevendigen!"
"Gave God!" zei Fitzurse tot De Bracy, "dat iets zijn moed verlevendigen kon! De enkele naam van zijn broeder jaagt hem de koorts op het lijf. Ongelukkig de raadslieden van een Vorst, wien moed en volharding geheel ontbreken, zoowel ten goede als ten kwade!"
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Voorwaar, hij denkt--ha, ha, ha, ha,--hij denkt, Ik ben zijn werktuig, dienaar van zijn wil, Wel, laat het wezen, 'k wil uit dit doolhof, Dat zijn vervloekte list en heerschzucht schiep, Mij zelf een weg tot hooger dingen banen; En wie zal zeggen: 't is verkeerd?
Basil, een Treurspel.
Geen spin herstelde ooit met meer zorg de beschadigde draden van haar web, dan Waldemar Fitzurse besteedde, om de verstrooide leden der partij van Prins Jan te verzamelen, en weder onderling te verbinden. Weinigen waren hem uit genegenheid, en geene uit persoonlijke gehechtheid toegedaan. Het was daarom noodig, dat Fitzurse hun nieuwe, voordeelige uitzichten opende, en hen aan de voordeelen herinnerde, welke zij thans genoten. Den jongen, onbezonnen edellieden schilderde hij het vooruitzicht op ongestrafte losbandigheid en op onbeperkt zinnelijk genot; de eerzuchtigen wees hij op gezag, en de gierigen op vermeerdering hunner rijkdommen en de uitbreiding hunner bezittingen. De hoofden der huurlingen ontvingen een geschenk in goud, het beste overtuigingsmiddel voor hun verstand,--daar al het overige vruchteloos zoude geweest zijn. Beloften werden door dezen werkzamen agent met eene nog mildere hand uitgedeeld dan geld; in het kort, niets werd verzuimd, dat dienen kon, om den weifelende tot een besluit te brengen, en den lafhartige te bemoedigen. Over de terugkomst van Koning Richard sprak hij als eene gebeurtenis, die geheel buiten de perken der waarschijnlijkheid lag, bespeurde hij echter, uit de twijfelende blikken, en de onzekere antwoorden, die hij ontving, dat voornamelijk deze terugkeer de gemoederen zijner medeplichtigen verontrustte, dan behandelde hij die als eene gebeurtenis, die, wanneer zij werkelijk mocht plaats vinden, hunne staatkundige plannen niet behoorde te veranderen.
"Indien Richard terugkeert," zeide Fitzurse, "dan is het om zijn behoeftige en bij den kruistocht verarmde metgezellen te verrijken, ten koste van diegenen, die hem niet gevolgd zijn naar het Heilige Land. Hij keert terug, om eene schrikkelijke rekenschap te vorderen van hen, die gedurende zijne afwezigheid iets gedaan hebben, dat als eene schennis der wetten, of eene inbreuk op de voorrechten der kroon, kan worden aangemerkt. Hij keert terug, om zich te wreken op de orde der Tempelieren en der Hospitaalridders, wegens de voorkeur, welke zij, gedurende de oorlogen in het Heilige Land, aan Filips van Frankrijk betoond hebben. Hij keert eindelijk terug, om alle aanhangers van zijn broeder, Prins Jan, als oproerlingen te straffen. Vreest gij zijne macht?" ging de sluwe vertrouweling van dezen Prins voort. "Wij stemmen toe, dat hij een sterk en dapper ridder is; maar wij zijn niet in de dagen van Koning Arthur, toen één kampvechter tegen een heel leger kon strijden. Als Richard werkelijk terugkeert, moet hij alléén komen, zonder gevolg,--zonder vrienden. De beenderen van zijn dapper leger zijn op de zandwoestijnen van Palestina gebleekt. De weinigen van zijn gevolg, die teruggekeerd zijn, zijn herwaarts gedwaald,--zooals deze Wilfrid van Ivanhoe,--als bedelaars en landloopers. En wat spreekt gij van Richards geboorterecht?" ging hij voort, tegen degenen, die zwarigheden over dit punt inbrachten. "Is Richards recht van eerstgeboorte zekerder dan dat van Hertog Robert van Normandië, des Veroveraars oudsten zoon? En echter werden Willem de Roodharige en Hendrik de Tweede, en Derde, zijne broeders, hem achtereenvolgens, door de stem des volks voorgetrokken; Robert bezat iedere verdienste, die voor Richard pleit; hij was een dapper ridder, een goed veldheer, edelmoedig jegens zijne vrienden en de kerk, en om het geheel te kroonen, een kruisvaarder en veroveraar van het Heilige Graf; en toch stierf hij, als een blinde en ellendige gevangene, in het kasteel van Cardiff, omdat hij zich tegen den wil des volks aankantte, dat niet door hem wilde beheerscht worden. Wij hebben het recht," voer hij voort, "uit het koninklijk geslacht dien Vorst te kiezen, die het best in staat is, het hoogste gezag te bekleeden:--dat is," zei hij, zijn woorden verbeterende, "wiens verkiezing de belangen der edelen het best bevordert. In persoonlijke hoedanigheden," vervolgde hij, "doet misschien Prins Jan voor zijn broeder onder; maar wanneer men bedenkt, dat deze, met het zwaard der wraak in handen terugkeert, terwijl gene, belooningen, vrijheden, voorrechten, rijkdom en eer aanbiedt, dan is het niet twijfelachtig, welken koning, de adel, als deze verstandig handelt, geroepen is te ondersteunen!"
Deze en vele andere bewijsgronden, sommige toepasselijk op de bijzondere omstandigheden van hen aan wie ze gericht werden, hadden de verwachte uitwerking bij de edelen van de partij van Prins Jan. De meesten stemden er in toe, bij de voorgestelde vergadering te York tegenwoordig te zijn, ten einde algemeene maatregelen te beramen, om Prins Jan de kroon op het hoofd te plaatsen.
Het was laat in den avond, toen Fitzurse naar het kasteel van Ashby terugkeerde, afgemat door de menigte zijner bezigheden, maar voldaan over zijn goed gevolg, en De Bracy ontmoette, die zijne feestkleeding tegen een soort van groene kiel verwisseld had, met een broek van dezelfde stof en kleur, een lederen kap, of _baret_, een kort zwaard, een horen over den schouder, een langen boog in de hand, en een bundel pijlen in zijn draagband gestoken. Indien Fitzurse dezen persoon in een buitenvertrek ontmoet had, zou hij voorbijgegaan zijn, zonder er acht op te slaan, en hem voor een der lijfwachten aangezien hebben, maar nu hij hem in de binnenzaal ontmoette, beschouwde hij hem met meer oplettendheid, en herkende den Normandischen ridder, in het gewaad van een Engelschen boogschutter.
"Waartoe deze vermomming, De Bracy?" vroeg Fitzurse, eenigszins bitter. "Is het nu een tijd voor kermis-grappen en galante maskeraden, terwijl het lot van onzen meester, Prins Jan, op het punt is beslist te worden? Waarom hebt gij u niet, evenals ik, onder die laffe bloodaards begeven, welken de bloote naam van Koning Richard evenveel schrik aanjaagt, als men zegt, dat hij de kinderen der Saracenen doet?"
"Ik heb voor mijne eigene belangen gezorgd," zei De Bracy koel; "evenals gij voor de uwe, Fitzurse."
"Ik voor mijne eigene belangen gezorgd!" herhaalde Waldemar. "Ik heb mij bezig gehouden met die van Prins Jan, onzen gemeenschappelijken beschermer."
"Alsof gij hiertoe eenige andere reden hadt, Waldemar," zei De Bracy, "dan de bevordering uwer eigene individueele belangen! Kom kom, Fitzurse, wij kennen elkander; eerzucht is uw doel, vermaak het mijne, en dit uiteenloopende doel past aan onzen uiteenloopenden ouderdom. Over Prins Jan denkt gij evenals ik; hij is te zwak om een standvastig, te heerschzuchtig om een gemakkelijk, te trotsch en te achterdochtig om een aan het volk aangenaam, en te onbestendig en te beschroomd, om lang een Vorst, van welken aard ook, te zijn. Maar hij is een Vorst, door wien Fitzurse en De Bracy zich hopen te verheffen en fortuin te maken; en daarom helpt gij hem met uw staatkunde, en ik met de lansen mijner huurlingen."
"Een veelbelovende hulp!" riep Fitzurse ongeduldig. "Voor gek te spelen in het oogenblik van den uitersten nood! Wat stelt gij u toch ter wereld voor met deze bespottelijke vermomming, in een zoo dringend oogenblik?"
"Mij eene vrouw te verschaffen," antwoordde De Bracy koel, "op de wijze van den stam van Benjamin."
"De stam van Benjamin!" zei Fitzurse. "Ik begrijp u niet."
"Waart gij niet tegenwoordig gisteren avond," zei De Bracy, "toen Prior Aymer ons een vertelling deed, als antwoord op de Romance, die de minnezanger voordroeg?--Hij vertelde, hoe langen tijd geleden, in Palestina, een doodelijke veete ontstond, tusschen den stam van Benjamin en het overige van het Israëlitische volk; en hoe bijna de geheele ridderschap van dien stam verslagen werd; en hoe het volk bij de Heilige Maagd zwoer, niet te willen toestaan, dat de overgeblevenen in hun maagschap huwelijkten; en hoe zij berouw kregen over hun eed, en zijne Heiligheid den Paus raadpleegden, hoe zij daarvan konden ontslagen worden, en hoe, op raad van den Heiligen Vader, de jeugd van Benjamins stam, op een prachtig toernooi, al de tegenwoordig zijnde dames wegroofde, en zich dus vrouwen verschafte, zonder toestemming der bruiden, of harer familiën."
"Ik heb het verhaal gehoord," zei Fitzurse, "ofschoon gij, of de Prior, eenige zonderlinge veranderingen in tijd en omstandigheden gemaakt hebt."
"Ik zeg u," hernam De Bracy, "dat ik mij een vrouw wil verschaffen naar de manier van den stam van Benjamin, wat zeggen wil, dat ik in deze zelfde toerusting, de kudde Saksische boeren zal aanvallen, die heden avond het kasteel verlaten hebben, en de schoone Rowena ontvoeren."
"Zijt gij waanzinnig, De Bracy?" zei Fitzurse. "Bedenk dat zij, ofschoon Saksers, rijk en machtig zijn, en door hunne landslieden te meer geëerbiedigd worden, daar rijkdom en eer slechts het deel zijn van weinigen van Saksische afkomst."
"En het deel van geen hunner zijn moesten," zei De Bracy; "het veroveringswerk moest volmaakt worden."
"Het is nu althans geen tijd daartoe," zeide Fitzurse; "de naderende beslissing maakt de hulp der menigte onontbeerlijk, en Prins Jan kan niet weigeren recht uit te oefenen tegen iemand, die de gunstelingen er van beleedigt."
"Laat hij hen verdedigen, als hij durft," antwoordde De Bracy; "hij zal spoedig het onderscheid zien tusschen den onderstand van een troep dappere lansen zooals de mijnen, en een hoop gemeene Saksische boeren. Ik ben echter niet voornemens, mij zelven rechtstreeks bloot te geven. Ben ik in dezen dos niet zulk een dapper jager, als er ooit een op den jachthoren blies? De blaam der schaking zal op de vrijbuiters der wouden van Yorkshire rusten. Ik heb getrouwe bespieders, die op de bewegingen der Saksers letten. Heden nacht slapen zij in het klooster van St. Wittol, of Withold, of hoe zij dien lomperd van een Saksischen heilige noemen, te _Burton-Trent_. De volgende dagreis brengt hen onder ons bereik, en als valken grijpen wij hen allen in onze klauwen. Terstond daarop zal ik in mijne eigene gedaante verschijnen, den dapperen ridder spelen, de ongelukkige en bedrukte schoone uit de handen harer woeste roovers verlossen, haar naar Front-de-Boeuf's kasteel, of, indien het noodig is, naar Normandië voeren, en haar niet aan haar bloedverwanten teruggeven, voordat zij de bruid en de echtgenoote van Maurice de Bracy is geworden."
"Een bewonderenswaardig wijs plan!" zei Fitzurse, "en naar mijn oordeel niet geheel uw eigene uitvinding.--Kom, wees openhartig, De Bracy, wie hielp u het bedenken, en wie zal u bijstaan in de uitvoering, want, naar ik meen, ligt uw bende te York?"
"Daar gij het dan volstrekt weten wilt"--zei De Bracy--"de Tempelier Brian de Bois-Guilbert regelde de onderneming, waarvan het gebeurde met de kinderen Benjamins bij mij de gedachte had doen ontstaan. Hij wil mij helpen bij den aanval, en zijn gevolg zal de vrijbuiters voorstellen, uit wier hand mijn moedige arm de Jonkvrouw zal verlossen nadat ik van kleeding veranderd heb."
"Bij mijn eer," zei Fitzurse, "dit plan was uw beider wijsheid waardig: en uwe voorzichtigheid openbaart zich bijzonder in het ontwerp, om de Jonkvrouw in de handen van uw waardigen bondgenoot te laten. Mijns bedunkens, kan het u gelukken, haar aan haar Saksische vrienden te ontvoeren, maar of gij haar naderhand uit de klauwen van Bois-Guilbert zult kunnen redden, schijnt mij vrij wat twijfelachtiger.--Hij is een valk, die gewoon is een vogel te grijpen, en zijn prooi vast te houden."
"Hij is een Tempelier," zei De Bracy, "en kan mij dus niet in den weg staan in mijn plan om deze erfdochter te trouwen;--en iets oneerbaars met de aanstaande bruid van De Bracy te beproeven,--bij den hemel! al was een geheel kapittel van zijn orde in zijn persoon vereenigd, zou hij mij zulk eene beleediging toch niet durven aandoen!"
"Daar dan niets, wat ik ook zeggen mag, u deze zotheid uit het hoofd verdrijven kan," zei Fitzurse; "want ik ken uw halsstarrigheid, verspil zoo weinig tijd mogelijk,--opdat uw dwaasheid niet even langdurig, als ontijdig zij."
"Ik zeg u," antwoordde De Bracy, "het zal slechts het werk van eenige uren zijn, en spoedig bevind ik mij te York, aan het hoofd van mijne stoute en dappere bende, even bereidvaardig om eenig krachtig besluit uit te voeren, als uwe staatkunde zijn kan om het te smeden.--Maar ik hoor, dat mijn makkers zich verzamelen, en dat de paarden op het voorplein stampen en brieschen.--Vaarwel!--Ik ga als een echte ridder, om de liefde der schoone te verdienen."
"Als een echte ridder!" hernam Fitzurse, hem naziende, "als een echte dwaas, zou ik zeggen, of als een kind, dat de ernstige en noodigste bezigheid verzuimt, om het distelzaad na te loopen, dat de wind voor hem heen drijft. Maar met zulke werktuigen moet ik arbeiden;--en tot wiens voordeel?--Voor een Prins, die even onverstandig als losbandig is, die een even ondankbaar meester schijnt te willen wezen, als hij reeds getoond heeft, een oproerige zoon en een ontaarde broeder te zijn.--Maar ook hij is slechts één mijner werktuigen, en hoe trotsch hij ook zij, zal hij dat spoedig ondervinden, als hij zich voorstelt zijn belangen van de mijne te kunnen scheiden."
Hier werden de overdenkingen van den staatsman afgebroken door de stem van Prins Jan, die uit een binnenvertrek riep: "Edele Waldemar Fitzurse, kom bij mij!" en het hoofd ontblootende, haastte zich de aanstaande Grootkanselier (want op dezen hoogen post hoopte de sluwe Normandiër), om de bevelen van zijn aanstaanden koning te gaan vernemen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Er leefde onopgemerkt en eenzaam, jaar aan jaar, In ver verwijderd oord een vrome kluizenaar, In de enge cel;--hij rustte op 't bed van mos; genoot Wat fruit zijn disch voorzag; de bron hem laafnis bood; Hij sleet, der wereld vreemd, zijn leven door met God, Zijn dagboek was 't gebed, de lofzang zijn genot.
Parnell.
De lezer zal niet vergeten hebben, dat de uitkomst van het toernooi beslist werd door de heldendaden van een onbekenden ridder, dien de toeschouwers, wegens het lijdelijke en onverschillige van zijn gedrag, gedurende het eerste gedeelte van den dag, met den naam van _Le Noir Fainéant_ bestempeld hadden. Deze ridder had het strijdperk verlaten, zoodra de overwinning behaald was; en toen hij opgeroepen werd, om het loon zijner dapperheid te ontvangen, was hij nergens te vinden. Terwijl hij door de herauten en trompetters ingedaagd werd, richtte hij zijn koers noordwaarts, alle begane paden vermijdende, en den kortsten weg door de boschlanden nemende. Hij rustte des nachts in een kleine herberg op eenigen afstand van den straatweg, waar hij echter, van een rondtrekkenden speelman, tijding kreeg van den afloop van het toernooi.