Ivanhoe

Chapter 14

Chapter 143,842 wordsPublic domain

"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet, hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is."

Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: "Hoe is uw naam, schutter?"

"Locksley," antwoordde deze.

"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten, als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint, zal ik er twintig _Nobles_ bij doen; maar als gij verliest, dan zal uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld worden."

"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund; maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen."

"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen."

"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen."

"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden, "de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed, zoodra de prijs gewonnen is."

Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet, dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.

De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink, één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf, en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen, die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die dus als overwinnaar uitgeroepen werd.

"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?"

"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen."

"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert, zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen."

"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw, dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren."

De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf, maar niet juist in het midden.

"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij, den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn."

Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog, en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt, dan die van Hubert.

"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij de galg!"

Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best doen. Echter was mijn grootvader met den boog--"

"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het zal u kwalijk bekomen!"

Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende, dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn pijl juist in het middelpunt van het wit trof.

"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het midden! Leve Hubert!"

"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met een spotachtigen glimlach.

"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.

"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed," fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft."

"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!"

Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden."

Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van: "Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn onedelmoedig voornemen afzien.

Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang, volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat, hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende, "hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning, al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!"

"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten, en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal, als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan."

"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar; en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij, gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid."

"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley; "niemand kan meer."

Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede, tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn afkeer tegen zijn persoon.

"Deze twintig _Nobles_," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken, zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast oog een pijl gericht."

"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder Richard zou zijn. Deze twintig _Nobles_ laat ik aan Hubert over, die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik."

Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.

De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij, "mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen."

Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en zich overal verspreidde.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

In de hooggewelfde zaal Van de burgtkasteelen, Kon men de oude Ridderpraal Van hun helden-spelen,-- 't Uitgedoste strijdrental, d'Eedle stoet van vrouwen, Bij het luid trompetgeschal, Menigwerf aanschouwen.

Warton.

Prins Jan hield zijn feestelijken maaltijd in het kasteel van Ashby. Dit was niet hetzelfde gebouw, welks trotsche puinhoopen den reiziger nog belang inboezemen, en dat in lateren tijd werd opgericht door Lord Hastings, Groot Kamerheer van Engeland, een der eerste slachtoffers van de dwingelandij van Richard III, en nog beter bekend als een van Shakespeare's personaadjes, dan door zijn naam in de geschiedenis. Het kasteel en de stad Ashby behoorden in dien tijd aan Roger de Quincy, Graaf van Winchester, die, gedurende den tijd van ons verhaal, in het Heilige land toefde. Prins Jan had intusschen bezit van zijn kasteel genomen, en beschikte naar goedvinden over zijn goederen; en daar hij thans de oogen der wereld door zijne gastvrijheid en pracht trachtte te verblinden, had hij bevel gegeven tot groote toebereidselen, om het feest zoo schitterend mogelijk te maken.

De Hoffouriers van den Prins, die bij deze en andere gelegenheden het volle koninklijke gezag uitoefenden, hadden al, wat zij voor de tafel van hun meester geschikt oordeelden, uit de omstreken geroofd. Er was ook een groote menigte gasten genoodigd; en Prins Jan, zich in de noodzakelijkheid bevindende, om de volksgunst te zoeken, had deze uitnoodigingen tot eenige aanzienlijke Saksische en Deensche familiën uitgestrekt, zoowel als tot de Normandische edelen en heeren uit den omtrek. Hoewel de Angel-Saksers bij gewone gelegenheden veracht en vernederd werden, moest hun groot getal hen natuurlijk geducht maken in de burgerlijke onlusten, die ophanden schenen, en het was noodzakelijk, om de gunst van de voornaamsten onder hen te verwerven.

Het was dus de bedoeling van den Prins, aan welke hij ook gedurende eenigen tijd getrouw bleef, om deze ongewone gasten met eene beleefdheid te behandelen, die zij zelden ondervonden. Maar ofschoon niemand met mindere schroomvalligheid zijne gewoonten en gevoelens naar zijn belang wist te plooien, was het echter het ongeluk van dezen Prins, dat zijne lichtzinnigheid en moedwilligheid gedurig weder boven kwamen, en aan alles weder den bodem insloegen, wat hij door vroegere veinzerij gewonnen had.

Van dezen lichtzinnigen aard gaf hij een merkwaardig bewijs in Ierland, toen hij door zijn vader, Hendrik II, daarheen gezonden werd, om de genegenheid der inwoners van deze nieuwe en gewichtige bezitting der Normandische kroon te winnen. Bij deze gelegenheid wedijverden de Iersche opperhoofden met elkander, om den jongen Prins hun eerbiedige hulde en den vredekus aan te bieden. Maar, in plaats van hunne begroeting met beleefdheid aan te nemen, konden Jan en zijn moedwillig gevolg de verzoeking niet wederstaan, om de Iersche edelen bij hunne lange baarden te trekken, een gedrag, dat, zooals men verwachten kon, de hoogste verontwaardiging wekte bij de beleedigde Ieren, en noodlottige gevolgen had voor de Normandische heerschappij in dat land. Het is noodig, deze wispelturigheid van Jan's karakter in het oog te houden, om zijn gedrag gedurende den avond, waarvan nu sprake is, verstaanbaar te maken.

Zooals hij zich in meer bedaarder oogenblikken voorgenomen had, ontving Prins Jan Cedric en Athelstane met uitstekende vriendelijkheid, en betuigde zonder eenigen wrevel, zijne teleurstelling, toen de ongesteldheid van Rowena door den eerste als de reden werd opgegeven, waarom zij aan zijne eervolle uitnoodiging niet had kunnen voldoen. Cedric en Athelstane droegen beiden de Saksische kleeding, die, ofschoon op zich zelve niet smakeloos en bij deze gelegenheid uit kostbare stoffen bestaande, zoo zeer in maaksel en voorkomen van die der overige gasten verschilde, dat Prins Jan het zich tot geene geringe verdienste bij Waldemar Fitzurse aanrekende, dat hij niet lachte, bij een gezicht, dat de mode van dien tijd zoo bespottelijk maakte. Evenwel, met het oog van het gezond verstand gezien, was de korte, nauwe _tunica_ en de lange mantel der Saksers bevalliger en gemakkelijker, dan het kostuum der Normandiërs, wier onderkleed uit een lang wambuis bestond, zoo wijd, dat het op een hemd of een voermanskiel geleek, en daarover een nauwe mantel, die noch tegen de koude noch tegen den regen beschermde, en welks eenige doel scheen te zijn, zoo veel bontwerk, borduursel en juweelen ten toon te spreiden, als het vernuft van den kleermaker er met mogelijkheid aan te pas kon brengen. Karel de Groote, onder wiens regeering ze het eerst werd ingevoerd, schijnt de ondoelmatigheid van deze kleeding zeer wel gevoeld te hebben. "In 's hemels naam," zeide hij, "waartoe dienen deze korte mantels? Als wij te bed liggen, dekken zij ons niet; te paard geven zij geen bescherming tegen wind en regen; en als wij zitten, beschutten zij onze beenen niet tegen vochtigheid of koude." In weerwil echter van deze keizerlijke afkeuring, bleven de korte mantels in zwang tot den tijd waarvan wij spreken, en bijzonder onder de Vorsten uit het huis van Anjou. Ze waren dus algemeen in gebruik onder de hovelingen van Prins Jan; en de lange mantel der Saksers werd bijgevolg door hen bespot.

De gasten zaten aan eene tafel, die bijna boog onder de menigte der lekkernijen. De talrijke koks, die den Prins op zijne reis vergezelden, hadden al hunne kunst ingespannen, om de vormen, waarin de gewone spijzen voorgediend werden, te veranderen, en waren er bijna even goed, als de hedendaagsche beoefenaren der kookkunst, in geslaagd, ze geheel onkenbaar te maken. Behalve de schotels van inlandschen oorsprong, waren er verschillende lekkernijen uit vreemde landen aangebracht, en eene weelde van pasteien, taarten en gebak, welke alleen aan de tafels van den hoogsten adel gebruikt werden. De maaltijd werd insgelijks verheerlijkt door de kostelijkste, zoowel in- als uitheemsche wijnen.

Maar de Normandische edelen, hoe weelderig ook, waren over het algemeen niet onmatig. Zij zochten de genoegens der tafel in de keur der spijzen, maar vermeden de overdaad, en plachten den overwonnen Saksers gulzigheid en dronkenschap te verwijten, als ondeugden aan hun minderen stand eigen. Prins Jan, wel is waar, en zij, die zijn gunst bejoegen door zijne zwakheden na te bootsen, waren aan de genoegens der tafel verslaafd, en het is wel bekend, dat zijn dood veroorzaakt werd door het onmatig gebruik van perziken en versch bier. Zijn gedrag was echter eene uitzondering op de algemeene gewoonten zijner landgenooten.

Met geveinsde deftigheid, die alleen afgewisseld werd door stille wenken tegen elkander, aanschouwden de Normandische Ridders en edelen het ruwe gedrag van Athelstane en Cedric bij den maaltijd, aan welks gebruiken en vorm zij niet gewend waren. En terwijl hun gedrag dus het voorwerp der bespotting werd, zondigden de onkundige Saksers, onwetend, tegen verscheidene der willekeurig vastgestelde wetten en regels der welvoegelijkheid.

Het is echter wel bekend, dat een man zich eerder schuldig mag maken aan eene wezenlijke schennis der regels van de beschaving of van de goede zeden, dan onkundig schijnen in het geringste punt der etiquette van de groote wereld. Daarom maakte Cedric, die zich de handen aan een doek afveegde, in plaats van ze te drogen door ze met bevalligheid in de lucht te bewegen, zich belachelijker dan zijn metgezel Athelstane, die alléén een geheele, groote pastei verslond, gevuld met de meest uitgezochte vreemde lekkernijen, een _Karum-pastei_ genoemd. Maar toen men door ernstig heen en weer vragen bevond, dat de heer van Coningsburgh (of de _Franklin_, zooals de Normandiërs hem noemden) geen begrip had van hetgeen hij verslonden had; en den inhoud van de _Karum-pastei_ voor leeuweriken en duiven hield, terwijl het _beccaficos_ en nachtegalen waren, werd zijne onkunde veel meer bespot dan zijne gulzigheid, die het meer verdiend had.

Het lange feestmaal was eindelijk afgeloopen; en terwijl de beker vrij rond ging, sprak men over de daden van het toernooi--over den Zwarten Ridder, wiens zelfverloochening hem aan de verdiende eer onttrokken had--en over den dapperen Ivanhoe, die de eer van den dag zoo duur gekocht had. Deze onderwerpen werden met de vrijmoedigheid van een krijgsman behandeld, en scherts en gelach vervulden de zaal. Het voorhoofd van Prins Jan alleen was onder deze gesprekken bewolkt; de een of andere zware zorg scheen op zijn gemoed te drukken, en het was slechts na een wenk van zijne vrienden, dat hij belang scheen te stellen in wat rondom hem voorviel. Bij zulke gelegenheden schrikte hij op, ledigde een beker wijn, alsof hij zijn moed daardoor wilde verlevendigen, en mengde zich in het gesprek door eenige afgebroken of zonder samenhang aangebrachte opmerking.

"Wij ledigen dezen beker," zei hij, "op het welzijn van Wilfrid van Ivanhoe, den overwinnaar in het toernooi, en het spijt ons, dat zijn wond hem van onze tafel afhoudt.--Dat allen op zijne gezondheid de bekers vullen, en vooral Cedric van Rotherwood, de waardige vader van een zoo veel belovenden zoon."

"Neen, mijn Vorst," hernam Cedric, opstaande, en zijn beker onaangeroerd op de tafel plaatsende, "ik geef den naam van zoon niet aan den ongehoorzamen jongeling, die mijne bevelen veracht, en de zeden en gewoonten zijner voorvaderen verzaakt."

"Het is onmogelijk," riep Prins Jan, met geveinsde verbazing, "dat een zoo dapper ridder een onwaardig of ongehoorzaam zoon zou kunnen zijn!"

"En toch is dit het geval met Wilfrid, mijn Vorst," hernam Cedric. "Hij heeft mijne vreedzame woning verlaten, om zich onder de weelderige edelen aan het hof uws broeders te mengen, waar hij de ridderkunsten geleerd heeft, waarop gij zoo hoogen prijs stelt. Hij heeft mij tegen mijn wil en mijne bevelen verlaten; en in de dagen van Alfred zou men zooiets ongehoorzaamheid--ja, zelfs een zeer strafbare misdaad genoemd hebben."

"Ach!" hervatte Prins Jan, met een diepen zucht van geveinsde deelneming; "daar uw zoon mijn ongelukkigen broeder is gevolgd, behoeft men niet te vragen, van waar, of van wien hij de les van kinderlijke ongehoorzaamheid geleerd heeft."

Zoo sprak Prins Jan, vergetende dat onder alle zonen van Hendrik II, schoon geen van hen vrij van deze misdaad was, hij zich het meest, door oproer en ondankbaarheid tegen zijn vader, onderscheiden had.

"Ik meende," zei hij na eene korte stilte, "dat mijn broeder voornemens was, zijn gunsteling met de rijke heerlijkheid Ivanhoe te beleenen."

"Hij heeft hem die geschonken," antwoordde Cedric, "en het is niet de minste reden die ik heb, om ontevreden te zijn op mijn zoon, dat hij zich verlaagde, om als leenroerig vasal, dezelfde goederen aan te nemen, welke zijne voorvaderen vrij en onafhankelijk bezeten hebben."

"Wij zullen dus uwe toestemming verkrijgen, geachte Cedric," zei Prins Jan, "om dit leen aan een persoon te schenken, wiens waardigheid niet zal vernederd zijn, door land van de Britsche kroon te bezitten. Ridder Reginald Front-de-Boeuf," zei hij, zich tot dien edele wendende, "ik vertrouw, dat gij de schoone heerlijkheid Ivanhoe zóó zult weten te behouden, dat Wilfrid zich zijns vaders ongenoegen niet op den hals zal halen, door ze terug te krijgen!"

"Bij den heiligen Anthonius!" antwoordde de sombere reus, "ik sta toe, dat uwe Hoogheid mij voor een Sakser houde, zoo Cedric, of Wilfrid, of de beste, die ooit Saksisch bloed in de adren had, mij de gift ontwringt, waarmede uwe Hoogheid mij vereerd heeft."

"Wie u Sakser noemt, ridder," hernam Cedric, beleedigd door een spreekwijze, waarmede de Normandiërs dikwijls hun gewone verachting jegens de Engelschen uitdrukten, "zal u een even groote als onverdiende eer aandoen."

Front-de-Boeuf wilde antwoorden; maar de moedwilligheid en lichtzinnigheid van Prins Jan kwamen hem voor.

"Voorzeker, mijn heeren," zei hij, "de edele Cedric spreekt de waarheid, en zijn geslacht kan den voorrang boven ons eischen, zoo wel om de lengte van hun stamboom, als om die hunner mantels."

"Zij gaan ons, inderdaad, in het veld vóór,--evenals het wild de honden!" zei Malvoisin.

"En zij hebben groot recht ons voor te gaan," zei Prior Aymer--"vergeet niet hun meerdere welvoegelijkheid en de bevalligheid hunner manieren!"

"En hun zeldzame onthouding en matigheid!" zei De Bracy, het plan vergetende, dat hem een Saksische bruid beloofde.