Ivanhoe

Chapter 13

Chapter 133,825 wordsPublic domain

Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers, waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij.

Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat, welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij hunne vreugde en bewondering uitdrukten.

Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was.

"Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!" werd zoo algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende, renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten, voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen, om den Onterfden Ridder ter neder te vellen.

Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem, gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield, en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte.

Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den smaad eener onverdiende nederlaag te besparen.

"Ik niet, bij het licht des Hemels!", antwoordde Prins Jan; "deze bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen een beurt laten." Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien toeval den uitslag van den kamp.

Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders, groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in 't geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak, zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom, hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer in het toernooi,--een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den naam van "_Le Noir Fainéant_," of "de zwarte luiaard," verschafte.

Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard, dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal, riep: "_Desdichado_, ter hulp!" Het was hoog tijd; want, terwijl de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel, bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het _chamfron_ van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop wendde _Le Noir Fainéant_ zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh; en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam, scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond, terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven, toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was, hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders, die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten.

De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen, welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten, of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor hen bereid waren.

Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche, een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij, die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van: "De edele en schoone wapenstrijd te Ashby."

Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam aan hem, dien men _Le Noir Fainéant_ genoemd had. Men gaf den Prins daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond, dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde.

Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam van "den zwarten luiaard" te danken had. Nadat hij tweemaal door trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden, en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden maal voor den troon van Prins Jan.

"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar gij alleen onder dezen naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft." De ridder boog diep en bevallig, maar antwoordde niet.

Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven, om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,--terwijl de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken eenstemmig uitriepen: "Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot zijn." De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd, door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt.

Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden: "Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid, heden toegewezen aan den overwinnaar." Hier hield zij een oogenblik stil, en voegde er toen met vaste stem bij: "En nooit heeft de ridderkrans een waardiger hoofd versierd!"

De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin, door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende, viel hij voor haar voeten neder.

Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe's bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem een wonde in de zijde toegebracht had.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort, O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort; Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen, Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen, Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim snort.

Ilias.

Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder die wapenrusting schuilde."

"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het gevolg van den Prins gemengd had.

"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft, en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad aan Front-de-Boeuf te geven."

"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen, zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als zij opgeroepen worden."

De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne getrouwe dienaren te beloonen!"

Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land genoemd worden. Het is de _communis mater_,--de moeder van alle Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten van de Heilige Stad aanspraak kan maken."

Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder," zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren, en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij is zwaar gekwetst."

"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar; en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken."

Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht, en in handen van zijne vrienden was.

"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar, om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder voor haar voeten staarde."

"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel gehoord hebben?"

"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken van het Oosten."

"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van den Veroveraar?"

"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt."

"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen."

"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende, "gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!"

Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein briefje in de hand gegeven werd.

"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.

"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet," hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende, dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer Hoogheid te bezorgen."

De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel, hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield, waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:

"_Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!_"

De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.

"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy.

"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan.

"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen, hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig vreugdebedrijf spoedig een einde maken."

"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad."

"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd--laat de schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn."

"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook, dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen brengt nieuwe zorgen."

Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan, plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp, met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.

Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan, waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is, bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.

De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond, dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat, dat hij den vorigen dag getoond had.

"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan."

"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande van overwonnen te worden."

"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren, een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.