Chapter 12
"Bedenk u, vriend," zei de kapitein; "gij spreekt van een Jood, van een Israëliet, die even weinig gewillig is goud terug te geven, als het dorre zand van de woestijn, om een beker water terug te geven, dien de pelgrim er op uitgiet."
"Zij bezitten niet meer barmhartigheid," zei een ander van de bandieten, "dan een onomgekochte gerechtsdienaar."
"Het is echter zooals ik zeg," antwoordde Gurth.
"Maakt oogenblikkelijk licht," zei de kapitein; "ik wil deze beurs onderzoeken; en als deze man de waarheid spreekt, dan is de milddadigheid van den Jood bijna even wonderbaar als de stroom, welke zijn voorouders in de woestijn verkwikte."
Er werd licht gebracht, en de roover begon de beurs te onderzoeken. De anderen verzamelden zich om hem heen, en zelfs de twee, die Gurth vasthielden, lieten hem bijna los, terwijl zij de halzen uitstrekten, om den uitslag van het onderzoek te zien. Van hunne achteloosheid gebruik makende, rukte zich Gurth door eene plotselinge inspanning van krachten en vlugheid geheel los, en had mogen ontsnappen, als hij had kunnen besluiten, zijns meesters eigendom achter te laten. Maar dit was geenszins zijn bedoeling. Hij ontrukte aan een der dieven zijn knuppel, sloeg den kapitein ter neder, die daarop in het geheel niet voorbereid was, en had bijna den zak en den schat weder bemachtigd. De roovers waren hem echter te vlug, en maakten zich weder meester van de beurs en van den getrouwen Gurth.
"Schurk!" zei de kapitein, weder opstaande, "gij hebt mij een gat in het hoofd geslagen, en bij anderen van onzes gelijken zou uwe onbeschaamdheid u duur te staan komen. Maar gij zult dadelijk uw lot vernemen. Laten wij eerst over uw meester spreken; de zaken van den ridder gaan vóór die van den schildknaap, volgens de wetten der ridderschap. Blijf intusschen stil staan;--als gij u weêr verroert, zult gij voor uw leven lang tot rust gebracht worden!--Kameraden," zei hij vervolgens, zich tot zijne bende keerende, "deze beurs is met Hebreeuwsche letters geborduurd, en ik moet gelooven, dat het verhaal van den dienaar waarheid is. De dolende ridder, zijn meester, moet er noodzakelijk bij ons tolvrij afkomen. Hij heeft al te veel overeenkomst met ons, om hem iets af te nemen: de honden verscheuren elkander niet, zoolang er nog vossen en wolven in overvloed te vinden zijn."
"Overeenkomst met ons?" antwoordde een van de bende: "Ik zou dat wel eens willen hooren bewijzen!"
"Wel," hernam de kapitein, "is hij niet arm en onterfd, evenals wij?--Verdient hij niet den kost met de scherpte van zijn zwaard, zooals wij?--Heeft hij niet Front-de-Boeuf en Malvoisin geslagen, zooals wij hen zouden slaan, als wij maar konden? Is hij niet de doodvijand van Brian de Bois-Guilbert, dien wij zoo vele redenen hebben te vreezen? En al ware dit ook niet, zoudt gij willen, dat wij minder barmhartig waren, dan een ongeloovige, Hebreeuwsche Jood?"
"Neen, dat ware schande," bromde de andere; "en toch, toen ik onder de bende van den dapperen ouden Gandelyn diende, kenden wij zulke gewetensbezwaren niet. En deze onbeschaamde boer,--die komt er zeker ook nog heelshuids af,--daar sta ik borg voor!"
"Niet, als _gij_ het hem beletten kunt," hernam de kapitein. "Kom hier, kerel!" ging hij voort, zich tot Gurth wendende: "weet gij den knuppel te hanteeren, daar gij er zoo vlug naar grijpt?"
"Mij dunkt," antwoordde Gurth, "dat gij best zelf in staat zijt, die vraag te beantwoorden."
"Nu, op mijn woord, ge hebt mij een fikschen slag gegeven;" hervatte de kapitein; "geef er dezen jongen net zoo een flinken, en gij zult er tolvrij afkomen; en als gij dat niet doet, welnu, daar gij zulk een kerel zijt, denk ik, dat ik uw losgeld zelf zal moeten betalen.--Neem uw knuppel, Mulder, en pas op uw hoofd; en gij anderen laat den boer los, en geeft hem een stok;--het is licht genoeg, om elkander aan te pakken."
Beide kampvechters, met knuppels gewapend, traden voorwaarts, in het midden van de open plek, om het volle maanlicht te hebben; terwijl de roovers hun makker lachend toeriepen: "Mulder! neem uw tolstok in acht!" De Mulder, van den anderen kant, den stok in het midden vasthoudende, en over zijn hoofd zwaaiende, op de wijze, die de Franschen _faire le moulinet_ noemen, riep pochende uit: "Kom maar, boer, als gij durft; gij zult de kracht van een Mulders vuist gevoelen!"
"Zoo gij een Mulder zijt," antwoordde Gurth onverschrokken, zijn wapen met even groote vlugheid om het hoofd zwaaiende, "dan zijt gij een dubbele dief, en ik, als eerlijk man, trotseer u!"
Hierop vielen de kampvechters elkander aan, en gedurende eenige minuten toonden zij groote gelijkheid in kracht, moed en behendigheid, terwijl zij de slagen van hun tegenpartij opvingen en teruggaven, zoodat men, uit het onophoudelijk gekletter, op een afstand zou verondersteld hebben, dat er van iederen kant ten minste zes man aan het vechten waren.
Minder hardnekkige, en zelfs minder gevaarlijke strijden, zijn in schoone heldenverzen bezongen; maar de strijd tusschen Gurth en den Mulder moet onbeschreven blijven, uit gebrek aan een gewijden dichter, om recht te wedervaren aan die gewichtige gebeurtenis. Maar, ofschoon dit vechten met knuppels lang uit de mode is, zullen wij in proza voor deze stoute kampvechters ons best doen.
Lang vochten zij met gelijken uitslag, totdat de Mulder het geduld verloor, omdat hij een zoo moedigen tegenstander vond, en het gelach zijner makkers hoorde, die, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden, met zijn spijt den spot dreven. Hij was dus in geene gunstige gemoedsgesteldheid voor den edelen tweestrijd met knuppels, waarbij, evenals bij den gewonen kamp met stokken, de grootste koelbloedigheid vereischt wordt; en dit gaf aan Gurth, wiens aard, hoe toornig ook, toch bedaard was, gelegenheid, om een beslissend voordeel te behalen, waarvan hij meesterlijk gebruik maakte.
De Mulder drong woedend op hem aan, beurtelings met beide einden van zijn wapen slagen uitdeelende, en trachtende op halve stoks lengte te komen, terwijl Gurth zich tegen den aanval verdedigde, door de handen omtrent een el van elkander af te houden, en zich te dekken door zijn wapen telkens met groote snelheid uit de eene hand in de andere te werpen, om zijn hoofd en lichaam te beschermen. Zoo hield hij zich verdedigender wijze staande, met oogen, voeten en handen behoorlijk wachtende, tot hij bespeurde, dat zijn tegenpartij den adem verloor; toen sloeg hij met de linkerhand naar zijn gezicht; en, terwijl de Mulder poogde, den slag af te weren, liet Gurth de rechter- tot de linkerhand zakken, en trof met volle kracht zijn tegenpartij aan de linkerzijde van het hoofd, zoodat deze oogenblikkelijk lang uit op den grond lag.
"Goed,--en als een dapper landsmans gedaan!" schreeuwden de roovers. "Leve de eerlijke strijd en oud Brittanje! De Sakser heeft beurs en huid gered, en de Mulder heeft zijn man gevonden."
"Gij kunt heengaan, vriend," zei de kapitein, zich tot Gurth wendende, om de algemeene stem te bevestigen, "en ik zal u door twee van mijn kameraden den besten weg naar de tent van uw meester laten wijzen, om u tegen andere nachtwandelaars te beschermen, die een minder teeder geweten zouden hebben, dan wij; want er zijn velen op de been in een nacht, als dezen. Pas evenwel op!" voegde hij er op strengen toon bij. "Herinner u, dat gij geweigerd hebt uw naam te zeggen;--vraag niet naar den onzen, en tracht niet te ontdekken, wie of wat wij zijn; want als gij dat doet zal het u erger gaan, dan ge wel denkt!"
Gurth dankte den kapitein voor zijne beleefdheid, en beloofde zijn raad niet te vergeten. Twee der vrijbuiters namen hunne stokken, en Gurth bevelende hen kort op de hielen te volgen, gingen zij met vlugge schreden vooruit, langs een voetpad, dat door het bosch en de woeste vlakte in de nabijheid liep. Aan het einde van het bosch spraken twee mannen zijn geleiders aan, en, nadat deze hun een antwoord toegefluisterd hadden, begaven zij zich in het woud terug, en lieten hen ongehinderd verder gaan. Deze omstandigheid deed Gurth gelooven, dat de bende talrijk was, en dat zij geregelde wachten rondom hun verzamelplaats hadden.
Toen zij op de open heide kwamen, waar Gurth het eenigszins moeielijk zou gevallen zijn, den weg te vinden, geleidden de roovers hem recht naar den top van een kleinen heuvel, van waar hij, in den maneschijn, de palen van het strijdperk, en de schitterende tenten met haar wapperende vlaggetjes, die aan ieder uiteinde er van bevestigd waren, zien kon, en het gezang hooren, waarmede de schildwachten den tijd zochten te korten.
Hier bleven de dieven staan.
"Wij gaan niet verder," zeiden zij; "het zou niet veilig voor ons zijn.--Herinner u de waarschuwing, die ge ontvangen hebt:--houd geheim, wat u dezen nacht is overkomen, en het zal u niet berouwen;--zoo gij verzuimt, wat men u gezegd heeft, zou de _Tower_ te Londen u niet tegen onze wraak beschermen."
"Goeden nacht, vrienden," zei Gurth. "Ik zal uw bevelen opvolgen, en ik vertrouw geen kwaad te doen, met u een veiliger en eerlijker beroep toe te wenschen!"
Zoo scheidden zij; de vrijbuiters keerden langs denzelfden weg terug, dien zij gekomen waren, en Gurth ging naar de tent van zijn meester, dien hij, in weerwil van het gegeven bevel, alle voorvallen van dien nacht mededeelde.
De Onterfde Ridder was vervuld met verbazing, zoowel over de edelmoedigheid van Rebekka, waarvan hij echter besloot geen voordeel te trekken, als over die van de roovers, aan wier beroep zulk eene deugd geheel vreemd scheen. Zijn gepeins over deze zonderlinge omstandigheden, werd evenwel gestoord door de noodzakelijkheid, om de rust te nemen, die de vermoeienissen van den vorigen dag en de noodwendigheid, om zich tegen het gevecht van den aanstaanden morgen te versterken, onmisbaar maakten.
De ridder legde zich dus op een zacht bed, waarmede de tent voorzien was, neder, en de getrouwe Gurth strekte zijn verharde leden op een berenvel, dat tot kleed op den grond diende, uit, dwars voor de opening van de tent, zoodat niemand binnenkomen kon, zonder hem wakker te maken.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven, Terwijl trompet, klaroen het sein tot d' aanval gaven: 't Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan, Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan, De scherpe spoor gedrukt in 't ros aan beide zijden; Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden; De spietsen dringen door het dikke en harde schild Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt; Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen; De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen; Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord, En 't bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort.
Chaucer.
De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen.
De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld, tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen, die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander strijden zouden.
Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden, waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken.
Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders, die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden, om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen, die te laat kwamen, om toegelaten te worden.
Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan, vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht, zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden.
Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar, sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden, om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar, als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te doen gevoelen.
De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren, hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had.
Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder afsteeg, om haar paard te houden.
"Zoo is het," zei Prins Jan, "dat wij het verschuldigde voorbeeld van getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.--Schoone Dames," zeide hij, "volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt gelijke eer te genieten."
Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten.
Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden, en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde te schikken, en den strijd te voeren.
De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben.
Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken, en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven, zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte, dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan, mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd, om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad, zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden, wegens zijn onridderlijk gedrag.
Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen, en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen.
Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen, vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam, voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder zijne plaats gewezen had.
Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend, gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,--als ijzeren standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven.
Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan, terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende stem het teeken tot den aanval met de woorden: _Laissez aller!_ De trompetten lieten zich nu hooren,--de speren der kampvechters zakten op eens,--de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen, en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen.
Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof, door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,--sommigen door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,--anderen lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;--nog anderen waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,--en twee of drie, die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en leven van den uitslag des gevechts afhingen.
Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof, om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de Bois-Guilbert riepen: "_Ha! Beau Séant! Beau Séant_ [16]--_Voor den Tempel! Voor den Tempel!_" De tegenpartij riep daarentegen: "_Desdichado! Desdichado!_"--een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden aan het devies op het schild van hun aanvoerder.
De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden, die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed, en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was, diende slechts om schrik of medelijden te verwekken.
Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken en sluiers, maar ook door het geroep: "Dappere lans! Goed zwaard!" als zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten.
Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen, terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen, welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der herauten uitroepen: "Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar de roem leeft!--Strijdt,--de dood is beter dan de nederlaag!--Kampt, dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!"