Chapter 11
"Zoolang ze eerlijk, verstandig en christelijk zijn, zal ik ze volvoeren," antwoordde Gurth; "maar dit bevel heeft er niets van. Een Jood zich zelven te laten betalen, zou oneerlijk zijn; want hij zou mijn meester bedriegen, en onverstandig, want het ware gek en onchristelijk gehandeld, een geloovige te berooven, om een ongeloovige te verrijken."
"Stel gij hem dan zelf tevreden!" zei de Onterfde Ridder.
"Dat zal ik," hernam Gurth, de beurs onder zijn mantel nemende, en de tent verlatende; "en het zal erg moeten loopen," bromde hij, "zoo ik hem niet met de helft van zijn eisch bevredig." Dit zeggende, vertrok hij, en liet den Onterfde Ridder aan zijne sombere overwegingen over, die om meer redenen, dan het tegenwoordig mogelijk is den lezer mede te deelen, van bijzonder pijnlijken en kwellenden aard waren.
Wij moeten nu het tooneel verplaatsen naar het dorp Ashby, of liever naar een landhuis in de nabijheid daarvan, dat aan een rijken Israëliet toebehoorde, waar Izaäk, zijne dochter en zijne bedienden hun intrek genomen hadden; de Joden toch, zooals bekend is, zijn even mild en gastvrij jegens hunne eigene natie, als ze vroeger gerekend werden, onwillig en stuursch tegen anderen te zijn.
In een vertrek, wel is waar klein, maar rijkelijk voorzien met Oostersche sieraden, zat Rebekka op geborduurde kussens, die op een kleine verhevenheid lagen, welke rondom de kamer gemaakt was, gelijk de _estrada_ der Spanjaarden, en die de plaats van stoelen verving. Zij sloeg de bewegingen van haren vader met een blik van angstige, kinderlijke liefde gade, terwijl hij met een moedeloos gelaat en ongeregelde schreden in het vertrek op en neder ging; soms de handen ineen of de oogen omhoog slaande, als een mensch die grooten zielsangst lijdt. "O, Jakob!" riep hij uit.--"Ach, alle twaalf heilige stamvaders van onze natie! Welk een verlies is dat voor een man, die nooit tittel of jota van Mozes' wet verzuimd heeft! Vijftig _zechinen_ mij op eens ontroofd, en dat door de klauwen van een tiran!"
"Maar, vader!" zei Rebekka, "het scheen mij toe, dat gij Prins Jan het geld vrijwillig gaaft."
"Vrijwillig? Dat de plagen van Egypte hem treffen! Vrijwillig zeg je?--Ja, zoo vrijwillig, als ik in de golf van Lyon mijn waren over boord wierp, om het schip te verlichten, toen het tegen den storm worstelde,--toen ik de schuimende baren met mijn schoonste zijde kleedde,--toen ik myrrhe en aloë in het zoute zeewater mengde,--toen ik de diepte van den Oceaan met goud en zilverwerk verrijkte! En was dat niet een uur van onuitsprekelijke ellende, hoewel mijn eigene handen de offerande verrichtten?"
"Maar het was een offer door den hemel gevorderd, om ons leven te redden," antwoordde Rebekka, "en de God onzer vaderen heeft sedert dien tijd uw handel en rijkdom gezegend."
"Ach," antwoordde Izaäk, "maar waartoe, als de dwingeland er zoo beslag op legt als heden, en mij dwingt nog te lachen, terwijl hij mij uitplundert?--O, dochter! onterfd en zwervende, zooals wij zijn, is dit wel het grootste ongeluk, dat ons geslacht kan overkomen, dat wanneer wij onder den voet getrapt en uitgeplunderd worden, iedereen ons uitlacht; en wij verplicht zijn, onze gevoeligheid over de beleediging te onderdrukken, en gedwee te glimlachen in plaats van ons dapper te wreken!"
"Denk er zoo niet over, vader," zei Rebekka; "wij hebben van onze zijde ook vele voordeelen. Deze Heidenen, welke wreede onderdrukkers ze ook zijn, hangen van den anderen kant ook af van de kinderen van Sion, die zij verachten en vervolgen. Zonder onzen rijkdom, zouden zij noch in den oorlog hun legers, noch bij den vrede hun zegepralen kunnen betalen, en het goud, dat wij hun leenen, keert vermeerderd in onze geldkisten terug. Wij zijn gelijk het gras, dat te weliger opschiet, hoe meer het vertrapt wordt. Zelfs het feest van heden kon niet plaats gehad hebben, zonder de toestemming van den verachten Jood, die er de middelen toe verschaft heeft."
"Dochter," hernam Izaäk, "gij hebt een andere snaar van mijne smart aangeroerd. Het schoone paard en de rijke wapenrusting zullen al het voordeel verslinden van mijn handel met onzen Kirjath Jairam van Leicester;--dat zou een verschrikkelijk verlies zijn;--de winst van eene geheele week, van den geheelen tijd tusschen twee sabbaths;--en echter kan het nog beter afloopen, dan ik nu denk; want het is een brave jongeling."
"Zeker," zei Rebekka, "en ik vertrouw, dat het u niet berouwen zal, den goeden dienst te hebben vergolden, dien u de vreemde ridder bewezen heeft."
"Ik vertrouw er ook op, dochter," zei Izaäk, "en ik vertrouw ook op het herbouwen van Sion; maar ik heb evenveel hoop met eigene oogen de muren en torens van den nieuwen tempel te zien, als ik hopen kan, dat een Christen, ja, de allerbeste der Christenen, aan een Jood een schuld zou betalen, anders dan uit vrees voor den rechter en de gevangenis."
Dit zeggende, hervatte hij zijn onrustige wandeling door de kamer; en Rebekka, bespeurende, dat alle pogingen om haar vader te troosten, alleen dienden, om nieuwe klachten uit te lokken, zag wijselijk van hare onnutte moeite af;--een voorzichtig gedrag, dat wij allen troosters en raadgevers in soortgelijke gevallen ter navolging aanbevelen.
De avond begon juist te vallen, toen een Joodsche bediende de kamer binnentrad, en twee zilveren lampen op tafel zette, gevuld met welriekende olie;--de heerlijkste wijnen en de keurigste ververschingen werden tevens door een anderen Joodschen dienaar, op een kleine ebbenhouten tafel, met zilver ingelegd, gezet; want in hunne huizen ontzeiden de Joden zich geene kostbare weelde. Te gelijker tijd meldde de bediende, dat een Nazareër (zoo noemden zij de Christenen, als zij onder elkander spraken), Izaäk begeerde te spreken. Hij, die van den koophandel wil leven, moet gereed staan voor ieder, die zaken met hem heeft. Izaäk zette schielijk het glas Griekschen wijn, dat hij aan de lippen had, zonder er van te proeven neder, en haastig tot zijn dochter zeggende: "Rebekka, laat den sluier vallen," beval hij den vreemdeling binnen te laten. Juist, toen Rebekka over haar schoone trekken een sluier van zilvergaas geslagen had, die haar tot de knieën reikte, ging de deur open, en Gurth trad binnen, in zijn wijden Normandischen mantel gewikkeld. Zijn voorkomen wekte eerder achterdocht dan dat het innemend was, voornamelijk daar hij, in plaats van zijn kap af te nemen, deze nog dieper over zijn verbrand voorhoofd trok.
"Zijt gij Izaäk, de Jood van York?" zeide Gurth in het Saksisch.
"Die ben ik," hernam Izaäk in dezelfde taal (want zijn handel had hem met iederen tongval, die in Engeland gesproken werd, gemeenzaam gemaakt); "en wie zijt gij?"
"Dat doet niets ter zaak," antwoordde Gurth.
"Dit raakt mij zoowel als mijn naam u," hervatte Izaäk; "want, hoe kan ik verkeer met u houden, zonder uw naam te weten?"
"Zeer gemakkelijk," zeide Gurth; "daar ik u geld te betalen heb, moet ik weten, of ik het aan den rechten man geef; gij, die het ontvangen moet, zult er u weinig om bekommeren, door wiens handen het u toekomt."
"O," zei de Jood, "gij zijt gekomen om geld te betalen.--Heilige vader Abraham!--dat verandert onze betrekking tot elkander. En van wien brengt gij het?"
"Van den Onterfden Ridder," antwoordde Gurth, "den overwinnaar in het toernooi van heden. Het is de prijs van de wapenrusting, die Kirjath Jairam van Leicester hem op uw aanbeveling heeft verschaft. Het paard staat weder in uw stal. Ik wenschte nu wel te weten, hoe groot de som is, die ik voor de wapenrusting betalen moet?"
"Ik heb gezegd, dat het een brave jongeling was!" riep Izaäk, verrukt van blijdschap. "Een beker wijn zal u geen kwaad doen," voegde hij er bij, den zwijnenhoeder een beker inschenkende en overhandigende, gevuld met kostelijker wijn, dan hij ooit te voren geproefd had. "En hoeveel geld hebt gij medegebracht?"
"Heilige Maagd!" riep Gurth, den beker nederzettende, "welken nektar drinken die ongeloovige honden, terwijl geloovige Christenen tevreden moeten zijn met bier, zoo dik en troebel, als de draf, dien wij aan de zwijnen geven!--Hoeveel geld ik medegebracht heb?" ging de Sakser voort, na deze onbeleefde uitroeping; "slechts een klein sommetje, maar toch iets in de hand. Wel, Izaäk, gij moet een geweten hebben, al is het ook maar een Jodengeweten."
"Nu ja," hernam Izaäk; "maar uw meester heeft schoone paarden en rijke wapenrustingen gewonnen door de kracht zijner lans en zijner rechterhand,--maar het is een brave jongeling;--de Jood zal ze in plaats van betaling aannemen, en hem het overschot terug geven."
"Mijn meester heeft reeds daarover beschikt," zei Gurth.
"Ach! dat was verkeerd," antwoordde de Jood, "dat was een gekke streek. Geen Christen hier kon zoovele paarden en wapenrustingen koopen;--geen Jood buiten mij, kon hem meer dan de helft van de waarde geven. Maar gij hebt honderd _zechinen_ bij u in die beurs." zeide Izaäk, onder den mantel van Gurth tastende, "ze is zwaar."
"Ik heb er punten voor pijlen in," zei Gurth, zonder zich te bedenken.
"Wel nu," zei Izaäk zuchtende, en aarzelende tusschen zijn gewone geldzucht en het pas opgekomen verlangen, om in het tegenwoordig geval edelmoedig te zijn, "als ik zei, dat ik tachtig _zechinen_ wilde nemen voor het goede paard en de rijke wapenrusting, dat mij geen gulden winst zou geven, hebt gij dan geld genoeg om mij te betalen?"
"Nauwelijks," antwoordde Gurth, hoewel de gevraagde som minder was, dan hij verwacht had, "en mijn meester blijft dan niets over. Echter, zoo dit uw laatste woord is, moet ik er mede tevreden zijn."
"Schenk u nog een beker wijn in," zei de Jood. "Ach! tachtig _zechinen_ is te weinig! Het laat geen interest van het geld over; en buitendien, kan het paard geleden hebben in den strijd. O, het was een zwaar en gevaarlijk gevecht; man en paard tegen elkander vliegende, als de wilde stieren van Basan. Het paard heeft zeer geleden!"
"En ik zeg," hervatte Gurth, "dat het gezond is aan lijf en leden, gij kunt het nu in den stal zien. En ik zeg bovendien, dat zeventig _zechinen_ genoeg is voor de wapenrusting, en ik hoop, dat het woord van een Christen even goed is, als dat van een Jood. Als gij geen zeventig nemen wilt, zal ik deze beurs aan mijn meester terug brengen;" en hij liet het geld klinken.
"Neen, neen!" riep Izaäk, "leg de talenten, de sjekels,--de tachtig _zechinen_ neer, en gij zult zien, dat ik u ruim bedenken zal."
Gurth gaf toe, en tachtig _zechinen_ op de tafel tellende, gaf de Jood hem een kwitantie voor het paard en de wapenrusting. Des Joden hand sidderde van vreugde, terwijl hij de eerste zeventig goudstukken opstreek. De tien laatsten telde hij met veel bedaardheid na, stil houdende en iets mompelende, telkens als hij een stuk van de tafel opnam, en het in de beurs stak. Het scheen, alsof zijn gierigheid met zijn beteren aard in strijd was, en hem dwong de eene _zechine_ na de andere op te strijken, terwijl zijn edelmoedigheid hem aandreef, om tenminste een gedeelte aan zijn weldoener terug te geven, in den vorm eener gift aan zijn dienaar. Zijn geheel gesprek luidde ten naastenbij aldus:--
"Een en zeventig,--twee en zeventig; uw meester is een brave jongeling;--drie en zeventig,--een voortreffelijk jongeling,--vier en zeventig, dit stuk is besneden,--vijf en zeventig, en dit schijnt te licht,--zes en zeventig,--als uw meester geld noodig heeft, laat hij dan bij Izaäk van York komen;--zeven en zeventig,--te weten onder goed onderpand." Hier hield hij geruimen tijd stil, en Gurth had goede hoop, dat de drie laatste stukken het lot van hun makkers zouden ontgaan; maar de telling ging voort.--"Acht en zeventig,--gij zijt een goede jongen,--negen en zeventig,--en verdient iets voor u zelven."--Hier hield de Jood weder op, en zag de laatste _zechine_ aan, zonder twijfel met voornemen om ze aan Gurth te schenken. Hij woog ze op den top van den vinger, en liet ze op de tafel vallen, om den klank te hooren. Ware ze maar één haar te licht, of de klank niet zuiver geweest, dan had de edelmoedigheid gezegepraald; maar ongelukkig voor Gurth was de klank vol en zuiver, de _zechine_ dik, nieuw geslagen en een grein boven het gewicht. Izaäk kon niet van zich verkrijgen om er van te scheiden, dus liet hij ze, als uit verstrooidheid, in de beurs vallen met de woorden: "Tachtig maakt de som vol, en ik vertrouw, dat uw meester u goed zal beloonen. Zeker," voegde hij er bij, ernstig naar de beurs loerende, "gij hebt meer geld in dien zak?" Gurth grijnsde, zijn eenige wijze van lachen, en hernam: "Omtrent dezelfde som, als die gij daar zoo zorgvuldig geteld hebt." Hierop vouwde hij de kwitantie op, en stak ze onder zijn kap, zeggende: "Bij uw baard, Jood, pas op, dat de kwitantie goed en echt zij!" Hij vulde, zonder er toe verzocht te zijn, een derden beker wijn, en verliet de kamer zonder te groeten.
"Rebekka," zei de Jood, "die Ismaëliet is mij een weinig te slim geweest. Toch is zijn heer een brave jongeling;--ja, en ik ben verheugd, dat hij sjekels van goud en zilver gewonnen heeft, door zijn vlug paard en zijn sterke lans, die, evenals die van Goliath den Philistijn, met een wevers-boom kon vergeleken worden."
Toen hij zich omkeerde om een antwoord van Rebekka te ontvangen, bespeurde hij, dat zij, onder zijn gesprek met Gurth, de kamer verlaten had.
Intusschen was Gurth de trappen afgegaan, en na een duistere voorkamer, of gang bereikt te hebben, tastte hij rond om den uitgang te vinden, toen een witte gedaante, verlicht door een kleine zilveren lamp, die zij in de hand hield, hem een wenk gaf haar in een zijvertrek te volgen. Gurth was hiertoe niet zeer geneigd. Ruw en onstuimig als een wild everzwijn, waar hij niets dan geweld te duchten had, bezat hij al de karakteristieke bevreesdheid van de Saksers ten opzichte van weerwolven, boschmannen, witte vrouwen en al de spoken, die zij uit de wildernissen van Duitschland hadden medegebracht. Hij herinnerde zich daarenboven, dat hij in het huis van een Jood was, een volk, dat, behalve de andere hatelijke eigenschappen, welke het volksbijgeloof hun toeschreef, voor groote toovenaars en heksenmeesters gehouden werd. Echter gehoorzaamde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben, aan het verzoek van de verschijning, en volgde haar in de kamer, die zij hem aanwees, waar hij tot zijne verwondering en vreugde ontdekte, dat zijn leidster de schoone Jodin was, die hij eerst op het toernooi, en vóór eenige oogenblikken in haars vaders vertrek gezien had.
Zij vroeg hem naar zijn onderhoud met Izaäk, dat hij nauwkeurig mededeelde.
"Mijn vader heeft slechts met u geschertst, vriend," zeide Rebekka; "hij is uw meester meer dank verschuldigd, dan deze wapenen en dit paard kunnen vergelden, al waren zij tienmaal meer waard. Hoeveel hebt gij mijn vader betaald?"
"Tachtig _zechinen_," zei Gurth, verrast door de vraag.
"In deze beurs," vervolgde Rebekka, "zult gij er honderd vinden. Geef uw meester zijn eigendom terug, en behoud het overige voor u. Ga,--haast u,--houd u niet op met dankbetuigingen, en neem u in acht, als gij door deze drukke stad gaat, waar gij licht uw last en uw leven kunt verliezen.--Ruben!" voegde zij er bij, in de handen klappende, "licht dezen vreemdeling voor, en vergeet niet de deur met slot en grendel achter hem te sluiten."
Ruben, een zwartoogige en zwartgebaarde Israëliet, gehoorzaamde aan haar bevelen met een fakkel in de hand; hij opende de buitendeur van het huis, en Gurth over een geplaveid hof geleidende, liet hij hem door een deurtje in de poort uit, dat hij achter hem sloot met grendels en ketenen, die voor een gevangenis waren.
"Bij den heiligen Dunstan," zei Gurth, terwijl hij door de donkere gang voortstrompelde, "dit is geene Jodin, maar een engel des hemels! Tien _zechinen_ van mijn dapperen jongen meester,--twintig van deze parel van Sion--gelukkige dag!--Nog één dag van dien aard, Gurth, en gij kunt u loskoopen van de lijfeigenschap, en zoo vrij wezen als de beste. En dan leg ik terstond mijn zwijnenhoedershoren en staf neder, neem het zwaard en het schild van een vrijen man op, en volg mijn jongen meester tot in den dood, zonder meer mijn gezicht of naam te verbergen."
ELFDE HOOFDSTUK.
1ste Struikr. Sta, Heer! geef af hetgeen gij bij u draagt, Of anders pakken we u en plunderen u. Spion. Wij zijn verloren, Heer! ziedaar de schurken, Voor wie steeds alle reizigers bevreesd zijn. Val. Mijn vrienden . . . . . . . . . 1ste Struikr. Toch niet, wij zijn uw vijanden. 2de Struikr. Stil, stil, hem aangehoord! 3de Struikr. Ja, bij mijn baard, dat willen wij; 't Is toch een deftig man.
De twee Edellieden van Verona.
Gurt's nachtelijke avonturen waren nog niet ten einde; deze gedachte kwam bij hem zelf op, toen hij zich, na tusschen een paar eenzame huizen, die aan het einde van het dorp lagen, te zijn doorgegaan, in een diepen, hollen weg bevond, die tusschen twee dijken doorliep, welke met hulst en hazelstruiken bezet waren, terwijl hier en daar een dwergeik zijn takken geheel over het pad uitstrekte. De weg was daarenboven bedorven door de wagens, die nog niet lang geleden allerhande behoeften voor het toernooi hadden aangebracht, en het was donker, want de dijken en struiken onderschepten het licht van de schoone najaars-maan.
Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken, en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige ongerustheid bij Gurth. "De Jodin had gelijk," zei hij bij zich zelven. "Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,--hoeveel meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol _zechinen_; was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas [15] zien, eer ze mij op den hals vallen."
Gurth verhaastte dus zijne schreden, om de open heidevlakte te bereiken, waarheen de holle weg leidde, maar dit gelukte hem niet. Juist toen hij aan het einde van den weg gekomen was, dáár waar het kreupelhout het dichtste was, sprongen er vier mannen op hem aan, zooals zijn angstig voorgevoel hem voorspeld had, van iedere zijde van den weg twee, en grepen hem zoo vast, dat alle weerstand, al ware die mogelijk geweest, te vergeefs zou geweest zijn.
"Geef uw last over!" zei er een van; "wij zijn de ontvangers van het rijk, die ieder van zijn last verlichten."
"Gij zoudt mij van den mijnen niet zoo gemakkelijk verlichten," morde Gurth, wiens norsche eerlijkheid zelfs niet door geweld kon gebogen worden,--"als ik het maar in mijne macht had, u een paar slagen te geven om mij te redden."
"Dat zullen wij straks zien," zei de roover, en zich tot zijn makkers wendende, sprak hij: "brengt hem mede; ik zie, dat hij zich de hersenen wil laten inslaan, zoowel als zijne beurs opensnijden, en zoo aan twee aderen tegelijk bloed gelaten worden."
Gurth werd volgens dit bevel voortgesleept, en nadat hij eenigszins ruw over den dijk aan de linker zijde van den weg getrokken was, bevond hij zich in een eenzaam boschje, dat tusschen den hollen weg en de open heivlakte lag. Hij werd gedwongen zijn woeste leidslieden tot in de diepte van het bosch te volgen, waar zij plotseling op een boomvrije plek bleven staan, waarop de stralen van de maan ongehinderd door takken of struiken vielen. Hier voegden zich nog bij de roovers, die waarschijnlijk tot de bende behoorden, twee andere mannen. Zij hadden korte zwaarden op zijde en groote knuppels in de handen, en Gurth bespeurde nu, dat zij allen maskers droegen, wat hun beroep verraadde, al had hun vorige handelwijze ook nog eenige onzekerheid dienaangaande overgelaten.
"Hoeveel geld hebt gij bij u?" vroeg een van de dieven.
"Dertig _zechinen_, die mij toebehooren," hernam Gurth kort af.
"Verbeurd, verbeurd!" riepen de roovers; "een Sakser heeft dertig _zechinen_, en keert nuchter uit een dorp terug! Zij zijn onherroepelijk en zeker aan ons vervallen, met alles, wat hij bij zich heeft."
"Ik heb ze bijeen gespaard, om mijn vrijheid daarmede te koopen," antwoordde Gurth.
"Gij zijt een ezel," hernam een van de dieven; "drie flesschen sterk bier hadden u even vrij gemaakt als uw meester, en zelfs vrijer, als hij een Sakser is, evenals gij."
"Eene droeve waarheid," hervatte Gurth; "maar als de dertig _zechinen_ mij van u vrijkoopen kunnen, zoo maakt mij de handen los, en ik zal ze u uitbetalen."
"Holla!" zei de een, die bij de anderen in aanzien scheen te staan, "de beurs, die gij daar draagt, voor zoover ik door uw mantel voelen kan, bevat meer geld dan gij zegt."
"Het behoort aan den dapperen ridder, mijn meester!" antwoordde Gurth; "ik zou er zeker geen woord van gesproken hebben, zoo gij u met mijn eigendom hadt tevreden gesteld."
"Gij zijt een eerlijke jongen," hernam de roover, "dat verzeker ik u; en wij vereeren St. Nikolaas niet zoo oprecht, of uw dertig _zechinen_ kunnen nog gered worden, als gij openhartig met ons handelt. Geef ons intusschen uw aanvertrouwd goed over." Dit zeggende, nam hij van onder Gurth's mantel den lederen zak, waarin de beurs, die Rebekka hem gegeven had, zoowel als de overige _zechinen_ zich bevonden, en daarop ging hij voort met zijn ondervraging.--"Wie is uw meester?"
"De Onterfde Ridder," zei Gurth.
"Wiens goede lans den prijs in het toernooi van heden behaald heeft?" hervatte de roover. "Hoe is zijn naam en wat zijne afkomst?"
"Hij verkiest beiden verborgen te houden," antwoordde Gurth, "en van mij zult gij zeker niets daaromtrent vernemen."
"Wat is uw eigen naam en afkomst?"
"Als ik u dat zeide," hernam Gurth, "zou het die van mijn meester kunnen verraden."
"Gij zijt een stoute kerel," zei de roover, "maar straks nader daarover! Van waar krijgt uw meester dat goud? Heeft hij het geërfd, of op welke wijze heeft hij het verworven?"
"Door zijn goede lans," antwoordde Gurth. "Deze beurzen bevatten het losgeld van vier schoone paarden en wapenrustingen."
"Hoeveel is er in?" vraagde de roover.
"Twee honderd _zechinen_."
"Maar twee honderd _zechinen_?" zei de bandiet; "uw meester heeft mild met de overwonnenen gehandeld, en hun een gering losgeld opgelegd. Noem diegenen op, welke het goud betaald hebben." Gurth gehoorzaamde.
"Welk losgeld hebben de wapenrusting en het paard van den Tempelier Brian de Bois-Guilbert opgebracht?--Gij ziet, dat gij mij niet kunt bedriegen."
"Mijn meester," hernam Gurth, "wil van den Tempelier niets dan zijn bloed aannemen. Zij hebben elkander op leven en dood uitgedaagd, en kunnen niets in der minne afmaken."
"Wezenlijk!" riep de roover, en hield na dezen uitroep een oogenblik stil. "En wat hebt gij te Ashby gedaan, met zulk een som in uw bewaring?"
"Ik ben er heen geweest," antwoordde Gurth, "om aan Izaäk den Jood van York den prijs terug te geven voor eene wapenrusting, welke hij aan mijn meester voor het toernooi geleverd had."
"En hoeveel hebt gij Izaäk betaald?--Mij dunkt, naar het gewicht te oordeelen, dat er nog wel twee honderd _zechinen_ in deze beurs zijn."
"Ik heb aan Izaäk," zeide de Sakser, "tachtig _zechinen_ betaald, en hij heeft er mij honderd in de plaats gegeven."
"Hoe! wat!" riepen alle roovers tegelijk; "durft gij met ons spotten, dat gij ons zulke onbeschaamde leugens vertelt?"
"Wat ik u zeg," zeide Gurth, "is even waar, als dat de maan aan den hemel staat. Gij zult de geheele som in een zijden beurs vinden, van het overige goud afgescheiden."