Chapter 10
Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard, zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven, werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning, waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen van alle aanschouwers.
Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd, dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden, eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid, met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren bewegingloos als een standbeeld had doen staan.
"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar dit de eenige naam is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen, dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse, sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken, aan wie gij wilt,--door welke overhandiging de verkiezing der Koningin voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!"
De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en kogels op een hertogs-kroon.
Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar Fitzurse's dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka te verbannen; hij wilde zich Alicia's vader, Waldemar Fitzurse, dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht, de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen, in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere keuze deed.
En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had, scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden.
Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken: maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren, die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat, daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden, zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de opkomende schoonen te laten.
Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top.
Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had, zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder.
Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken.
"Vader Abraham!" zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, "hoe stout rijdt de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele _zechinen_ gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens zeventig ten honderd winst,--hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij ze op den straatweg gevonden had!"
"Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader," zei Rebekka, "in een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten, dat hij paard en wapenrusting zou sparen."
"Kind!" hernam Izaäk, eenigszins driftig, "gij weet niet wat gij zegt--zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard en zijn wapenrusting behooren aan--vader Jacob! wat had ik haast gezegd!--En toch, het is een brave jongeling.--Zie Rebekka! zie, hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!--Bid kind--bid voor het behoud van den goeden jongeling,--en van het vlugge paard en de rijke wapenrusting.--God mijner vaderen!" riep hij weder, "hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn lans bezweken,--even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!--Zeker krijgt hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van erts en staal, tot buit en roof!"
Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd, terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus, die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan, terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk, terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden hierop hun geschreeuw van "_Largesse!_" waarop de gelukkige Cedric door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder vlug, een gave van even groote waarde voegde.
Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien, als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt bij de kreten van: "Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin der Liefde en Schoonheid!" waarbij velen voegden: "Leve de Saksische Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!"
Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen, die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij tot zijn gevolg zeide: "Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de heldersten zijn!"
Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan gevleid, dat de Prins in 't openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter niet naar verdienste was behandeld.
"Ik ken," zeide hij, "geen dierbaarder en onschendbaarder recht der ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken aan alle verschuldigde eerbewijzen."
Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij, waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten.
"Ontvang, schoone Jonkvrouw," zeide hij, "het teeken uwer heerschappij, waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van Anjou,--en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt, ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen onze hulde zullen bewijzen."
Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische moedertaal: "Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,--of om deel aan uw feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen, waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk." Dit zeggende, nam hij de kroon op, en zette die op Rowena's hoofd, als een teeken, dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde.
"Wat zegt hij?" zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van Cedric's gezegde werd hem in het Fransch herhaald. "Het is wel," zeide hij; "morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den troon geleiden.--Gij ten minste, heer Ridder," voegde hij er bij, zich tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan, "zult heden mijn gast zijn?"
De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid, om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden.
"Het is wel," zei weer Prins Jan, op trotschen toon; "ofschoon ik niet gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid."
Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg, en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers.
Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen, voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem 's morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden, die in de nabijheid stonden.--"Gij staat mij er met uw leven borg voor, dat die boer niet ontsnapt!"
De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af gekenmerkt had, en zei glimlachend: "Ik ben niet van plan, Ashby vóór overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood en Charnwood moeten goede schutters leveren."
"Ik zal zien," zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks te antwoorden, "hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem, zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!"
"Het is hoog tijd," zei de Bracy, "dat de _outrecuidance_ [14] dezer boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!"
Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen, haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen.
Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren, of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende, met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan, ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter.
Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf, welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen, en gissingen omtrent zijn persoon te maken.
Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde.
Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden, die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen, welke de toeschouwers hadden achtergelaten.
Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag weder in orde te brengen, of te veranderen.
Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht.
TIENDE HOOFDSTUK.
Gelijk een raaf, wiens aaklig schor gekras, Den veegen kranke 't naadrend eind voorspelt, En in de schaduw van den stillen nacht Besmetting van de vale vlerken schudt; Zoo snelt ook de arme Barrabas getergd, Met helsche vloeken op dees Christen aan.
De Jood van Malta.
De Onterfde Ridder had nauwelijks zijne tent bereikt, of eene menigte schildknapen en pages boden hun dienst aan, om hem te ontwapenen, versche kleederen te brengen, en de verkwikking van een bad te verschaffen. Hun ijver bij deze gelegenheid werd misschien aangevuurd door nieuwsgierigheid, daar ieder wenschte te weten, wie de ridder was, die zoo vele lauweren geplukt, en toch geweigerd had, zelfs op verzoek van Prins Jan, zijn vizier te openen, of zijn naam te noemen. Maar aan hun dienstvaardige nieuwsgierigheid werd niet voldaan. De Onterfde Ridder weigerde iedere andere hulp, dan die van zijn eigen schildknaap, of liever dienstbare, een man van een boersch uitzicht, die gewikkeld in een mantel van donkerkleurig vilt, en zijn gezicht en hoofd half begraven in een Normandische muts van zwart bont, even onbekend scheen te willen blijven als zijn meester. Alle anderen uit de tent verwijderd zijnde, bevrijdde deze dienaar zijn heer van de zwaardere deelen zijner wapenrusting, en zette hem voedsel en wijn voor, welke de uitgestane vermoeienissen van den dag zeer gewenscht maakten.
Hij had nauwelijks een haastigen maaltijd geëindigd, of zijn bediende kondigde hem aan, dat vijf mannen, ieder een opgetoomd paard leidende, hem wenschten te spreken. De Onterfde Ridder had zijn wapenrusting verwisseld tegen het lange gewaad, dat lieden van zijn stand gewoonlijk droegen. Daar het van een kap voorzien was, verborg het de gelaatstrekken, wanneer men zulks verkoos, bijna even goed, als het vizier van den helm zelf, maar het schemerlicht, dat nu sterk begon te vallen, zou reeds een vermomming onnoodig gemaakt hebben, behalve voor hen, die zijn gezicht bijzonder goed kenden.
De Onterfde Ridder trad dus stoutmoedig voor zijne tent, en vond daar de schildknapen der uitdagers, die hij gemakkelijk herkende aan hun roode en zwarte kleederen; ieder van hen leidde het strijdpaard van zijn meester, beladen met de wapenrusting, in welke hij dien dag gevochten had.
"Volgens de wetten der ridderschap," zei de eerste dezer mannen, "bied ik, Boudewijn De Oyley, schildknaap van den geduchten ridder Brian de Bois-Guilbert, u die u "de Onterfde Ridder" noemt, het paard en de wapenrusting aan, welke gezegde Brian de Bois-Guilbert in het gevecht van heden gedragen heeft, en laat het aan uw ridderlijkheid over, om ze te houden, of een losgeld daarvoor te bepalen;--want zulks eischt de toernooiwet."
De andere schildknapen herhaalden bijna hetzelfde formulier, en bleven toen staan, om de beslissing van den Onterfden Ridder af te wachten.
"Aan u, vier knapen," hernam de ridder, zich tot hen richtende, die het laatst gesproken hadden, "aan uw edele en dappere meesters, heb ik hetzelfde antwoord te geven. Brengt mijn groet over aan de edele ridders, uw heeren, en zegt hun, dat ik verkeerd zou handelen, door hen van paard en wapenen te berooven, die nooit door betere ridders kunnen gevoerd worden.--Ik wenschte hiermede mijn boodschap aan deze dappere heeren te kunnen eindigen; maar, daar ik in goeden ernst en waarheid ben wat ik mij noem: Onterfde, moet ik het aanbod uwer meesters aannemen, om met ridderlijke beleefdheid hun wapenrustingen te lossen, daar ik die, welke ik zelf draag, nauwelijks mijn eigen kan noemen."
"Wij zijn gelast," antwoordde de schildknaap van Reginald Front-de-Boeuf, "ieder honderd _zechinen_, als losgeld, voor deze wapenrustingen en paarden te bieden."
"Dat is voldoende," hervatte de Onterfde Ridder. "Mijn tegenwoordige behoeften noodzaken mij de helft aan te nemen; verdeelt de overige helft in twee gelijke deelen; het ééne kunt gij voor u zelven behouden, heeren schildknapen, en deelt het andere onder de herauten, wapenboden, minnezangers en dienaren uit."
De schildknapen betuigden, met ontbloote hoofden en met diepe buigingen, hun erkentelijkheid voor eene beleefdheid en mildheid, die zelden, tenminste in zoo hoogen graad, uitgeoefend werden. Daarop keerde de Onterfde Ridder zich tot Boudewijn, den schildknaap van Brian de Bois-Guilbert. "Van uw meester," zeide hij, "zal ik wapenen noch losgeld aannemen. Zeg hem uit mijn naam, dat onze strijd nog niet ten einde is:--neen, niet voordat wij zoowel met zwaarden, als met lansen, zoowel te voet, als te paard gevochten hebben. Hij zelf heeft mij tot dezen strijd op leven en dood uitgedaagd, en ik zal zijne uitdaging niet vergeten.--Intusschen, hij verbeelde zich niet, dat ik hem gelijk stel met zijne strijdmakkers, jegens welke ik ridderlijke beleefdheid kan betuigen; maar dat ik mij beschouw, als met hem in doodelijke veete levende!"
"Mijn heer," antwoordde Boudewijn, "weet verachting met verachting, en slagen met slagen te vergelden, zoowel als beleefdheid met beleefdheid. Daar gij weigert van hem eenig deel van het losgeld aan te nemen, waarop gij de wapenen der overige ridders geschat hebt, moet ik zijn wapenrusting en zijn paard hier laten, wel overtuigd, dat hij noch het ééne zou willen berijden, noch de andere dragen."
"Gij spreekt stoute taal, goede knaap," zei de Onterfde Ridder; "gij weet te antwoorden voor uw afwezigen meester. Laat evenwel het paard en de wapenrusting niet hier. Breng ze aan uw heer terug; of zoo hij ze niet verkiest aan te nemen, behoud gij ze, vriend, tot eigen gebruik. Voor zooverre ze mij behooren, schenk ik ze u."
Boudewijn maakte eene diepe buiging, en vertrok met zijn makkers; de Onterfde Ridder ging in zijn tent terug.
"Tot hiertoe, Gurth," zei hij, zich tot zijn dienaar wendende, "heeft de eer der Britsche ridderschap in mijne handen niet geleden."
"En ik," zei Gurth, "ik heb, voor een Saksischen zwijnenhoeder, de rol van een Normandischen schildknaap niet slecht gespeeld."
"Ja maar," antwoordde de Onterfde Ridder; "ik was toch in gedurige vrees, dat uwe boersche manieren u zouden verraden."
"Neen," hernam Gurth, "ik vrees niet door iemand ontdekt te worden, dan door mijn speelmakker, Wamba, den nar, aan wien ik nooit heb kunnen merken, of hij een schelm of een gek is. Maar ik kon mij nauwelijks van lachen onthouden, toen mijn oude meester zoo dicht langs mij voorbij ging, in de stellige verbeelding, dat Gurth verscheidene mijlen van hier zijn zwijnen hoedde, in de bosschen en moerassen van Rotherwood. Zoo ik ontdekt word,--"
"Genoeg," zei de Onterfde Ridder, "gij kent mijn belofte."
"Ach, wat dat betreft," hervatte Gurth, "ik zal een vriend nooit verlaten uit vrees voor stokslagen. Ik heb een taaie huid, die zweepslagen en messteken evengoed kan verdragen, als de dikste zwijnenhuid onder mijn kudde dat kan."
"Vertrouw er op, ik zal u voor het gevaar, dat ge om mijnentwille loopt, beloonen!" hernam de ridder. "Intusschen verzoek ik u deze tien goudstukken aan te nemen."
"Ik ben rijker," zeide Gurth, ze in den zak stekende, "dan ooit eenig zwijnenhoeder of lijfeigene, vóór mij."
"Breng deze goudbeurs naar Ashby," vervolgde zijn meester, "zoek Izaäk den Jood van York op, en laat hij zich daaruit betalen voor het paard en de wapens, die hij mij door zijn krediet verschaft heeft."
"Neen, bij St. Dunstan!" hernam Gurth, "dat doe ik niet."
"Hoe, schelm," hervatte zijn meester, "wilt gij mijn bevelen niet gehoorzamen?"