Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Nieuwe Geïllustreerde Uitgave.
Meesterwerken van
Sir Walter Scott.
Ivanhoe.
Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling
Van
Dr. M. P. Lindo.
Herzien en ingeleid
Door
Dr Jan ten Brink.
Rotterdam.--D. Bolle.
INLEIDING.
Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde, naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal.
Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op.
Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_, begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_.
Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij, _voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken, maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo (_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn, George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint, Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf, en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone luid juichend over den door haar gestichten brand.
Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343).
Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_, een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen lezers het hart veroverd.
De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen, en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die, uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza.
Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten, waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden.
Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers, en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne "_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent, later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen, als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen.
Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena, met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste levendigheid bijzetten.
Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling, als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche, dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka, dochter van Izaäk van York gehouden.
Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk, verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste deelen der vertelling.
Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant, die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide slot.
De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische opheldering geplaatst.
Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_ uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_ bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw _Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_).
In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was, en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus, Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen.
EERSTE HOOFDSTUK.
Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht, Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven, Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven.
Odyssee.
In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige "Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters, wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn.
Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen, maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen te moeten duchten.
De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen, of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid, welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak, om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en zelfs tot het uiterste te vervolgen.
Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt, en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid, of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang, om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd: de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd, die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch, en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat, ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren, de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen Saksers.
De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden, strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds, meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel, die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen, stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond, en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame en anders stille water.
Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef, woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk; zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten, was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien, om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede, scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden, den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard, die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening, en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth, de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood."
Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was, en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig, en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte, bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen, omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees, en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende, waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht.