Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)

c. 700 eerst gebruikt om de allerminst brandvrije, van houten daken

Chapter 412,149 wordsPublic domain

voorziene stadsgedeelten (scandalicia) aan te duiden van de Engelschen, Saksen enz. die daar hun scholae hadden gesticht. Vandaar beteekent het woord in het Italiaansch "voorstad". De Borgo werd ommuurd en versterkt door Leo IV (c. 852) en kreeg den naam Civitas Leonina.

[208] Eenige bijzonderheden geeft St. Gregorius van Tours volgens de verhalen, die een zijner diakenen deed na een bezoek aan Rome in 590 ongeveer.

[209] Clerestory of clear-story noemt men de ramen in het bovengedeelte van het middenschip van een kerk. [Vertaler].

[210] Zie de illustraties. In de eene Confessio is het (vermeende) hoofd van den Engelschen St. George. Het catacombe-altaar (waarschijnlijk van 320 ongeveer) heeft het traliewerk en venster aan de voorzijde, omdat het presbyterium niet verhoogd was.

[211] Plaat 29 laat zien hoe lang de Pausen deze voorstelling lieten voortleven. Hier biedt Constantijn Silvester een symbolisch beeld van Rome aan.

[212] Parad. XX. 56 en Inferno XIX. 115.

[213] Orlando Furioso XXXIV. 80.

[214] Dit gebeurde alleen met toestemming van de edelen van het rijk, terwijl Paus Leo III er niet in gekend werd. Waarschijnlijk had zijn onbeschaamd gebruik van Constantijn's Donatie en zijn uitlegging van Pepijn's Donatie Karel geprikkeld. De Keizer zelf zette zijn zoon de kroon op of verzocht hem misschien die van het altaar te nemen en op zijn hoofd te plaatsen, "een duidelijke wenk", zegt Gregorovius, "voor al zijn opvolgers".

[215] De titel, dien de Karolingische en Saksische keizers voerden was Imp. Aug. met de bijvoeging Rex Francorum et Longobardorum (het laatste na de kroning met de ijzeren kroon van Lombardije). Later was het, vóór de kroning met de gouden tiara te Rome, Romanorum Rex semper Aug., en daarna Romanorum Imp. semper Aug.

[216] Dat er onder Pausen eenige krachtige en verstandige leiders zijn geweest en een paar werkelijk goede menschen, zal wel blijken, wanneer wij verder komen; maar geen woorden kunnen krachtig genoeg verklaren, dat de idealen van de Pausen niet die van den Stichter van het Christendom waren. De geschiedenis moet het middeleeuwsche Pausdom beschouwen als een zuiver wereldlijke macht en wel als een macht, die een oneerlijk voordeel had door haar misbruik van het bijgeloof der menschheid.

[217] Eenige jaren later (871) werd "Keizer" Lodewijk II, met zijn gemalin en gevolg, gevangen genomen door den Hertog van Benevento, die hem een maand vasthield en liet zweren zijn hertogdom nooit weder te betreden. Deze "ongehoorde profanatie" van de heiligheid van de Keizerlijke waardigheid (zooals Gregorovius zegt), schijnt niet weinig vroolijkheid en boosaardig gejubel onder de vele Italiaansche vijanden van het Frankisch-Romeinsche Keizerrijk verwekt te hebben. Het is de moeite waard op te merken, dat deze "profanatie" plaats vond, nadat Lodewijk juist een brief van den Oostelijken "Keizer", die hem weigerde te erkennen, beantwoord had met een heftigen aanval op de aanspraken van de Byzantijnsche "Romeinsche Keizers" en een krachtige verdediging van zijn eigen rechten. "Weet", schrijft hij, "dat Wij, indien Wij niet Imperator Romanorum waren, niet Imperator Francorum konden zijn; want van de Romeinen hebben wij dezen naam en deze waardigheid ontvangen."

[218] Portus, aan den noordelijken mond van den Tiber, had reeds lang geleden het oude Ostia aan den zuidelijken arm overvleugeld, maar de toegang tot de zee was verzand en Ostia was weder in gebruik genomen. Gregorius' Nieuw-Ostia ligt achter de ruïnen van de oude stad. De Portus-monding werd in 1612 heropend en Ostia werd wederom verlaten; maar Porto is nu 2 1/2 K.M. van het strand af, waar de deftige badplaats Fiumicino ligt.

[219] Een jaar ongeveer na deze paniek werd de algemeene verslagenheid verergerd door een aardbeving en daarna door den grooten Incendio del Borgo, die de houten woningen van de Saksen en Longobarden vernietigde en den portico van de St. Pieter verwoestte. De brand werd gestuit door Leo, dien men op het Raffael-fresco het teeken van het Kruis ziet maken.

[220] Paus Johannes VIII trachtte Leo IV te evenaren door muren te bouwen, om de S. Paolo fuori le mura te beschermen; hij noemde de wijk Johannipolis, maar de muren en de naam verdwenen weldra.

[221] Friuli (i. e. Forum Julii), in het noord-oosten van Italië, was door Albion tot een Longobardisch hertogdom gemaakt met Cividale als hoofdstad. Karel de Groote maakte er een mark (markiezaat) van en breidde het uit tot de Adige.

[222] Het was geen bewijs van bijzondere dankbaarheid, dat hij een paar jaren later hun legerplaats op den Garigliano verwoestte. (zie p. 283).

[223] Het is de moeite waard op te merken, dat Berengar in den beginne de aanspraken van Arnulf op de kroon van Italië erkende.

[224] Zie voor deze Magyaren en Hongaren p. 29 n. De tegenwoordige Hongaren stammen van hen af en niet van de Hunnen.

[225] Hij was vroeg opgestaan om de Mis bij te wonen in een kerk dicht bij zijn paleis, waarschijnlijk de kleine kerk van SS. Siro e Libera, die nog bij de overblijfselen van Theoderik's paleis staat.

[226] Dat het Pausdom, als wereldlijke macht beschouwd, dikwijls een groot voordeel bezat door de erkenning van zijn voorrechten op geestelijk gebied, kan zelfs niet door hen ontkend worden, die de overdracht van geestelijke voorrechten onaannemelijk vinden in verband met de afschuwelijke misdaden en schandelijke ondeugden, de pazza bestialità (Villari) van vele Pausen, die van het Lateraan een hol van moordenaars en bloedschenders maakten, een toestand, die met eenige onderbreking eeuwen lang heeft geduurd.

[227] Men vertelt, dat Ermengard Rudolf betooverd had en hem had veranderd in een klagenden aanbidder; als een nieuwe Circe nam zij hem met een minachtend lachen de Longobardische kroon van het hoofd en gaf die aan haar stiefmoeder.

[228] Het staat vast, dat Stephanus VI en Johannes X zijn geworgd.

[229] Hij stortte met opzet een beker water of wijn over den koning uit.

[230] Wij vernemen niets meer van haar en evenmin van eenig verzoek van Hugo om haar vrij te laten.

[231] Het Gerechtshof hield dikwijls zijn zittingen in de Aula ad Lupam van het Lateraan, die zoo heette naar de Capitolijnsche Wolvin, die in dezen tijd daar werd bewaard.

[232] De meeste Benediktijner-kloosters waren nu "holen van ondeugden" geworden en zooals Benedictus tot Dante zegt, het overschrijven van den ouden Regel was slechts "papier verkwisten". De hervormers van Cluny brachten wel iets tot stand, doch de algemeene hervorming geschiedde niet vóór de stichting van de Camaldulenzer-orde van de Witte Benediktijnen door Romualdo, ongeveer 1010. Alberik wilde verandering brengen in de ontzaglijke rijkdom en het territoriale gezag van deze vorstelijke abten, evenzeer als in hun zeden.

[233] Vgl. het verhaal van Liudprand, Bisschop van Cremona, in Graaf Balzani's Cronache italiane. Liudprand (c. 920-970) is de voornaamste bron voor dit tijdperk. Hij schreef, behalve andere werken over de periode 888-962, een Historia Ottonis.

[234] Dat beeld stond toen bij het Lateraan, thans op het Capitool. Het heette in de Middeleeuwen "het paard van Constantijn". (zie p. 303).

[235] Hij bleef daar 120 dagen en werd zeer smadelijk behandeld, als wij alles mogen gelooven, wat hij vertelt in zijn "Verslag van het gezantschap naar Constantinopel". Phocas was vooral verontwaardigd, omdat de Paus hem "Imperator Graecorum" noemde.

[236] Otto de Groote wordt, nog meer dan zijn vader Hendrik, beschouwd als de stichter van het Duitsche Keizerrijk en van alles, wat deutsch is, ook literatuur. Tijdens zijn regeering werden de Germanen het eerst officieel het Deutsche d.w.z. het [uitverkoren] volk. Zie p. 143 n. De cultuur van het zuiden drong in deze periode snel in Duitschland door. Zelfs schoolmeisjes leerden Vergilius en Terentius lezen.

[237] St. Bartholomaeus, zegt men, is in zijn marmeren sarcophaag van Indië naar de Liparische eilanden gereisd, waar de Saracenen zijn lichaam wegwierpen; maar het kwam toch veilig te Benevento, vanwaar Otto het naar Rome trachtte te brengen. De bewoners van Benevento echter bedrogen hem en gaven hem het gebeente van St. Paulinus. Toch noemden de Romeinen de kerk op de Isola Tiberina naar St. Bartholomaeus en beweerden dat zijn reliquieën daar waren. Deze kerk werd door Otto op de plaats van den ouden tempel van Aesculapius gebouwd en eerst gewijd aan St. Adalbert.

[238] Tot deze familie behoorde Benedictus IX, misschien wel de onrechtvaardigste van alle Pausen.

[239] B.v. Venetië, Florence, Pisa, Genua. De twee laatste waren machtig ter zee en hadden met goeden uitslag gestreden tegen de Saracenen van Sardinië en Spanje. Milaan en Pavia moesten lang worstelen om zich van de Duitsche overheersching te bevrijden. In het zuiden werd de republikeinsche geestdrift gedoofd door de Byzantijnen, Saracenen en Noormannen.

[240] Dergelijke oproeren vonden in het vervolg bijna altijd plaats bij de kroning van een Duitscher als Keizer; het werd steeds op dezelfde barbaarsche wijze gestraft.

[241] Zie over de Noormannen hoofdstuk II van dit deel.

[242] De prachtige architectuur, die in deze periode in de noordelijke steden optreedt, en een weinig later in het gebied der Noormannen, is een merkwaardig bewijs van den vooruitgang van beschaving en kunst, waar burgertwisten een dergelijke ontwikkeling niet verhinderden, zooals dat in Rome het geval was.

[243] Voor bijzonderheden over deze kroning en de onlusten, die daarbij plaats vonden, zie "Verklaring" van de afbeelding van de keizerskroon, plaat 19. Kanoet was als pelgrim gekomen. Hij maakte een enthousiaste beschrijving van Rome voor zijn Engelsche onderdanen. Eenige jaren later (1050) kwam een ander beroemd persoon van de Britsche Eilanden als boeteling naar Rome, volgens de kroniekschrijvers, n.l. Macbeth! (Hij regeerde na de vermoording van Duncan nog acht jaren.)

[244] Purg. XXVIII-XXXIII. Dante's Matelda is een mysterie. Het lijkt ongelooflijk, dat zij gravin Mathilde zou zijn.

[245] Toen hij bij deze gelegenheid van Rome naar Cremona vluchtte (1037), dankte hij zijn leven aan een zonsverduistering, waardoor de edelen, die gezworen hadden hem bij het altaar te dooden, werden afgeschrikt. Hij was toen slechts zestien jaar oud, daar hij op zijn twaalfde jaar den pauselijken troon had bestegen.

[246] Men vertelt, dat hij nooit den diadeem opzette zonder gebiecht en boete te hebben gedaan, dikwijls door geeseling.

[247] Daar over het huwelijk van den clerus de ban was uitgesproken, gaf het, zelfs al was het wettig, aanleiding tot misbruiken, die niet zouden bestaan hebben, indien het als Christelijke instelling was erkend. Maar Pausen als Hildebrand stonden natuurlijk op het celibaat, niet om zedelijke, maar om politieke redenen: om zich te verzekeren van een clerus, die zich alleen om de pauselijke belangen bekommerde.

[248] De ruïnen van Canossa bestaan nog, op een hoogte, ongeveer 23 K.M. ten zuid-westen van Reggio, en een weinig verder van Parma.

[249] Benevento bleef aan de Pausen onderworpen tot 1860.

[250] Daar zijn begraven (de meesten sinds 1900 in nieuwe sarcophagen in het herstelde gewelf) Koenraad II, Hendrik II, Hendrik IV, Hendrik V, Philips, Rudolf van Habsburg, Adolf en Albrecht; ook Gisela.

[251] Dante ontmoet hem in het Paradijs (XXI. 121), waar hij heftig uitvaart tegen de moderni pastori. Zijn uitvoerige werken, in proza en poëzie, zijn een eigenaardig mengsel van mysticisme, ascetisme en polemiek.

[252] Bij de Cisterciënsers en St. Bernard was dit minder het geval; St. Dominicus en St. Franciscus noemen wij hier niet, want het heftige fanatisme van St. Dominicus was gericht tegen de intellectueele ketterij en St. Franciscus had meer invloed op de harten dan op de stelsels van zijn tijd.

[253] Graaf Balzani stelt de geschriften van Gregorius VII op éen lijn met die van Gregorius den Groote. Hij koestert een buitengewone bewondering voor Hildebrand's karakter.

[254] Een merkwaardig verhaal teekent de zedelijke kracht van beide personen. De Paus brak de heilige hostie door en smeekte God hem terstond met den bliksem te treffen, indien hij zich van eenige schuld bewust was. Daarna gaf hij de helft aan Hendrik en verzocht hem hetzelfde te doen. Doch deze waagde dat niet. [Vertaler].

[255] Vgl. aanteekening op blz. 263.

[256] Men zegt, dat zes millioen het roode kruis hebben aangenomen. Een geweldige menigte volgde Peter en kwam bijna geheel om, voordat het werkelijke leger van de Kruisvaarders Europa verliet.

[257] De Guelfen en Ghibellijnen leidden hun namen af van deze Beiersche "Welfen" en van de "Waiblinger" d.w.z. de anti-pauselijke en (later) keizerlijke familie van de Hohenstaufen, wier stamvader door Hendrik IV (p. 320), Hertog van Zwaben was gemaakt en die hun naam hadden ontleend aan hun burcht op den "Hohen Staufer" (2000 voet), ongeveer twintig K.M. ten oosten van Stuttgart. Zij heetten ook "Waiblinger" naar het dorp Waiblingen, dat in diezelfde landstreek ligt.

[258] Zoo groote ellende heeft de strijd tusschen Welfen en Ghibellijnen over Italië gebracht, dat men een tijdlang de afleiding van die namen vergat en de fabel ontstond van twee demonen, Ghibel en Guelef, die uit de onderwereld zouden ontvlucht zijn en waaraan de beide partijen haar namen zouden ontleend hebben. [Vertaler].

[259] Verraden en gevangen genomen, werd deze ex-kardinaal in de straten van Rome vertoond, omgekeerd op een kameel gezeten en gekleed in een ruig geitenvel. Daarna werd hij weggejaagd en stierf in een klooster.

[260] In dit verband is het volgende wel van belang. Willem de Veroveraar beschouwde zich als onafhankelijk hoofd der Engelsche Kerk. Zoowel de geestelijkheid als de adel moest hem eerbied betoonen. Geen synode kon zonder zijn goedkeuring een besluit afkondigen. Hij was de eenige heerscher van zijn tijd, die de aanspraken van Rome verwierp. Toen Gregorius VII hem verzocht voor zijn rijk den eed van trouw af te leggen, weigerde hij dien eisch te erkennen. "Een leeneed", zeide hij, "heb ik nooit afgelegd, en ik wil dat ook nu niet doen".

[261] Een paar jaren later overreedde Arnold van Brescia de Romeinen het Capitool weder op te bouwen. Te midden van de verlaten, reusachtige ruïnes verrees het "Novum Palatium" (Palazzo del Senatore) op de plaats van het oude Tabularium. In documenten van 1150 wordt dit nieuwe paleis vermeld als vergaderplaats van den republikeinschen Senaat. Hier werd Petrarca in 1341 de dichterkroon op het hoofd gezet. De prachtige trappen van de Piazza del Campidoglio werden ontworpen door Michel Angelo, die een groot gedeelte van het Capitool herbouwde en het beroemde ruiterstandbeeld van M. Aurelius hierheen liet brengen. (p. 300)

[262] Hij was gewijd in de Abdij van Tarfa. Dit invloedrijke klooster in de Sabijnsche landstreek, een mededinger van Monte Cassino, was door de Saracenen verwoest, maar weder opgebouwd en werd zoo berucht om zijn onzedelijkheid, dat Alberik het met geweld trachtte te hervormen. Nadat Eugenius eenige malen gepoogd had in Rome vasten voet te krijgen, trok hij naar Frankrijk, preekte daar den kruistocht en gaf zijn wraak lucht door den banvloek over Arnold uit te spreken.

[263] Zij waren plechtig in 1139 veroordeeld in het Lateraan door hetzelfde Concilie, dat de veroordeeling van Anacletus door St. Bernard aanvaardde.

[264] Paradiso, XXII. 88.

[265] Paradiso, XV, 138.

[266] Boeleeren met de koningen, Inferno XIX, 108.

[267] De oorspronkelijke kampioenen voor de vrijheid waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en Modena. Aan de andere zijde stonden Pavia, Como, Lodi en een tijdlang Cremona, Genua en Pisa werden door Frederik begunstigd, omdat hij hoopte van hun vloten gebruik te kunnen maken.

[268] Men vertelt, dat de belegeraars een aantal gevangen kinderen aan een belegeringstoren bonden; maar de belegerden verdreven hen, daar zij liever hun kinderen dan hun vrijheid prijsgaven. (Zie Bertolini, Medio Evo, p. 589).

[269] Zoowel aan het beleg als aan de barbaarsche verwoesting van Milaan namen verscheidene Lombardische steden, waaronder Como, tot haar groote schande, ijverig deel. Weinig kerken werden gespaard. Tot deze behoorde de S. Ambrogio.

[270] De Bond bestond in den beginne (December 1167) uit zestien groote steden. In 1168 sloot zelfs Como er zich bij aan. Wat dezen Bond en de opkomst van de Noord-Italiaansche Republieken betreft, zie men Sismondi, Histoire des républiques italiennes.

[271] Thomas Becket schreef Paus Alexander een gelukwensch met "het lot van Sennacherib (Sanherib)".

[272] De groote gracht, die in 1157 gegraven en in 1162 onbruikbaar was gemaakt, werd nu wederom in orde gebracht. Dit kostte minder tijd dan het bouwen van een muur en Milaan vertrouwde, nadat de oude Romeinsche muren waren verdwenen, voornamelijk op zijn gracht.

[273] De Aartsbisschop van Salerno. De bronzen paarden bij den ingang werden 27 jaar later uit Constantinopel gebracht. De meeste van de tegenwoordige uitwendige mozaïeken zijn moderne kunstwerken van weinig waarde.

[274] Maar bij zijn dood in 1181 braken de oude veeten weder uit, en de volgende drie Pausen brachten het grootste deel van hun leven in ballingschap door.

[275] Het is de moeite waard op te merken, dat Richard op zijn tocht te Ostia kwam, maar weigerde Rome te bezoeken, omdat het pauselijk hof zoo verdorven was.

[276] Purgat. XVIII. 119 "de goede Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis praat".

[277] De oude handschriften, die de monniken hebben vernield om het perkament te gebruiken voor theologische en vrome geschriften waren waarschijnlijk zeer veel talrijker dan al degene, die door barbaarsche indringers of door de Turken zijn verwoest.

[278] In hun noordelijke landen begunstigden de Karolingers de wetenschap en men zegt, dat Lotharius in vele steden van Noord-Italië scholen heeft gesticht.

[279] Paulus Diaconus (725-799), die langen tijd aan het hof van Karel den Groote was en zijn laatste twaalf jaren op Monte Cassino doorbracht, schreef een uitstekende Geschiedenis der Lombarden, en hij spreekt over de "luisterrijke en bewonderenswaardige dichters" op Monte Cassino; maar te oordeelen naar hetgeen van hen over is, schreven zij zeer slechte verzen in slecht Latijn. Gedurende ruim twee eeuwen is, behalve de kroniekschrijvers van de kloosters, de eenige schrijver, die vermelding verdient, Liudprand (zie Index).

[280] In het zuiden brachten de Noormannen in dezen tijd ongeveer een bouwkunst, die volstrekt niet lager stond; doch vanwaar die kwam, is lastig te zeggen.

[281] Een grillig mozaïek bij de tombe van Otto II († 983) in de crypte van de St. Pieter is een van de vroegste voorbeelden van een zwakke herleving dier kunst na een stilstand van ongeveer 150 jaren. In 896 werd de Lateraan-kerk, die door een aardbeving was verwoest herbouwd, maar in het algemeen werd in deze periode weinig ondernomen en bijna alles ging te gronde, toen Robert Guiscard in 1084 Rome plunderde. De prachtige Romeinsche campanili ontstonden, op weinige uitzonderingen na, niet voor ongeveer 1100.

[282] Men heeft er veel over gestreden, in hoeverre het geloof, dat de wereld in het jaar 1000 n. Chr. zou vergaan, invloed heeft uitgeoefend op de algemeene ontaarding.

[283] Avicenna leefde van 980-1037; Averroës, che 'l gran comento feo, (Infern. IV, 144) van c. 1126 tot 1198.

[284] De lingua vulgaris was bezig het klassieke Latijn snel te bederven. Maar Keizer Michael beschouwde het Latijn zelf misschien als een barbaarsch jargon, want in het antwoord van den Paus wordt hoonend gesproken van een "Romeinsch" Keizer, die geen Latijn kent.

[285] Deze pelgrimstochten, met hun aanhang van misdadigers en onbeschermde, dikwijls zwakke, vrouwen, waren een bron van groot kwaad. Men vertelt, dat vele steden door deze bedevaarten ruimschoots voorzien werden van gevallen vrouwen, en dat daaronder zoovele Engelsche waren, dat het een schande werd voor de Anglikaansche Kerk.

[286] Een marmeren steen in S. Prassede (Rome) vermeldt, dat door Paus Paschalis in 817 de lijken van 2300 martelaren van de begraafplaatsen naar deze kerk werden overgebracht.

[287] Zelfs al is het verhaal niet waar, dan toont het toch aan, wat men voor mogelijk hield. Men verzekerde, dat hij 120 jaar leefde en dat ongeveer vierhonderd jaar na zijn dood dus in 1446 zijn lijk nog niet vergaan was; maar het werd toen gestolen en terstond tot stof verbrokkeld!

[288] Door Clemens VIII werd er een buste van Paus Zacharias van gemaakt.

[289] Voor schrijvers over dit onderwerp zie men Gregorovius, V, hoofdst. III. Men verzekert, dat tot het einde van de vijftiende eeuw de "aangewezen" Paus een onderzoek moest ondergaan, om het gevaar van een tweede Papessa te vermijden!

[290] Vgl. p. 293.

[291] De ware beweegreden was natuurlijk van politieken en persoonlijke aard, maar men had beschuldigingen, die op de kerk betrekking hadden, uitgevonden. De voornaamste van deze was, dat Formosus, die Bisschop van Porto was geweest, inbreuk had gemaakt op een ouden en feitelijk in ongebruik geraakten regel, dat geen bisschop met de pauselijke waardigheid mocht worden gekleed.

[292] De verhalen verschillen een weinig. Hier is Gregorovius gevolgd.

[293] Paus Sergius III, die behoorde tot de partij van Stephanus VI en in 897 door die partij tot Paus was gekozen, maar die door de aanhangers van Formosus was verdreven, gaf later, toen hij den pauselijken stoel besteeg (904), een tombe in de St. Pieter aan Stephanus en voorzag die van een grafschrift, waarin hij vertelt, dat Stephanus geworgd is en waarin hij Formosus uitscheldt.

[294] Zie p. 305.

[295] Vooral voor een volk, dat er aanspraak op maakt van de Noormannen af te stammen.

[296] In 897 slaagde Alfred er in de Deensche Noormannen, voor eenigen tijd, uit Engeland te verdrijven.

[297] Hun eigen taal, de lingua Danica, zooals kroniekschrijvers die noemen, werd, zegt men, na het jaar 970 ongeveer niet meer begrepen te Rouaan. Die taal hield nog het langst stand te Bayeux. Willem de Veroveraar gebruikte de lingua Danica met voorliefde. Overblijfselen vindt men nog in eenige namen, zooals Bec (= beck, Bach, beek), Caudebec, enz.

[298] Gibbon, die geen melding maakt van het beleg van Salerno, maar een schilderachtige beschrijving geeft van het andere voorval, noemt Melus "een vreemdeling met een Grieksch uiterlijk, die zich weldra bekend maakte als een opstandeling en doodvijand van het Grieksche Keizerrijk". Andere schrijvers zeggen, dat hij van Lombardische afkomst was, en dat was Guaimar misschien ook, wanneer men ten minste naar zijn naam (Weimar) oordeelt. Wanneer dat zoo is, werd de overeenstemming ongetwijfeld vergemakkelijkt door de gemeenschappelijke noorsche afstamming. Hoe de pelgrims bij den Gargano kwamen en of dit voor of na den strijd voor Salerno plaats vond, is moeilijk te verklaren.

[299] Zie Gibbon, hfdst. LVI.

[300] Het schijnt dat hij door den ban was getroffen, omdat hij Monte Cassino had genomen en de monniken had weg gejaagd. Men vertelt, dat hij het klooster veroverde door een list; hij liet zich als een doode op een lijkbaar naar binnen dragen. (Zijn naam Guiscard draagt hij dan men eere). Dante plaatst Robert Guiscard in het groote Roode Kruis van Mars in het Paradijs, blijkbaar omdat hij zich later aan de Kerk heeft onderworpen en zoo dapper heeft gestreden tegen de Saracenen op Sicilië.

[301] Het schijnt werkelijk, alsof Robert Guiscard het eerzuchtige plan koesterde in zijn persoon het verdeelde Keizerrijk der Romeinen weder te vereenigen.

[302] Zijn lange regeering verdient vermelding wegens de vele prachtige marmeren beelden, waarmede hij de onlangs herbouwde St. Marcus versierde.

[303] Hij werd begraven te Venusia, de geboorteplaats van Horatius, waar men zijn graftombe nog kan zien in de abdij-kerk van S. Trinità.

[304] Zijn handteekening was soms Siciliae et Italiae Rex. De uitdrukking "de Beide Siciliën" schijnt van later datum te zijn.

[305] Het verdient opgemerkt te worden, dat het koningschap over het gebied op het vasteland niet vermeld wordt.

[306] Het Normandisch-Fransch bleef ongetwijfeld een tijdlang de moedertaal, misschien de hoftaal, van de vorsten en de veteranen. Maar de Noormannen waren begiftigd met een merkwaardig aanpassingsvermogen, zooals blijkt uit het snelle verdwijnen van de lingua Danica in Normandië. Ook was in dezen tijd het Siciliaansch-Italiaansch waarschijnlijk reeds in gebruik als een lingua volgare.

[307] Hedschra, de vlucht van Mohammed, 15 Juli 622.

[308] Men moet er zich telkens weer over verbazen, dat deze Noorsche vorsten zich er om bekommerden leenmannen van den Paus te zijn; en hoe de Pausen hun fictief recht om de investituur te verleenen handhaafden, is ook een raadsel.

[309] Paradiso XX, 62. De op sterren gelijkende zielen van Willem den Goede, van Rhipeus den Trojaan, Hiskia (Ezechias) den koning van Juda, Trajanus en Constantijn den Groote vormen den kring van het oog van den Adelaar, terwijl in het midden van het oog de ziel van David schittert.

[310] In verband hiermede verdient het volgende volkslied vermeld te worden:

Rex Gulielmus abiit, non obiit, Rex ille magnificus, pacificus. Cuius vita placuit Deo et hominibus, Eius spiritus Deo vivat coelitus.

Op zijn graf stond: Hic situs est bonus rex Gulielmus, welke woorden later door minder eenvoudige zijn vervangen. [Vertaler].

[311] Volgens een oud verhaal werd zij in een klooster gebracht, omdat zij lam en scheel was. [Vertaler].

[312] Of, zooals Dante het uitdrukt (Paradiso III, 119), om voor den tweeden stormwind van Zwaben (Hendrik VI) de derde en laatste macht (van die dynastie, Frederik II) voort te brengen.

[313] Wat betreft de kerken en paleizen te Palermo tijdens de heerschappij der Noormannen zie men hoofdstuk IV van dit Deel. De edele en voortreffelijke karaktertrekken had Frederik waarschijnlijk aan zijn moeder te danken. Een verovering door de Noormannen zou voor Italië misschien gedaan hebben, wat het voor Engeland is geweest.

[314] Met het Pausdom, een staatkundige macht, die om zoo te zeggen over "tooverwapens" beschikte, kan uit de Grieksche geschiedenis niets vergeleken worden, ofschoon de listen van de Delphische priesters dikwijls grooten invloed hadden. Wat betreft de ellendige inwendige twisten en het verraderlijke heulen met buitenlandsche vijanden, Perzen, Macedoniërs, Saracenen, Duitschers, geven Griekenland en Italië elkander weinig toe.

[315] Sommigen hebben getracht de Italiaansche republiek in verband te brengen met het Romeinsche municipium, anderen met het volkselement in het Longobardische regeeringsstelsel; maar de ware bron moet men zonder twijfel in den menschelijken aard zoeken.

[316] Amalfi, dat nu een visschersdorp is, gelegen tusschen de steile rotsen, die de Baai van Salerno insluiten, was in die dagen een stad van 50.000 inwoners. Onder zijn Dogen en later onder het bestuur van de Noormannen strekte het zijn handel uit tot Egypte, Syrië en Arabië en bracht een belangrijk gedeelte van de eerste Kruisvaarders naar het Oosten. Een bewijs van zijn macht ter zee zijn de Tavole Amalfitane, een maritieme code, die langs de geheele Middellandsche zee gebruikt werd. Naar een stichting, die door een rijk koopman uit Amalfi te Jeruzalem gegrondvest was, droegen de Hospitaalridders (Johanniters) hun naam. Het lage gedeelte van de stad Amalfi is door overstroomingen weggespoeld.

[317] De Saracenen hadden tot nog toe Sardinië, Corsica, de Balearen en een groot gedeelte van Spanje en Noord-Afrika in hun macht gehad. Zij hadden zelfs Genua geplunderd (936) en staken een deel van de stad der Pisanen in brand en breidden hun rooftochten uit tot Ostia. Op Sicilië heerschten zij, totdat zij door de Noormannen werden overwonnen (1070-1090).

[318] Na de verovering van Sardinië en Corsica versloegen de Pisanen de Saracenen bij Tunis en in 1063 vernielden zij een sterke vloot van de Muzelmannen op de hoogte van Palermo. In 1114 veroverden zij de Balearen. Het hoogtepunt van de macht van Pisa ter zee kan men wellicht het jaar 1203 noemen, toen zij de drie en vijftig scheepsladingen aarde van Jeruzalem naar hun stad voerden om hun Campo Santo te maken. Tachtig jaar later werd hun door de Genueezen en Florentijnen een verpletterende nederlaag toegebracht bij het rotseilandje Meloria (bij Livorno).

[319] Zij leenden b.v. dikwijls schepen aan Frederik I en Hendrik VI. De gunst van den Keizer bekrachtigde wel is waar vele van hun rechten en hielp hen tegen mededingers, maar deze hardnekkige Ghibellijnen en boosaardige republikeinen zijn toch een schandelijk verschijnsel, waarop men liever terugziet als een achtergrond voor de verroeste ketenen, die nu op den Campo Santo hangen, oude zegeteekenen, die Genua en Florence aan Pisa hebben teruggegeven in de negentiende eeuw, toen Italië het waard bleek te zijn een natie te worden.

[320] Het schijnt, dat Ravenna zich op een afstand hield en imperialistisch gezind was. Het stond onder keizerlijke Podestà en later onder de Polenta. Ferrara werd bestuurd door de Markiezen van Este sinds den tijd van Hendrik IV tot de dagen van Tasso, meer dan vijfhonderd jaar. Bologna werd door Hendrik V tot een vrije stad gemaakt in 1112 en sloot zich bij den Bond aan; maar eerst in 1228 verjoeg het zijn edelen en aanvaardde een volledigen republikeinschen regeeringsvorm, zooals die van Florence.

[321] Na den dood van Gravin Mathilde in 1115 verwierf Siena de onafhankelijkheid en kort daarna nam het, tenzij de stad reeds lang geleden daartoe het recht had gekregen van Karel of Otto den Groote, zooals de overlevering beweert, als zijn banier een witten leeuw op een rood veld aan met het woord Libertà. Omstreeks dezen tijd bracht Siena dien grooten en gelukkigen tegenstander van Frederik, Paus Alexander III voort. Later kregen de edelen weder de overhand en het was door de hulp van Siena, dat de Florentijnsche Ghibellijnsche ballingen den bloedigen slag bij Montaperti aan de Arbia wonnen (1260). S. Gimignano, dat het eerst vermeld wordt in de 10e eeuw en langen tijd aan Volterra onderworpen was, verwierf zijn vrijheid reeds voor 1200 en had zijn eigen consuls en gemeenteraad.

[322] Geheel herbouwd en met Grieksche mozaïeken voorzien door Doge Selvo in 1073 en op een andere plaats gebouwd in 1322.

[323] Dit paleis is in 976 afgebrand en herbouwd in 1025, en daarna is het dikwijls veranderd.

[324] Een geschenk van Leo, den keizer van het Oosten. De tegenwoordige kerk, die omstreeks 1470 op dezelfde plaats is gebouwd, ten oosten van het hertogelijk paleis, bevat geen gedeelten, waarvan bewezen is, dat zij van het oorspronkelijk gebouw zijn.

[325] Zie p. 374, noot. De liefde van Selvo voor Byzantijnsche bouwkunst en mozaïekwerk werd ongetwijfeld aangewakkerd door zijn echtgenoote, een Grieksche prinses, di tanta delicatezza, dat zij gewoon was zich in dauw te baden en een gouden vork in plaats van haar handen gebruikte om het voedsel naar haar mond te brengen.

[326] Naar aanleiding hiervan wijs ik op een bijzonder bruikbaar boekje op dit gebied: "De Heiligen in de Kunst" door M. E. Tabor [Vertaler].

[327] Het aantal lichamen van heiligen, die genoemd worden in verband met de geschiedenis van Venetië, is verbazingwekkend. Wij lezen b.v. van het lichaam van den H. Stephanus, dat uit Constantinopel gestolen is; van een hand van Johannes den Dooper en het lichaam van zijn vader, die beide door Keizers van het Oosten ten geschenke zijn gegeven; van de lichamen van den H. Isidorus en den H. Donatus; de aanwinst van deze twee laatste werd als een grooter triomf beschouwd dan de inneming van Tyrus of van Jeruzalem.

[328] Voor bijzonderheden zie men Ruskin's St. Mark's Rest en ook Venice, in Mediaeval Towns. Een vreemde toelichting op de verklaringen van de schrijvers, zoowel van oude als van moderne, ten opzichte van de reusachtige welvaart van Venetië in deze periode is de mededeeling van anderen, dat gedurende de regeering van Doge Vitale Falieri (1085-96) twee derde van de burgerij omkwam door hongersnood en aardbeving.

[329] De Schrijver vindt het onnoodig aan te teekenen, waar dit vers bij Byron voorkomt. Bedoeld wordt: Childe Harold's Pilgrimage IV. 12 "Oh, for one hour of blind old Dandolo!" [Vertaler].

[330] De blindheid van Dandolo is een van de raadsels in de geschiedenis. De kroniekschrijvers verschillen hopeloos op dit punt. Een van hen, die voortdurend in zijn gezelschap was, zegt, dat hij volstrekt niets kon zien. Anderen zwijgen over dit onderwerp.

[331] Goten, Longobarden, Franken, Saksers, Hohenstaufen, de Visconti, Sforza's, Lodewijk XII, Frans I, Karel V, Philips van Spanje, Oostenrijkers, Napoleon, daarna weder Oostenrijkers. De Franschen veroverden Milaan viermaal.

[332] In navolging van de S. Vitale te Ravenna. Er zijn verscheidene Romaansche kerken (Simpliciano, Sepolcro en andere), die door de latere ramp van 1162 niet verwoest zijn.

[333] Ook door de Engelschen in 1138 nagevolgd. Bij Montaperti in 1260 boden de Florentijnsche Welfen het laatst wanhopig weerstand rondom hun Carroccio. Deze Florentijnsche Welfsche Carroccio was rood geverfd, zooals hun giglio vermiglio, dien Dante (Parad. XVI. 154) vermeldt. Hun bel heette, volgens Machiavelli, de Martinella.

[334] Dante was overtuigd dat hij van Romeinsche afkomst was. Het is waarschijnlijk, dat zijn geslacht (Alighieri) afstamde van de Romeinsche Frangipani van later dagen. In de Divina Commedia (Inferno XV, 61) laat hij zijn ouden leermeester Brunetto Latini met minachting en haat spreken over de bestie Fiesolane, "dat ondankbaar en kwaadwillig volk, dat in vroeger dagen van Fiesole nederdaalde" en twist en andere ellende in Florence bracht. In den Paradiso spreekt Justinianus over den Romeinschen adelaar, die verderf bracht over den heuvel, aan welks voet Dante was geboren.

[335] Blijkbaar gebouwd op de plaats van den tempel, misschien door St. Ambrosius, die zooals bekend is, in 394 de S. Lorenzo gesticht heeft of door zijn vriend Zenobius of misschien in de zesde eeuw? of door Theodelinda? Het was de kathedraal tot 1128, toen deze eer overging op de S. Salvatore (S. Reparata?), het origineel van S. M. del Fiore. Gedurende veertien eeuwen ongeveer heeft Dante's il mio bel San Giovanni gediend als het eenige Katholieke baptisterium voor de Florentijnen. Hier werd Dante, evenals zijn voorvader Cacciaguida, gelijk hij ons vertelt, gedoopt, en hier hoopte hij, tevergeefs, eenmaal als dichter gekroond te worden (Paradiso XV, 135).

[336] Paradiso XVI, 145. Men zie ook Inferno XXVIII, 107, waar Dante het beroemd geworden gezegde van Mosca dei Lamberti aanhaalt: "Cosa fatta capo ha" d.w.z. wie eenmaal begonnen is, dient door te zetten. [Vertaler].

[337] Ond' ella (Fiorenza) toglie ancora e terza e nona, Paradiso XV, 98.

[338] Paradiso XV en XVI.

[339] Disviluppato dal mondo fellace. Par. XV, 146.

[340] Inferno X, 36, come avesse lo inferno in gran dispitto.

[341] Omstreeks dezen tijd stelden de Florentijnen, in plaats van Consuls, als hun hoogsten magistraat een Podestà aan (een "Macht" of "Autoriteit", bijna een dictator, oorspronkelijk de naam van een Duitsch bestuurder, die door den Keizer voor een stad werd benoemd). Hij was geen Florentijn, maar een vreemdeling en hij mocht geen Florentijnsche trouwen en ook niet eten of drinken in het huis van een burger.

[342] Een treffend voorbeeld van deze wijze van bouwen wordt gegeven door de vijftig (thans dertien) torens van het kleine stadje S. Gimignano. Zie Plaat 54.

[343] Voor verdere bijzonderheden zie Lijst der Illustraties.

[344] De beginselen, die tot uiting kwamen door den boog, die door zuilen gedragen wordt, den door hangbogen gedragen koepel en den spitsboog schijnen te wijzen op de ontwikkeling van een nieuwen stijl. Ook de Romaansche bouwkunst bezat oorspronkelijkheid.

[345] Het was juist in deze twee eeuwen (800-1000), zooals wij hebben gezien, dat de Venetianen hun stad met prachtige gebouwen begonnen te versieren. (De oorspronkelijke S. Marco dateert van 830; het oorspronkelijk Doge-Paleis en de S. Zaccaria zijn uit dezelfde periode; de tegenwoordige Torcello-Kathedraal is grootendeels van 864). Maar Venetië stond in nauwe betrekking met de Oostersche en de Byzantijnsche architectuur en nam geen voornaam deel aan de Romaansche beweging, ofschoon het eenige zeer schoone voorbeelden van Romaanschen stijl bezat, zooals de paleizen, die men op Plaat 56 kan zien, en de apsis (die nu afschuwelijk gerestaureerd is) van Murano's basiliek, die Ruskin met zoo groote bewondering noemt.

[346] De vensters van de hoofdbeuk, zie p. 265.

[347] De volgende kerken zijn de voornaamste van vroeg Duitsch-Romaanschen stijl. De jaartallen wijzen aan, wanneer de oorspronkelijk Romaansche gedeelten van deze kerken, (waarvan de meeste nu herbouwd zijn) werden opgericht: Gernrode (960). Keulen, St. Maria im Capitol en de kerk van de Apostelen (960-1020). Mainz, Dom (970-1050). Trier, Dom (1016) Spiers, Dom (1030-1100). Worms, Dom (1120-1200). Laach-Abdij (1100).

[348] Ongeveer 1060 bouwde Robert Guiscard te Salerno en op andere plaatsen kerken in den Lombardisch-Romaanschen stijl, die door de koningen der Noormannen later in Sicilië werd ingevoerd.

[349] Het Indisch godsdienstig symbool, dat uit een kruis, met vier gelijke armen bestaat, wier uiteinden in den vorm eener gamma zijn omgebogen. [Swastika.]

[350] Dit is de eenige kerk in Rome, die uitwendig duidelijk Romaansche trekken vertoont b.v. een diep terugwijkende arcade rondom het bovengedeelte van de apsis, die in de twaalfde eeuw gebouwd is, na de verwoesting van de oude kerk door de Saracenen van Robert Guiscard in 1084.

[351] Ruskin in zijn Stones of Venice beschouwt die schacht als een "versteenden" vorm van de houten opstanden in de oude gebouwen van het Noorden. "De opstand-pilaar op den pijler van het schip blijft in het steenen gebouw. In dien vorm brachten de Lombarden het in Italië in de zevende eeuw en het bestaat nog heden ten dage in de S. Ambrogio te Milaan en in de S. Michele te Pavia".

[352] Merkwaardig is het kleiner aantal zuilen van de tweede en vierde rij in de façade en de middelste zuilen van de twee hoogste rijen boven de middelste bogen van de twee lagere; ook de negentien bogen van de eerste rij tegen éen en twintig van de tweede. De façade dagteekent waarschijnlijk uit 1120, ofschoon sommigen het een eeuw later stellen. Zonder twijfel werd het dikwijls gerestaureerd. Met den klokketoren werd zeker omstreeks 1175 een begin gemaakt, maar hij veel later voltooid.

[353] Een zeer interessante kerk te Lucca is de S. Frediano, oorspronkelijk gesticht, evenals de Duomo, omstreeks 570 door den Ierschen bisschop Frigidianus. Die kerk werd c. 1120 herbouwd. Zij heeft de gewone Romaansche colonnade om de buitenzijde van de apsis, doch met horizontale architraven in plaats van bogen. De vierkante klokketoren van den Duomo heeft prachtige verhoudingen. De ronde, Pisaansche campanile met arcaden schijnt geen navolging gevonden te hebben.

[354] Purgatorio XII, 101. "De kerk, die de goed bestuurde (d.w.z. slecht bestuurde) stad boven den Ponte di Rubaconta beheerscht". Zij staat op een heuvel, Monte alle Croci, bij de stad, aan den zuidelijker oever van den Arno. De brug heet thans Ponte della Grazie. Volgens Machiavelli was die kerk in 1002 ongeveer door Hendrik II gesticht. Anderen geven het jaartal 1013.

[355] Volgens sommigen is de façade van de vijftiende eeuw of later; zonder twijfel is er veel aan gerestaureerd en bijgevoegd, maar waarschijnlijk is het geheele plan toch van de elfde eeuw.

[356] Zonder twijfel bestaat er meer dan toevallige overeenkomst tusschen de bouwkunst der Noormannen op Sicilië en in Normandië, zooals men kan zien bij de kathedraal te Cefalù, die blijkbaar volgens hetzelfde plan is gebouwd als de groote St.-Etienne te Caen van Willem den Veroveraar. De kathedraal te Cefalù werd waarschijnlijk gesticht in 1129 en de St. Etienne werd kort na Willem's dood, die in 1087 plaats vond, voltooid.

[357] Buiten de Porta Agata en dicht bij het tooneel van den Siciliaanschen Vesper. Deze kerk werd gesticht door den Engelschen Aartsbisschop van Palermo, Of a Mill (Offamilio). Wij moeten ook niet vergeten, dat de Koningin van Sicilië in dezen tijd een Engelsche prinses was (zie p. 365).

[358] Van de andere zeer talrijke paleizen in en rondom Palermo, bestaan er nog slechts weinige, zooals de Zisa (door Willem I gebouwd), de Cuba (door Willem II gebouwd) en de Favara, een Saraceensch kasteel van de Noormannen, dat later door Frederik II werd gebruikt.

[359] Er wordt verteld dat de Abt Desiderius van Monte Cassino vele Byzantijnsche kunstenaars c. 1066 naar Italië heeft gehaald.

[360] Desniettegenstaande schijnen dergelijke fraaie mozaïeken, zooals in de S. Clemente (Rome) en de S. Maria in Trastevere (plaat 57) tot de twaalfde eeuw te behooren. Of deze en ook de mozaïeken van de koningen der Noormannen het werk waren van Romeinsche of Byzantijnsche artisten of van een onafhankelijke Lombardisch-Siciliaansche school is een punt, dat niet alleen door de techniek en het materiaal, maar ook door de keuze en behandeling van de onderwerpen en de symboliek bewezen moet worden.

[361] Zie ook p. 103 (aanteekeningen bij de eerste plaat van de munten).

[362] Zoo genoemd naar de Zecca, het Muntgebouw te Venetië.

[363] Hij gaf aan hun wraak de stad en vesting Tusculum over; deze stad (dit moet men toegeven) was langen tijd een nest van "Tusculaansche Graven" geweest en berucht door dergelijke Pausen als Benedictus IX en bovendien het republikeinsche Rome een doorn in het oog. Het werd nu geheel en al verwoest. Zoo verdween dan de stad gesticht door den zoon van Odysseus en Circe, Telegonus (vgl. Horatius, Oden III. 29.8), de vaderstad van Cato, het tooneel van Cicero's Tusculanae Disputationes.

[364] In 1192 werd Richard Leeuwenhart door Leopold van Oostenrijk, dien hij na de inneming van Akko beleedigd had, te Weenen gevangen genomen en aan Hendrik VI overgeleverd. Deze gevangenneming, zegt men, was gerechtvaardigd, omdat Richard Leeuwenhart gekomen was om Hendrik den Leeuw in zijn opstand tegen den Keizer te steunen. In het begin van 1194 werd Richard na betaling van een hoog losgeld weder vrij gelaten.

[365] Zie hier een andere lezing:

Het bericht van dit late moederschap (volgens Villani was Constantia reeds over de vijftig!) stemde de bevolking van Palermo nog al sceptisch; men vermoedde, dat een kind onderschoven zou worden. Om die geruchten den kop in te drukken, bedacht men een eenvoudig middel: de koningin beviel op een openbaar plein te Palermo, in een groote tent, waar alleen vrouwen toegang hadden. [Vertaler].

[366] Ook de koning van Engeland, Jan zonder Land (1199-1216). Nadat hij zich eerst hevig verzet had en Innocentius den banvloek over hem had uitgesproken, wierp hij zich ten slotte voor de voeten van Pandulf, den pauselijken gezant, toen deze te Dover landde, en kreeg uit diens handen, als vazal van den Paus, zijn kroon terug.

[367] Zie "Aanteekening over de Byzantijnsche Keizers". De zoogenaamde vierde Kruistocht, waar Gibbon in hfdst. LX-LXI een schilderachtige beschrijving van geeft, heeft weinig met de geschiedenis van Italië te maken, tenzij wat Venetië en Doge Dandolo betreft. Innocentius had een kruistocht gepreekt, en een groot aantal Franschen en Vlamingen verzamelden zich in Noord-Italië en huurden Venetiaansche schepen; maar, toen zij niet in staat waren te betalen, haalden de Venetianen hen over om hen te helpen Zara, in Dalmatië, dat vroeger aan Venetië had behoord, te veroveren. Zara werd genomen. Toen overreedden de Venetianen de kruisvaarders Constantinopel aan te vallen en den verdreven Keizer op zijn troon te brengen, daar de Pisanen, de groote mededingers van Venetië in het Oosten, begunstigd werden door den usurpator. De Keizer werd in zijn waardigheid hersteld; maar er ontstonden twisten en wederom bestormden de Kruisvaarders en Venetianen Constantinopel en plunderden het op de meest barbaarsche wijze. Daarna plaatsten zij Boudewijn van Vlaanderen op den keizerlijken troon (1204), den eersten van de zes Latijnsche Keizers van het Oosten.

[368] Een vergelijking, die ook door Dante aan het einde van zijn de Monarchia wordt gebruikt, ofschoon hij in den Purgatorio (XVI, 106) juister van twee zonnen spreekt:

Soleva Roma, che il buon mondo feo due soli aver.

[369] Dit schijnt niet in overeenstemming te zijn met zijn haat tegen de Duitschers en de keizerlijke maneschijn van p. 414; maar de belooning was hoog, en Innocentius was er zeer op gesteld, dat de jonge Frederik in ieder geval zou blijven en geen Keizer zou worden.

[370] In zijn strijd tegen zijn edelen en tegen Frankrijk werd hij krachtig geholpen door Koning Jan van Engeland (Jan zonder Land): een gevolg van deze nederlaag bij Bouvines was de Magna Charta (1215).

[371] Zie blz. 320. Frederik baande zich niet met wapengeweld een weg naar Jeruzalem. Voordat hij Italië verliet, had hij door handig diplomatiek optreden er voor gezorgd, dat de stad zou worden overgeleverd door den Sultan van Egypte, dien hij beloofd had te zullen helpen tegen zijn mededinger, den Sultan van Damascus. Door de aanneming van de kroon schond Frederik de rechten van zijn schoonvader, Jean de Brienne, die in 1228 Keizer van het Oosten werd en zich aansloot bij het bonte leger van den Paus tegen Frederik.

[372] Gregorius was naar Rome teruggeroepen door de burgers, die hevig verschrikt waren door een groote overstrooming van den Tiber, waardoor, naar men vertelt, duizenden waren verdronken en de Pons Aemilius (Senatorum) gebroken was. De overblijfselen van deze brug, die nog erger vernield is door de overstrooming van 1598, vormen den welbekenden Ponte Rotto.

[373] Paus Gregorius evenwel weigerde terug te keeren naar Rome, "dat leger van brullende wilde beesten." Hij bleef nog twee jaren in ballingschap en hield in 1237 een roemrijken intocht, terwijl Frederik in een strijd met de Lombardische steden gewikkeld was.

[374] Inferno XII, 109

e quella fronte, c' ha il pel cosí nero, è Azzolino.

Men vertelde, dat hij zeer behaard was. Op zijn voorhoofd, juist boven zijn neus, had hij een lang zwart haar, dat rechtop ging staan, wanneer hij toornig werd. Pietro di Dante, de zoon van den dichter, verhaalt, dat zijn moeder voor de geboorte van Ezzelino droomde dat zij een brandende fakkel voortbracht. Dante noemt hem una facella (Paradiso IX, 29). (Vgl. een dergelijke legende van Hecuba voor de geboorte van Paris). De oude kroniekschrijvers hebben uitvoerige verhalen over zijn wreedheid; Villani zegt: fu uno grande flagello al suo tempo [Vertaler].

[375] Inferno XIII, 58.

Io son colui, che tenni ambo le chiavi del cor di Federico.

Later werd hij, volgens Dante ten onrechte, beschuldigd de staatsgeheimen verraden te hebben en op bevel van Frederik gevangen genomen en misschien van het gezicht beroofd; daarop pleegde hij zelfmoord. In den Inferno woont zijn ziel in een bloedenden boom (in het Bosch van de Zelfmoordenaars); op verzoek van Vergilius breekt Dante een twijg van dien boom af om hem zijn geschiedenis "in bloed en woorden" te laten vertellen.

[376] Fere centenarius, zegt een Engelsch kroniekschrijver. Toen hij in 1227 tot Paus werd gewijd, was hij reeds meer dan tachtig jaar oud.

[377] Hij meldde zich bij de hoven van Arragon, Frankrijk en Engeland aan, maar "zij verzochten hem beleefd hun de eer van een bezoek te sparen" (Gregorius).

[378] Soleva Roma . . . Duo Soli aver . . . L'un l'altro ha spento ed è giunta la spada Col pasturale, Rome bezat vroeger twee zonnen; de eene heeft nu de andere gedoofd en het zwaard is vereenigd met de herderstaf (Purgatorio XVI, 106).

[379] Er zijn nog brieven van Innocentius IV over, waarin hij de samenzweerders "roemruchtige zonen van de Kerk" noemt.

[380] Waarschijnlijk in den (thans herstelden) Palazzo del Rè Enzio te Bologna. Men zegt, dat hij in zijn gevangenschap getroost werd door de liefde van de schoone Lucia Viadagola, van wie de Bentivogli beweren af te stammen.

[381] En toch had Paus Gregorius hem dikwijls een godslasteraar, een beest en nog erger genoemd. Maar, ofschoon Frederik een ongeloovige was, had hij toch genoeg Christelijk en ridderlijk gevoel om de edele woorden van Odysseus tot de zijne te maken: "Het is een goddelooze daad te juichen over de dooden". (Odyss XXII 412). Frederik was een van die ingewikkelde en rijk begaafde naturen, die onmogelijk te analyseeren zijn. Zijn voortreffelijkste eigenschappen had hij aan zijn moeder Constantia, de dochter van Roger, koning der Noormannen, te danken. Bréholles heeft een uitvoerige biografie van hem geschreven. Hij tracht te bewijzen, dat Frederik zich beschouwde als een soort Messias, maar de Bijbelsche uitdrukkingen, die Frederik gebruikt, (b.v. wanneer hij zijn geboorteplaats "Bethlehem" noemt en Pier delle Vigne beveelt "zijn schapen te weiden") kan men door de gewoonte van die tijden wel verklaren. Zonder twijfel was hij een vrijdenker, een cosmopoliet op godsdienstig gebied, met een sterke voorliefde voor Oostersche gedachtevormen en Oostersche gewoonten, zooals het concubinaat; en wij kunnen er van overtuigd zijn, dat hij gewoon was over Mozes, Christus en Mohammed te spreken als over drie teleurgestelde bedriegers, wier godsdienstige stelsels hij wel kon verbeteren; en wij behoeven er ons niet over te verbazen, dat Dante hem als ketteraanvoerder in zijn Inferno tot een vlammende graftombe heeft veroordeeld. (Infern. X, 119). Maar hetgeen verwondering wekt, is, dat Frederik zelf streng Katholiek was en een ijverig vervolger van degenen, die niet orthodox waren, en zelfs, wanneer Dante geen onwaarheid spreekt, een zeer wreede marteling en doodstraf voor dergelijke ketters uitvond. Het doet denken aan Poggio's geschiedenis van een boef, die vele moorden op zijn geweten had, maar met gevaar voor zijn leven in een stad kwam om absolutie te vragen, daar hij in den vastentijd een paar druppels melk had gedronken.

[382] Hendrik, de zoon van Frederik en Isabella van Engeland, was onderkoning van Sicilië geworden. Hij stierf omstreeks denzelfden tijd als zijn vader. Paus Innocentius bood (!) Karel van Anjou en Richard van Cornwall de kroon van Sicilië aan, die er beiden voor bedankten. Daarna haalde hij Hendrik III van Engeland over zijn jongen zoon, Edmund van Lancaster, acht jaar oud, dien titel te laten aannemen. Maar Hendrik toonde geen lust, op het verzoek in te gaan, toen de Pausen hem opriepen om de rechten van zijn zoon met wapengeweld te handhaven en Sicilië te veroveren.

[383] Er is nog een grafschrift op hem over, dat de stemming van het volk voortreffelijk weergeeft:

Hic jacet Suncini tumulus canis et Ezzelini quem lacerant manes tartareique canes.

[Vertaler].

[384] Inferno X, 86. che fece l'Arbia colorato in rosso.

[385] Dit was de eerste maal, dat iemand, die geen Keizer of Paus was, in de St. Pieter werd gekroond. Bij zijn aankomst had Karel het Lateraan als zijn woning betrokken, maar hij ontving een zeer verontwaardigd schrijven van den Paus en moest het Lateraan ontruimen.

[386] Als een geëxcommuniceerde, sine cruce et luce.

[387] Het zal wel niet noodig zijn de lezers van Dante te wijzen op den prachtigen derden zang van den Purgatorio, waar Manfred zelf dit alles aan den dichter verhaalt.

Biondo era e bello e di gentile aspetto ma l'un de' cigli un colpo avea diviso.

"Blond was hij, schoon en edel van gezicht, maar een houw had een zijner wenkbrauwen gespleten." Deze beschrijving brengt de verschijning van Prins Edward in herinnering, zooals hij zich aan zijn moordenaar, Clarence, vertoont:

"Then came wandering by A shadow like an angel, with bright hair Dabbled in blood;"

(Shakespeare, Richard III Act I Scene IV).

[388] Astura, waar Cicero een villa had en het eerst op zijn vlucht aankwam, is nu een eiland van ruïnen midden in moerassen. Er bestaan nog muren van het Frangipani-kasteel en nog een enkele toren. Op verren afstand ziet men vaag de Circejische kaap.

[389] In de dichtbijzijnde kerk van S. Croce is een porfieren zuil, die, naar men zegt, op de plaats stond, waar Konradijn werd onthoofd.

[390] Dante (Inferno XII, 120) maakt een toespeling op het feit, dat het hart van Hendrik in een gouden vaas naar Engeland werd gestuurd en "nog aan den oever van de Theems vereerd wordt" (le cor, che in sul Tamigi ancor si cola). Men zegt, dat de vaas geplaatst is op de graftombe van Koning Eduard, den Belijder, in de Westminster-Abdij.

[391] Purgatorio VII, 113.

[392] Paradiso VIII, 55, zegt Karel Martel: assai m'amasti, ed avesti bene onde.

"Gij hield veel van mij en gij hadt daar wel reden voor".

[393] Ook door Dante (Purgat. VII, 94) wordt hij Imperador genoemd, ofschoon hij nooit door den Paus is gekroond. Op een afgelegen plaats van den Louteringsberg zit Rudolf, droevig en eenzaam, als een "die verzuimd heeft te doen, wat zijn plicht was", n.l. zich te bemoeien met Italië en zich te Rome laten kronen. Niet ver daarvandaan, in aangenaam gezelschap, bevindt zich Hendrik III van Engeland, "de koning van eenvoudige levenswijze" en Karel van Anjou, die met zijn doodvijand, Pedro van Arragon, samen hymnen zingt (door "zijn manlijken neus"). Zie plaat 48 en de verklaring der illustraties.

[394] Ofschoon Florence Welfsch was, werkte het den Paus zoo tegen, dat hij het interdict over de stad uitsprak; toen hij door een overstrooming gedwongen was een Florentijnsche brug over den Arno over te gaan, hief hij den ban voor slechts enkele uren op, totdat hij de stad was doorgetrokken. De termen Welfsch en Ghibellijnsch hebben in dezen tijd hun oorspronkelijke beteekenis van pausgezind en keizersgezind geheel verloren. Hier zien wij, dat de Pausen den Duitschen Keizer steunen en den Florentijnschen Welfen vijandig gezind zijn. De pauselijke politiek was natuurlijk nooit op de hand van de republikeinsche vrijheid.

[395] Indien hij zijn plannen had kunnen verwezelijken, zegt Gregorovius, had hij zijn kleinzonen koningen van Toskane en Lombardije gemaakt. "In waarheid was ik een berenkind, zoo begeerig om de berenwelpen (Orsatti) vooruit te brengen, dat ik hier boven rijkdommen en hier mijzelf in den buidel stak." Zoo beschrijft hij zichzelf (Inferno XIX, 70) bij Dante, die hem, als Simonist, in Malebolge plaatst, met het hoofd naar beneden in een kuil, terwijl hij rusteloos met zijn voeten, die eruit steken en branden, kwispelt. Wanneer hij Dante Italiaansch hoort spreken, roept hij uit: "Zijt gij daar reeds, Bonifacius?", daar hij meende, dat het Paus Bonifacius VIII was, die in 1303 in hetzelfde gat voorover zou geworpen worden en later zou gevolgd worden door Clemens V, die den zetel van het Pausdom naar Avignon heeft verplaatst. (e farà quel d' Alagna esser piú giuso, Parad. XXX. 148).

[396] Purgator. XXIV, 24. Hij liet den paling in melk bewaren en in wijn koken. Daarom verscheen na zijn dood het volgende spotvers:

Gaudent anguillae, quod mortuus est homo ille qui quasi morte reas excruciabat eas.

[Vertaler].

[397] Paradiso VIII, 75.

[398] Inferno XXVII, 85. lo principe de' nuovi farisei.

[399] Paradiso XIX, 126. Dante zegt, dat men zijn goede eigenschappen met een I (éen) en zijn slechte met een M (duizend) zal aangewezen zien.

[400] Karel Martel was door zijn moeder, Maria van Hongarije, ook erfgenaam van den Hongaarschen troon. Hij huwde Clemenza, de dochter van Rudolf van Habsburg en stierf in 1295, veertien jaar voor den dood van zijn vader. (la bella Clemenza van Parad. IX, 1, zal wel de dochter van Karel Martel zijn). Zijn broeder Robert van Calabrië besteeg den troon van Napels. Karel Martel had innige vriendschap met Dante gesloten, die hem te Florence had ontmoet (Parad. VIII).

[401] Het huis Anjou in Napels en Zuid-Italië eindigde in 1442, toen le bon roi René werd onttroond door den Spaanschen koning Alfonso, die aldus Koning van de Beide Siciliën werd. Caltabelotta ligt in het Westen van Sicilië, niet ver van de reusachtige ruïnes van Selinus. Het (Saraceensche) woord beteekent "Kasteel van de Kurk-eiken."

[402] Toen hij Gregorius X te Lyon bezocht om bekrachtiging van zijn nieuwe Orde te verkrijgen, verbaasde hij dien Paus door zijn monnikskap aan een zonnestraal op te hangen. Frescos te Aquila stellen zijn mirakelen voor.

[403] Dante geloofde dit ten minste, want hij beschuldigt Bonifacius ervan, dat hij door bedrog la bella donna (de Kerk) verschalkt heeft (Inferno XIX, 57).

[404] Purgatorio XX, 86.

[405] Zooals bekend is, brandmerkt Dante Celestinus (want zonder twijfel wordt deze Paus bedoeld, ofschoon hij niet genoemd wordt) als dengene, die uit lafheid de groote weigering had gedaan en plaatst hem onder de groote menigte van onedele zielen die nooit levend waren (che mai non fûr vivi) en veroordeeld zijn te rennen achter een banier over een donker plein bij den Acheron, terwijl zij door muggen en wespen worden gestoken. (Inferno III).

[406] In den Inferno (zang XXVII) vertelt Guido di Montefeltro, die door den dichter gezet wordt bij hen die wegens het geven van een slechten raad door vlammen geteisterd worden, hoe hij een groot aanvoerder der Ghibellijnen was tegen Karel van Anjou (hij maakte te Forli van de Franschen een bloedigen stapel), hoe hij Franciskaner monnik te Assisi werd, hoe Bonifacius hem onder zijn invloed kreeg en hem het verraderlijke plan afdwong, waardoor Palestrina werd veroverd; naar aanleiding daarvan werd zijn ziel, die St. Franciscus kwam oproepen, naar den hel gesleurd door een zwarten cherubijn. Palestrina, het oude Praeneste, ligt ongeveer 30 K.M. ten Zuid-Oosten van Rome. Het was beroemd om zijn tempel van Fortuna (door Sulla verwoest), die zich hoog op groote terrassen verhief. Hiervan bestaan nog overblijfselen. In het kasteel heeft Konradijn gevangen gezeten. Door de Colonna's werd de stad weder opgebouwd, en nog eens verwoest door een Paus in 1436. Sinds 1630 was het wederom in de macht van het geslacht Colonna.

[407] Het is merkwaardig, dat er geen vorsten schijnen gekomen te zijn, een beteekenisvol feit. Gregorovius zegt, dat Karel van Hongarije de eenige uitzondering was. Maar aangezien deze in 1295 is gestorven, en Dante hem op 1 April 1300 in den hemel zag, is dat zeker een vergissing.

[408] Bij gelegenheid van dit gezantschap zou hij, volgens Boccaccio, de beroemde woorden gesproken hebben: Si io vo' chi resta? e si io resto chi va? Als ik ga, wie blijft er? Als ik blijf, wie gaat er? [Vertaler].

[409] Inferno XVIII, 25-33.

[410] De laatste datum, die door den oudsten Villani wordt vermeld, is 11 April 1348; hij spreekt dan over de groote pest van dat jaar, die door Boccaccio in zijn Introduzione van de Decamerone wordt beschreven. "Deze pest duurde tot..." zegt Villani en was van plan den datum later in te vullen: maar dit heeft hij nooit kunnen doen; want hij is er zelf aan gestorven.

[411] Hij werd door de Florentijnen als gezant naar Bonifacius gezonden. Hij kwam te Rome en zag Florence niet weder.

[412] Duitschland geeft hierin een groote tegenstelling. Ofschoon Albrecht van Habsburg (en Oostenrijk) zijn mededinger Adolf van Nassau overwonnen had, werd zijn gezag toch niet door een nationaal gevoel gesteund. Dante beschuldigt er hem van, dat hij Italië verwaarloosde, maar hij werd te zeer bezig gehouden door oneenigheden in zijn eigen rijk en opstanden, zooals dien van de Zwitsers (Wilhelm Tell!); en Bonifacius had niet geheel en al ongelijk, toen hij toornig tot de gezanten van Albert uitriep: "Imperator! Imperator sum ego!"

[413] Tot de bezittingen van de Gaetani behoorde ook de beroemde Tombe van Caecilia Metella, waar Bonifacius, naar men zeide, de borstweringen had opgericht.

[414] Sommige schrijvers, zooals de Engelschman Walsingham (c. 1400) hebben de behandeling van Bonifacius zeer overdreven voorgesteld. Het is echter zeer merkwaardig, dat Dante, "die zijn vijand Bonifacius rondom de muren van de vlammende stad van Dis sleurt, zooals Hector rondom Troje werd gesleept", van verontwaardiging trilt over de heiligschendende behandeling van denzelfden Paus door dien modernen Pilatus, die Pest van Frankrijk (il mal di Francia, Purgator. VII, 109; XX, 91), zooals bij Philips den Schoone noemt (zie ook: Inferno XIX. 52-84, waar Dante Bonifacius hevig aanvalt en Paradiso XXVII, 19-30, waar de H. Petrus van hem zegt: "hij heeft van mijn rustplaats een cloaca van bloed en stank gemaakt" (fatto ha del cimitero mio cloaca del sangue e della puzza).

[415] Dante beschrijft Philips en Clemens als een reus en zijn minnares; zij kusten elkander, maar wanneer la puttana de oogen naar den dichter wendt, sleept de reus haar een bosch in; met ziet hierin gewoonlijk een toespeling op de Babylonische gevangenschap (Purgatorio XXII, 148-160). Dante werpt zooals wij zagen Clemens ook voorover in een hol in den Inferno, met Bonifacius en Nicolaas III (Inferno XIX, 52). Un pastor senza legge heet hij iets verder (83).

[416] Purgat. VI, 97-117, verwijt Dante in scherpe bewoordingen Albrecht, dat hij niet naar Italië is gekomen, om het weerspannige en lastige veulen te temmen.

Vieni a veder la tua Roma che piagne, vedova e sola e dì en notte chiama: "Cesare mio, perchè non m'accompagne!"

[417] Karel II van Anjou was in 1309 gestorven en Robert, zijn derde zoon, werd door Clemens V te Lyon als koning der Beide Siciliën gekroond (Karel Martel was in naam Koning van Hongarije en een tweede zoon van Karel II was geestelijke geworden).

[418] Dante behoorde tot de Bianchi (Witten), meer gematigden.

[419] Zie Henri Hauvette, Inleiding tot de studie van de Divina Commedia, p. 167. Dit uitstekend werk over Dante is verschenen in de Wereldbibliotheek [Vertaler].

[420] Men zal zich herinneren, dat de oude basiliek van het Lateraan in 896 was ingestort, niet lang nadat het lijk van Paus Formosus voor een Synode ter verantwoording geroepen was. Het nieuwe gebouw was in 1308 verbrand en nu weder opgebouwd en misschien reeds versierd met de fresco's van Giotto.

[421] De gezant en de kardinalen weigerden eerst deze handeling te verrichten, maar het volk van Rome dreigde hen met den dood, terwijl zij uitriepen, dat zij, en niet de Paus het recht hadden de keizerlijke waardigheid te schenken. Misschien heeft Dante gedacht aan de mislukking van het plan om in de St. Pieter gekroond te worden, toen hij beschreef, hoe op een ledigen troon een kroon lag te wachten op de aankomst van Hendrik in den hoogsten hemel (Paradiso XXX, 134).

[422] Nog dichter bij S. Gimignano (Plaat 42 en 54) en Certaldo, de woonplaats van Boccaccio, wiens vader een handelsman van dat stadje was. Boccaccio werd in ditzelfde jaar geboren (1313), maar waarschijnlijk te Parijs.

[423] William Gladstone beweerde, dat Dante Engeland bezocht had. [Vertaler].

[424] Inferno IX, 73-91.

[425] Purgator. XVI, 107.

[426] De Limbo is het voorportaal van de hel, het verblijf der reine zielen, die niet in Christus geloofd hebben, hetzij omdat zij te vroeg geboren werden, hetzij omdat zij zijn wet niet gekend hebben; daar zijn ook de kinderen, die sterven zonder den doop te hebben ontvangen. "Zij leven in verlangen zonder hoop." Inferno IV. 42. [Vertaler].

[427] Purgatorio XX, 86-90.

[428] Zooals wij reeds dikwijls gezien hebben, zochten de Pausen, ofschoon zij de natuurlijke vijanden van vrijheid en vooruitgang waren, toch dikwijls een verbond met de Republieken, een feit, dat ons wel tot nadenken brengt, wanneer wij zien, dat juist door de vrijheid en den vooruitgang het afschuwelijke inwendige bederf van het Pausdom aan het licht kwam.

[429] Paradiso XII. 140.

[430] Een Joodsche sekte, ontstaan in de tweede eeuw v. Chr.

[431] Mani, de stichter van het manichaeïsmus, was afkomstig uit een voorname Perzische familie. Zijn leer berust op die van Zoroaster.

[432] De leer van het werkelijke bestaan van het Kwaad als een handelend beginsel, is natuurlijk, evenals de leer van de zielsverhuizing en het vagevuur, een zeer geschikte oplossing van zekere intellectueele moeilijkheden en kan lastig door diegenen als ketterij veroordeeld worden, die den Bijbelschen Duivel aannemen.

[433] Het woord paterino is in het Italiaansch synoniem geworden met eretico, kettersch.

[434] Domini canes.

[435] Marteau des hérétiques. (Sabatier).

[436] Zooals ook het geval was met de Dominicanen, werd de bekrachtiging van de Franciscaner Orde door den dood van den Paus uitgesteld. Zij ontving, zooals Dante (Paradiso XI. 93) zegt, haar "eerste zegel" van Innocentius in 1214 en werd "met een tweede kroon gekroond" (IX. 97) door Honorius in 1223.

[437] Hij zag een armen man, die met zijn schouders de Kerk van het Lateraan, die dreigde in te storten, ondersteunde. Vgl. het fresco van Giotto in de groote kerk van Assisi. [Vertaler].

[438] Dominicus ging den kruistocht prediken tegen de Albigenzen en hitste de gemoederen op tot een bloedige vervolging van de ketters. Franciscus daarentegen zou zich liever aan elke marteling onderworpen hebben, dan eenig wezen, hoedanig ook, te doen lijden.

[439] Vgl. de heerlijke hymne aan de zon, Cantico delle Creature of Cantico del Sole.

[Vertaler].

[440] De lage kerk te Assisi, waaraan men kort na den dood van Franciscus begonnen is, daar hij zijn volgelingen verzocht geen groote kerken te bouwen, en de prachtige S. Maria degli Angeli, die in veel later tijd gebouwd is op de overblijfselen van de kleine Portiuncula, zijn een treffend bewijs hiervan. Zooals Dante (Paradiso, XII, 117) zegt, traden de latere volgelingen van St. Franciscus in zijn voetsporen, maar "de teenen op de hielen zettend" d.w.z. in omgekeerde richting.

[441] Paradiso XII, 56, 57 en 101, 102.

[442] Na zijn bekeering bestond de geheele bezitting van St. Franciscus in éen stel monnikskleeren.

[443] "De éen was gansch van serafijnen-aard in zijn (weldadigen) gloed, de ander door wijsheid op aarde een glans van het licht der cherubijnen." Seraphim wordt verklaard door calefaciens, verwarmend, en cherubim door copia cognitionis, overvloed van kennis.

[444] Ik kan niet nalaten een paar woorden aan te halen uit het met zooveel gevoel geschreven werk van Paul Sabatier over St. Franciscus. "Son humilité est d'une sincérité qui s'impose; elle est absolue, sans que l'on songe à la trouver exagérée." [Vertaler].

[445] Zie p. 473.

[446] Dante, Parad. XVI, 153. Het oude vaandel der Florentijnen (en Ghibellijnen) droeg een witte lelie op een rood veld; de Welfen namen een roode lelie op een wit veld. Dante's woorden "werd vermiljoen gemaakt" hebben waarschijnlijk betrekking op het bloedbad. Zijn groote stamvader, Cacciaguida, was keizersgezind; de van hem afstammende Alighieri, de onmiddellijke voorvaderen van Dante, waren trouwe Welfen.

[447] Inferno X. Farinata, die uit zijn vurige graftombe met trotsche, kalme waardigheid verrijst, "alsof hij de Hel in groote minachting had" is een van de grootste en levendigste figuren in de Divina Commedia.

[448] Inferno X, 86.

[449] Dante liet zich inschrijven in het groote gilde van de geneesheeren en apothekers (Medici e Speziali, la sesta arte, zegt Zingarelli). Van de ontelbare werken over het leven en de werken van Dante noem ik in het bijzonder Nicola Zingarelli, Vita di Dante, con un' analisi della Divina Commedia, Henri Hauvette, Dante, Inleiding tot de studie van de Divina Commedia (Wereldbibliotheek) en Karl Federn, Dante, van welk laatste werk de Italiaansche uitgave buitengewoon fraai geïllustreerd is. [Vertaler].

[450] Zie Dante, Inferno XXI, 38: Un degli anzian di Santa Zita, i. e. van Lucca. De Anziani van Lucca en Pisa beantwoordden aan de Florentijnsche Priori.

[451] Inferno XXXIII. Er zijn weinig plaatsen in de Commedia, die een zoo schitterende getuigenis afleggen van het buitengewone genie van dezen dichter. Beestachtig is de wraak van Ugolino op zijn beul Ruggieri, in wiens nek hij zijn tanden zet, die hij daarna afveegt aan de haren van het hoofd, waaraan hij knaagt. Maar ons afgrijzen verandert in diep medelijden, wanneer wij dan in hartverscheurende bewoordingen lezen, hoe de vader de machtelooze getuige was van het langzame sterven zijner kinderen.

"Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich uitgestrekt voor mijn voeten, zeggende: ""Mijn vader, waarom helpt gij mij niet?"" Daar stierf hij; en zooals gij mij hier ziet, zoo waar zag ik hen alle drie, éen voor éen, vallen, tusschen den vijfden en den zesden dag. Twee lange dagen nog tastte ik, reeds blind, naar hen rond en riep hen; daarna deed de honger wat de smart niet vermocht".

Dit tooneel in den Inferno, dat ons nu nog doet trillen van ontroering, is wel een van de treffendste illustraties van de wet der wedervergelding (il taglione, ius talionis). Wel zijn hierop van toepassing de woorden van Ugolino: "En als gij nu niet weent, waarover pleegt gij dan te weenen?" [Vertaler].

[452] Zie ook Inferno XXII, 4 en Purgat. V, 92. In het volgend jaar was Dante aanwezig bij de capitulatie van Caprona, een vesting aan den Arno, die de Pisanen bezet hadden. Inferno XXI, 94, vergelijkt hij zich, wanneer de duivels, ofschoon zij hem niet mogen aanraken, hem van alle kanten bedreigen, met de krijgsknechten, die uit Caprona wegtrokken en bang werden, toen zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.

[453] Dertien van de meer dan vijftig (?) torens, die door de edelen van S. Gimignano gebouwd zijn, verleenen nog steeds een merkwaardig uiterlijk aan deze città della belle torre. Zie plaat 54.

[454] Voor de feiten, die in verband staan met Dante's ballingschap zie men p. 445. Tien jaar tevoren was hij met Gemma getrouwd, waarschijnlijk een zuster van Corso Donati, den leider van de Ultra-Welfen. Ofschoon Dante den naam van zijn vrouw nergens vermeldt, koesterde hij blijkbaar groote genegenheid voor Piccarda, Corso's zuster die hij in het Paradijs ontmoet en ook voor Forese, den broeder van Corso, ofschoon hij hem wegens zijn gulzigheid in het Purgatorium verschrikkelijk straft. "Om de oogen waren allen hol, en donkerbleek van gezicht en zoo uitgehongerd, dat de huid zich naar hun knoken scheen gevormd te hebben". Purgat. XXIII, 22-24.

[455] Hij geleek, zegt Dino Compagni, op den Romein Catilina, maar hij was wreeder, schoon van uiterlijk, edel van afkomst, een innemend spreker, scherp van geest en steeds geneigd om het kwade te doen. [Vertaler].

[456] Dante schijnt het verhaal te bevestigen, dat hij, waarschijnlijk bij een worsteling, in het Casentijnsche van zijn paard werd geworpen en aan den stijgbeugel werd voortgesleurd. Forese voorspelt Dante, dat Corso "aan de staart van een dier naar dat dal wordt gesleept, waar men nooit vergiffenis voor zijn zonden krijgt." Purgat. XXIV, 83, 84.

[457] Paradiso XVII, 69.

[458] (Zoo zult gij proeven) hoe zout smaakt andermans brood, en hoe harde weg het is op- en afgaan van een andermans trappen. (Paradiso XVII, 58-60).

[459] Guido da Polenta was Dante's vriend aan het einde van zijn leven. Te Ravenna zag de dichter zonder twijfel dikwijls de kleine Francesca, de dochter of nicht van Guido, die later gehuwd is met Giancotto Malatesta en door hem is gedood. Ieder lezer van Dante kent de geschiedenis, hoe Francesca en Paolo den roman van Lancelot lezen, hoe de liefde zich van hen meester maakt; "toen wij lazen, hoe het begeerde lachje gekust werd door zoo grooten minnaar, kuste hij, die nooit van mij gescheiden moge worden, mij gansch sidderend den mond; Galeotto was het boek en die het geschreven had; dien dag hebben wij niet verder gelezen". Inferno V, 133-138.

[460] Men zal zich herinneren, dat Hendrik VII zich tot rex pacificus liet uitroepen, maar het een militaire noodzakelijkheid vond een aandeel te nemen in de staatkundige woelingen van Italië.

[461] In 1315, zegt Villari, werd de eerste lijst van deze families gepubliceerd. In later tijden (in de zestiende eeuw) kreeg het register den naam van "het Gouden Boek" (Libro d'oro).

[462] Bijv. de oude mozaïekwerken van de voorhal van de St. Marcus. Vele prachtige marmeren standbeelden en andere schatten, waartoe ook de beroemde bronzen paarden behoorden, werden uit Constantinopel meegebracht door den "blinden ouden Dandolo" en zijn krijgers (c. 1204).

[463] Men zal zich herinneren, dat ook de vijfde-eeuwsche mozaïeken van de S. Maria Maggiore een zeer merkwaardige, heidensche behandeling van de Christelijke onderwerpen vertoonen (zie p. 240).

[464] De herleving van de schilderkunst had ook invloed op de kunst van het bronsrelief, een feit, dat zeer goed waarneembaar is, wanneer men het werk van Andrea Pisano van het Florentijnsche baptisterium vergelijkt met het buitengewoon mooie, maar al te "schilderachtige" werk van Ghiberti.

[465] Het is de moeite waard den nieuwen, schilderachtigen en levendigen stijl van Giotto's Navicella te vergelijken met de indrukwekkende waardigheid van het mozaïek-werk (Christus en de H. Johannes) van zijn meester Cimabue in de apsis van de Pisaansche Kathedraal.

[466] Ook de prachtige ingelegde vloeren (opus Alexandrinum), die men in vele oude Romeinsche kerken ziet, zooals in de S. Maria Maggiore en S. Maria in Trastevere, worden door sommigen aan de Cosmati toegeschreven.

[467] De eenige oude Gotische kerk in Rome, nu afschuwelijk bedorven, maar nog altijd belangwekkend om haar gewelven.

[468] Wordt vermeld door Dante. In de Aracoeli is ook een prachtige Cosmati-graftombe (van de Savelli) van omstreeks 1280.

[469] De moeilijkheid om langwerpige en andere ruimten, waar de hoogten van de bogen verschillend zijn, te overwelven, wordt opgelost door het gebruik van een spitsboog of beter gezegd, een gebroken boog, d.w.z. twee gelijke bogen, die onder een hoek zijn geplaatst, die kleiner is dan de boog van een cirkel.

[470] Zie de opmerkingen over Romeinsche architectuur, p. 393.

[471] Een gevolg van deze voorliefde voor oppervlakte is de grootere breedte van de Italiaansch-Gotische bogen, die maken, dat een schip, zooals b.v. in den Florentijnschen Duomo, korter lijkt dan het is, terwijl de Engelsche en Fransche Gotische schepen met hun spitser en talrijker bogen den indruk van veel grooter lengte geven. En laten wij er hier nog eens op wijzen, dat een Noord-Gotische kathedraal, welke aanspraken op bewondering zij ook moge hebben, bijeengehouden door uitwendige steunbeeren, toch niet die idee van een geheel schijnt te bezitten, die de eigenschap moet zijn van een kunstwerk, want, indien men er binnen is, zijn deze steunbeeren, waardoor het gebouw tegen instorting wordt gevrijwaard, onzichtbaar, zoodat men zich met eenige inspanning moet voorstellen, dat zij bestaan, en zich van een gevoel van angst moet bevrijden. Bij de Italiaansch-Gotische bouworde ondervindt men een dergelijke gewaarwording niet.

[472] In het oorspronkelijke werk stond "the Westminster Abbey". [Vertaler].

[473] De Campo Santo werd, ofschoon hij sinds 1203 als begraafplaats werd gebruikt, eerst in 1270 met de Gotische arcaden omringd, door Giovanni Pisano, den zoon van Niccolò en toen Niccolò zijn kansel vervaardigde (1260), waren deze sarcophagen en monumenten, zegt Vasari, niet in de arcades geplaatst. Inderdaad werd de sarcophaag van Beatrice eerst in 1810 daarheen gebracht.

[474] Zoo ook in Duitschland. In een vroeger tijdperk had Karel de Groote in Aken mozaïeken geplaatst, die uit Ravenna waren gestolen en in zijn kasteel te Ingelheim, tusschen Mainz en Bingen, waren groote fresco's, die beroemde personen, zooals Romulus, Hannibal Karel Martel enz. voorstelden; maar dit alles is verdwenen en de overblijfselen van c. 1150-1250 toonen slechts ruw geschetste en geverfde muurschilderingen, die blijkbaar onder Byzantijnschen invloed zijn vervaardigd. (De beroemde gobelins van Quedlinburg, c. 1200, zijn een raadselachtige uitzondering). Er kan terloops op gewezen worden, dat na 1200, twee eeuwen lang (dus tot den tijd van de Van Eyck's) de Duitsche schilderkunst zeer belemmerd is door den overheerschenden invloed van het Gotisch beginsel van constructieve versiering, dat den kunstenaar niet slechts beperkte tot altaarstukken, maar zijn schilderstukken binnen enge oppervlakten drong, zooals de zwaar-omlijste triptieken.

[475] Vasari zegt, dat de jonge Cimabue het werk van "Grieksche schilders", die in de S. Maria Novella bezig waren, gadesloeg. Maar die kerk werd gesticht in 1278 toen Cimabue acht en dertig jaar oud was!

End of Project Gutenberg's Italië in de Middeleeuwen, by H. B. Cotterill