Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)
c. 1330-1400; een eenvoudige en tamelijk onbeholpen navolging van den
noordelijken stijl), S. Giovanni e Paolo en S. Stefano (1333-'80?) Erg hersteld; ook een zware en plompe stijl).
Paleizen. Te Siena, waar ongeveer twee en twintig paleizen zijn, Palazzo pubblico (1289-1305) en Palazzo Buonsignori (c. 1350).
Te Bologna, Palazzo Communale (1290).
Te Florence, Palazzo Vecchio (1298-1314).
Te Pistoia, Palazzo Pretorio (c. 1350).
Te Venetië, waar ongeveer honderd paleizen zijn, Palazzo ducale (begonnen 1310) en vele andere (Sangredo, Morosini, Cà d'oro, enz.) van later dagteekening en zuiver Venetiaansch-Gotischen stijl; de buitengewone schoonheid van deze paleizen is ons allen bekend.
(3) Beeldhouwkunst.
Het belangrijkste feit in verband met de Italiaansche kunst van de dertiende eeuw is misschien het plotselinge optreden van een nieuwe sculptuur, en de vraag, vanwaar die zoo onverwachts verscheen, is een onderwerp, waarover zeer veel geschreven, maar ten opzichte waarvan nog zeer weinig bewezen is. Wij zullen ons dus ook tot eenige algemeene indrukken moeten beperken.
Het ruwe en dikwijls stuitend grillig karakter van de middeleeuwsche Italiaansche beeldhouwkunst, vooral waar zij onder Duitschen invloed geraakte, is dikwijls aangeduid en in de vorige hoofdstukken toegelicht.
Sommige zijn overtuigd, dat zij zelfs vóór de dertiende eeuw kenteekenen van een herleving kunnen aanwijzen en het is inderdaad vreemd, dat deze kunst, terwijl er nog zoovele prachtige voorbeelden bestonden van klassieke sculptuur (zooals sarcophagen, reliefs enz.), evenzeer zou zijn verdwenen, als de schilderkunst; maar zelfs indien de Romeinsche scholae een vonk van den ouden geest gedurende de Donkere Eeuwen hebben bewaard, dan schijnen toch alle sporen van haar invloed uitgewischt te zijn, en ondanks allen lof, die in den laatsten tijd aan sommige beeldhouwers, zooals Gruamons (c. 1170?) en Antelami (c. 1200) en den iets lateren Guido di Como en zijn zoon Guidetto, is toegekend, komt het mij toch voor, dat een beschouwing van hun werken te Lucca, Pistoia, Parma en elders den onbevooroordeelde zal overtuigen, dat deze voortbrengselen, ofschoon er in enkele figuren (b.v. Antelami's Ezechiël en Guidetto's Saint Martin te Lucca) eenige waardigheid ligt, tot dezelfde klasse behooren, als, laten wij zeggen, de Monza-lunette (p. 227) en dat zij staan aan het einde van een ontwikkeling en niet aan het begin van een nieuwe, daar zij geenszins voorloopers kunnen genoemd worden van dien beroemden Pisaanschen kansel, waaruit, gelijk een oude schrijver zegt, als uit een Ark de groote beeldhouwers van Toskane te voorschijn kwamen. De reliefs van dezen zeshoekigen kansel (zie plaat 61) vertoonen de eerste, echt artistieke behandeling van een Christelijk onderwerp in de beeldhouwkunst, en het plotselinge zonder aankondiging verschijnen van dit fraai ontworpen werk, dat getuigt van klassieke kunstvaardigheid in een tijd, toen in Italië (ten minste in Noord-Italië) de sculptuur in zulk een toestand van ontaarding verkeerde, is een hoogst merkwaardig feit. Wanneer men voor den kansel van Niccolò in het Baptisterium te Pisa komt te staan, nadat men de groteske voortbrengselen van zijn "voorloopers" heeft beschouwd, b.v. de bronzen deuren van Bonnanno in het zuidelijke transsept van den Duomo, ondervindt men dezelfde gewaarwording, als ik eens heb ondervonden, toen ik plotseling op weg naar zee, nadat ik langen tijd onder wilde stammen in Midden-Afrika in ballingschap had verkeerd, op het pad een porseleinen scherf zag liggen, misschien een stuk van een gebroken kop, dien een Arabische of Europeesche karavaan had laten vallen.
De dagteekening van dit werk van Niccolò Pisano, die c. 1278 stierf, is 1260. Sommige beweren, dat hij reeds goed bekend stond als bouwmeester en dat men van zijn diensten als zoodanig heeft gebruik gemaakt voor den Duomo te Pisa en evenzoo te Siena. Maar hiervoor schijnt geen voldoend bewijs te bestaan, en het is waarschijnlijk, dat deze kansel hem het eerst bekend heeft gemaakt. De vraag is, waar en hoe heeft hij zijn wondere bekwaamheid verworven?
Vasari vertelt, dat Nicola (Niccolò) als leerjongen in dienst was bij zekere scultori Greci, aan wie de versiering van den Pisaanschen Dom en het Baptisterium was opgedragen en dat hij zijn bekwaamheid heeft verworven door het bestudeeren van de Grieksche sarcophagen en monumenten, die in of bij deze gebouwen stonden, of in de muren werden gebouwd [473]; en dat hij in het bijzonder figuren bestudeerde en copieerde van "de jacht van Meleager op het wilde zwijn", die op een sarcophaag was gebeeldhouwd, "die door de Pisanen geplaatst was in den voorgevel van den Duomo en gebruikt was als tombe van de moeder van Gravin Mathilde". Er is in den Campo Santo een oude Romeinsche sarcophaag met zulk een relief, maar het vertoont geen inscriptie, zooals die, welke Vasari aanhaalt, en evenmin is er aan den kansel iets te zien, dat aan dit relief herinnert. Een andere sarcophaag (plaat 31) evenwel, die op de eene helft een relief heeft van Phaedra en Hippolytus, en op de andere helft de jacht op het wilde zwijn, draagt een inscriptie, die vermeldt, dat het de graftombe was van Gravin Beatrice, de moeder van Mathilde; en het vertoont figuren, waardoor Niccolò zonder twijfel geïnspireerd is. Er bestaat ook een groote en prachtige Grieksche vaas van Parisch marmer met een Bacchus-optocht, die zeer zeker in verschillende opzichten invloed op hem heeft uitgeoefend, vooral wat betreft zijn Hoogepriester. Maar het wondere relief van Niccolò bevat geen rechtstreeksche navolging. Desalniettemin zal iedereen, die de onbeschrijfelijke bevalligheid en waardigheid van de antieke sculptuur voelt, dadelijk denzelfden geest herkennen, misschien niet wat betreft de artistieke compositie, hetgeen zulk een merkwaardige karaktertrek van het beste oude relief is, maar wel ten opzichte van de schoonheid, de waarheid, de krachtige vormen en de edele uitdrukking. Door een zekere wonderlijke, vernieuwende kracht worden de goddelijke, engelachtige en heilige personae van de Christelijke hiërarchie aan ons voorgesteld als waarachtige Grieksche godheden, helden en heldinnen, en niet, zooals wij soms op oude mozaïeken zien, in een vermomming van klassieke wapenrusting of opschik. De Madonna, die blijkbaar onder den invloed van de Phaedra op de sarcophaag is gebeeldhouwd, heeft het koninklijke gelaat en de houding van Juno. Gabriel gelijkt op een herboren Mercurius en de Magiërs herinneren ons aan Minos of den ouden koning Priamus. Zelfs de paarden van de Magiërs doen aan Phidias denken.
Indien men er over begint te denken, hoe het mogelijk is dit alles tot stand te brengen door een eenvoudige bestudeering van zekere oude reliefs en beeldhouwwerken, is men geneigd die schrijvers gelijk te geven, die verzekeren, dat een scherp criticus over een dergelijke bewering moet lachen. Maar er zijn mogelijkheden in de sfeer van den menschelijken geest, waar dergelijke philosophen niet van droomen, en ofschoon de volgende theorie zeer vernuftig is bedacht, meen ik toch, dat men de gunstige ontvangst van deze theorie in sommige kringen moet toeschrijven aan de geestdrift, die altijd gepaard gaat met de ontdekking van iets, wat later een ongerijmdheid blijkt te zijn.
Men leert ons, dat Niccolò van Pisa (op den kansel heet hij "Pisanus") van afkomst een Apuliër was. Een oud document noemt hem "Nicolaus Pietri de Apulia" en verzekert aldus vrij onduidelijk, dat of hij of zijn vader Petrus uit het zuiden kwam, of misschien dien bijnaam heeft gekregen, omdat een van beiden Apulië had bezocht. Men kan zich zeer goed bereid verklaren een van deze vier mogelijkheden te aanvaarden; maar wanneer men ons vertelt, dat Niccolò zijn buitengewone bekwaamheid als beeldhouwer heeft verworven in Zuid-Italië, vraagt men natuurlijk, welk bewijs er bestaat, dat de beeldhouwkunst in die streken en in dien tijd zoo ver gevorderd was, dat men deze mogelijkheid kan aannemen. Men herinnert zich de Siciliaansche mozaïeken en bronzen deuren, die zeer zeker onder Byzantijnschen invloed zijn vervaardigd, en een of twee keurig uitgevoerde reliefs en eenige belangwekkende voorbeelden van architectuur, maar verder niets behalve een enkelen kansel; en op dien kansel te Ravello (plaat 62) gronden deze schrijvers blijkbaar hun theorie dat Apulië de fons et origo was van de Toskaansche sculptuur.
Zonder twijfel bestaat er een zekere overeenkomst tusschen den kansel te Ravello en den Pisaanschen kansel, en de gedachte om de zuilen op leeuwen te laten rusten wijst in beide gevallen op Lombardischen invloed. Maar er is te Ravello, behalve eenige goed uitgevoerde borstbeelden, niets, dat eenige gelijkenis bezit met de Pisaansche beeldhouwwerken, en dit is toch juist het belangrijke punt.
Volgens de inscriptie op den kansel te Ravello heeft Nicolaus de Fogia Marmorarius dit werk gemaakt (hoc opus fecit) en men vertelt ons, dat deze Nicolaus nu Niccolò, de zoon van Bartolomeo van Foggia in Apulië (een geliefkoosde verblijfplaats van Frederik II) was, en dat hij ongetwijfeld een bloedverwant van dien Niccolò was, die naar Noord-Italië verhuisde en een dergelijken kansel te Pisa vervaardigde.
Dit alles is natuurlijk mogelijk; maar het komt mij inderdaad meer waarschijnlijk voor, dat onze Niccolò te Pisa is geboren en dat de woorden "Pietri de Apulia" moeten verklaard worden door de vooronderstelling, dat zijn vader een bezoek heeft gebracht aan Zuid-Italië en er misschien een tijdlang heeft gewoond; Pisa toch bezat in dien tijd een groote maritieme macht en stond in voortdurende verbinding met de havens van Zuid-Italië. En wanneer ik bedenk, dat het jaartal van den kansel te Ravello zeer zeker 1272 is, dan lijkt het mij redelijk toe te vooronderstellen, dat Niccolò, indien hij er eenigzins mee in verband stond, of een leerling van hem, naar Ravello ontboden is (of naar Napels, waarheen Giotto later geroepen werd) en het werk heeft ontworpen of misschien zelfs uitgevoerd volgens hetzelfde plan als dat van den Pisaanschen predikstoel.
Hoe dit ook zij, het staat vast, dat Niccolò de stichter was van die Toskaansche School van groote beeldhouwers, waarvan Michelangelo misschien de grootste is geweest.
Met medewerking van zijn zoon Giovanni heeft Niccolò ook (1265-'68) den prachtigen predikstoel te Siena (plaat 63) vervaardigd en het relief boven den ingang van den Duomo te Lucca, dat de afneming van het kruis voorstelt; dit laatste relief wordt door sommige beschouwd als het beste beeldhouwwerk van de dertiende eeuw. Verscheidene andere mooie werken worden aan hem of aan Giovanni toegeschreven. (Voor het beeldwerk op de tombe van St. Dominicus zie men plaat 52 en de Verklaring der illustraties). Een leerling van Giovanni was Andrea Pisano (1273-1348), de medewerker van Giotto aan den Campanile en de maker van een der prachtige deuren van het Florentijnsche Baptisterium.
(4) Schilderkunst.
Het ligt geenzins in mijn bedoeling biografische bijzonderheden te vermelden, die gevonden kunnen worden in de talrijke boeken over de vroeg-Toskaansche kunstenaars, en daar de duizend jaren, waarover in dit werk gesproken wordt, zich niet uitstrekken tot het einde van Giotto's leven, komt het mij beter voor beschouwingen over den oorsprong van de Italiaansche schilderkunst uit te stellen, totdat het werk van Giotto en de latere ontwikkeling daarvan kan behandeld worden. Wij zullen ons dus beperken tot zekere punten, die samenhangen met de vraag, of Florence inderdaad de bakermat van deze nieuwe schilderkunst was of niet, terwijl wij maar aannemen, dat niemand den moed zal bezitten te ontkennen, dat die kunst in Toskane is geboren.
Dat de herleving van de beeldhouwkunst vooraf is gegaan aan de nieuwe geboorte van de schilderkunst in Italië, moet men natuurlijk toeschrijven aan het feit, dat er nog oude standbeelden, sarcophagen en andere monumenten over waren, en geen antieke schilderstukken, behalve die te Pompeii en elders, die nog niet opgegraven waren. En laten wij eerst beslissen, of wij mogen spreken van de nieuwe geboorte of beter de hernieuwing van de schilderkunst ter onderscheiding van de herleving van de beeldhouwkunst. Moeten wij aannemen, dat het leven in de schilderkunst geheel en al verdwenen was? Moeten wij de Byzantijnsche schilderkunst beschouwen als een schitterende mummie, die echter niet in staat was eenige levenskrachtige vonken over te brengen? Moeten wij de vooronderstelling verwerpen, dat de Romeinsche en Toskaansche mozaïeken den afgrond van meer dan duizend jaren overbrugden en het voor andere, Cimabue b.v., zeer gemakkelijk maakten om hun weg te vinden naar de Stad der Schoonheid? Mogen wij beweren, dat het genie alleen in staat is alle afgronden te overbruggen en geen hulp noodig heeft, maar volkomen onafhankelijk van de wet der natuurlijke ontwikkeling, die een afbreking van de continuïteit verbiedt, de kracht bezit tot artistieke creatie? Ik meen werkelijk, dat wij dit mogen aannemen.
In Toskane schijnt in het begin van de dertiende eeuw de Byzantijnsche stijl overheerschend te zijn geweest. Daar deze stijl zonder twijfel via Venetië in Noord-Italië is ingevoerd, moeten wij er ons over verbazen, dat die stijl zich niet verder in Lombardije heeft verspreid. Maar het is een feit, dat in Lombardije in dien tijd noch de Byzantijnsche, nog eenige andere stijl de overhand had, daar de schilderkunst zelf ternauwernood bestond [474]. Te Florence daarentegen was het aantal kunstenaars zoo groot, dat, toen Dante jong was, daar meer dan twintig maestri, naar men vertelt, ateliers hadden, waarvan er misschien vele in de oude Via de' Pittori waren. En dit waren zonder twijfel allen "Grieken", of anders Italianen, die de techniek en de tradities van de Byzantijnsche schilderschool hadden bestudeerd; en wat deze techniek en deze tradities waren, hebben wij reeds gezien.
Tot de leerlingen van een dier schilders [475] behoorde zeer waarschijnlijk de jonge Giovanni Cenni, die beter bekend is onder zijn aangenomen naam Cimabue, die "geboren was", zoo Vasari terecht zegt, "om het eerste licht over de schilderkunst te verspreiden", of, zooals wij misschien mogen zeggen, om de mummie van de Byzantijnsche kunst met nieuw leven te bezielen.
Dit nieuwe licht, of nieuwe leven, deze wondere eigenaardigheid, die zelfs de vroegste pogingen van de nieuwe school onderscheidt van de schilderstukken van de voorafgaande "Grieksche schilders", kan gevoeld, zoo niet beschreven worden, door hem, die in een ontvankelijken, vrijen geestestoestand een half uur in de tegenwoordigheid van de Madonna Rucellai doorbrengt, nadat hij tevoren eenige Byzantijnsche figuren heeft beschouwd.
Het onderscheid is misschien niet zoo duidelijk als het verschil, dat wij opmerken, wanneer wij den Pisaanschen kansel met de reliefs van Antelami op het Baptisterium te Parma vergelijken, maar het is, naar mijn meening, even wezenlijk. Het is het onderscheid tusschen hetgeen leven, of in ieder geval, levenskracht bezit, en hetgeen levenloos is.
Het voornaamste werk van Cimabue stond waarschijnlijk in verband met de beroemde fresco's te Assisi, waar Giotto het eerst onder zijn leiding werkte; maar van het werk van den ouden meester kan men weinig of niets met zekerheid herkennen. Ook van de talrijke altaarstukken, die Vasari aan hem toeschrijft, zijn nog slechts drie over. Een is in het Louvre; de twee andere zijn te Florence, namelijk datgene, dat hij schilderde voor de kerk della Trinità en dat nu in de Accademia naast een dergelijk werk van Giotto hangt, en de prachtige en edele Madonna van de Cappella Rucellai, die geschilderd werd voor de S. Maria Novella en daar nog te zien is.
Sceptici van later dagen, voornamelijk Duitschers, hebben beweerd, dat Cimabue geen van deze drie stukken heeft geschilderd en op grond van een oud document, dat een opdracht vermeldt, die door de monniken van de S. Maria Novella aan den Sieneeschen schilder Duccio wordt gegeven, dringen zij er op aan, dat wij zullen gelooven, dat Duccio deze Madonna van de Cappella Rucellai heeft geschilderd. Het is onmogelijk om hier mijn meening met bewijzen te staven. Ik kan alleen mijn overtuiging mededeelen. Duccio's groote "Ancona" met de zes en twintig tafereelen uit het leven van Christus vertoont, ofschoon het houterig en slap van uitvoering is, toch in zijn pogingen om levendigheid in de uitdrukking te bereiken zonder twijfel den invloed van den nieuwen stijl (meer van Giotto dan van Cimabue); maar deze "Ancona", zooals een dergelijk altaarstuk wordt genoemd, werd niet voor 1311 ongeveer geschilderd, en vroegere schilderstukken van dezen meester, die men in de Galerij te Siena kan zien, wijzen erop, dat hij zich toen nog geenszins had bevrijd van de kluisters der Byzantijnsche kunst. Men kan er niet aan twijfelen, dat er ook te Siena aan het einde van de dertiende eeuw eenige schilders, zooals Guido en Duccio leefden, die onder den invloed van de nieuwe beweging waren gekomen; maar het komt mij voor, dat wij zonder aarzeling kunnen ontkennen, dat wij door de kracht der bewijzen gedwongen zijn Siena, en niet Florence, als de bakermat van de nieuwe schilderkunst te beschouwen.
VERBETERINGEN.
Blz. 2, regel 9 v. o.: Galerius' zoon stierf later. Lees: Galerius stierf kort daarna.
Blz. 14, regel 12 v. b.: Majorianus. Lees: Marjorianus.
Blz. 40, aanteekening 1: bij de stichting. Lees: door de stichting.
Blz. 49, aanteekening 1: domkerk. Lees: koepelkerk.
Blz. 49, regel 7 v. b.: Valentianus. Lees: Valentinianus.
Blz. 137, tusschen regel 17 en 18: Voeg in: IV. De Byzantijnsche Overheersching.
Blz. 220, regel 6 v. o.: en dat. Lees: dat.
Blz. 241, regel 11 v. b.: (fig. 10). Lees: (plaat 10).
Blz. 244, tusschen regel 13 en 14: (Vroeg-Rom.). Lees: (Vroeg-Romaansch).
Blz. 274, regel 12 v. o.: 1222-24. Lees: 1202-04.
Blz. 288, aanteekening 2: pl. 283. Lees: p. 283.
AANTEEKENINGEN
[1] Maar de Karolinger Lodewijk II had het recht aan zijn kant, toen hij, in antwoord op een hooghartig schrijven van den Byzantijnschen Keizer Basilius, verklaarde dat de "Keizers" van het Oosten geen Imperatores Romanorum waren.
[2] Thou nameles column with the buried base, Byron, Childe Harold's Pilgrimage IV, 110, 2.
[3] In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op de doorwrochte studie van E. Meyer (Kleine Schriften) Die Sklaverei im Altertum. (Vertaler).
[4] Een van de meest interessante forten lag bij Kaiseraugst (Colonia Augusta) bijna 20 K.M. stroomopwaarts van Basel, gebouwd in 27 v. Chr. Het was voorzien van een ruim en stevig theater, dat onlangs volledig is uitgegraven en gerestaureerd.
[5] De Noordsche Mythologie van het Walhalla is zeker veel bekender in haar Skandinavischen dan in haar Germaanschen vorm en schijnt te wijzen op Skandinavië als haar oorsprong. Maar dit moet men misschien toeschrijven aan het feit dat het heidendom veel langer in Skandinavië heeft bestaan en zich ontwikkeld heeft in een prachtige litteratuur, de Edda's.
[6] Jordanes (zie Index) verzekert, dat Gepidae beteekent "treuzelaars" en dat het schip, hetwelk dit deel van het volk over de Oostzee bracht, "achteraan kwam".
[7] Hermanric = Leger-man-vorst. Het woord ric, rik, rick dat men vind in Alaric, Theodoric etc. beteekent "rijk, machtig". Het woord Recke (een vorst of held, tegenwoordig beteekent het reus) in het Nibelungenlied hangt daar blijkbaar mee samen en misschien ook het Latijnsche rex.
[8] Men zegt dat hij de boeken van Samuel en de Koningen niet wilde vertalen, uit vrees, dat zij tot den oorlog zouden opwekken. Daar hij tot 380 leefde, was hij waarschijnlijk onder de vluchtelingen, die den Donau overstaken in 378.
[9] Toen Radegast op een van zijn veldtochten Rome bijna bereikt had, beloofde hij de Romeinsche senatoren aan eenige Noordsche Goden te zullen offeren--aan Thor en Wodan misschien.
[10] De Sueven stichtten een Koninkrijk in het tegenwoordige Portugal.
[11] De huidige Hongaren, die ten onrechte hun afkomst van de Hunnen afleiden, zijn Magyaren, die c. 900 n. Chr. de oudere bewoners van Hongarije, waarschijnlijk Avaren, verjoegen. De naam Hungaar of Ongar, door de Slaven aan de nieuwaangekomenen gegeven, heeft waarschijnlijk niets te maken met "Hun", maar beteekent Ugraan of Ograan.
[12] "Tartaar" is een incorrecte vorm voor "Tatar" ontstaan uit het woord Tartarus (Hel).
[13] Sommigen denken dat dit de ronde Kerk van de Opstanding is, die in 1808 bijna geheel afgebrand is. Anderen gelooven, dat de "Dom van de Rots" (Moskee van Omar), die naar men zegt op de plaats van Salomo's tempel staat, oorspronkelijk de Constantijnsche Kerk van het Heilige Graf is; maar het tegenwoordige gebouw dateert van de 7e eeuw en is waarschijnlijk van Mohammedaanschen oorsprong, en staat op de rots, van welke Mohammed naar den hemel opsteeg. Men kan het herkennen op Raffael's Sposalizio en andere schilderijen.
[14] Door sommigen verklaard als een phenomeen van zonnestralen. Misschien was ook het labarum-monogram [Figuur] oorspronkelijk een zonne-symbool, b.v. [Figuur]
[15] Zie Plaat 2 en de verklaring.
[16] Het labarum, het Kruis en het monogram vindt men op de munten van de Christelijke Keizers en soms ook de bekende woorden In hoc signo vinces of vincas.
[17] In één van zijn Orationes ad Sanctos beroept hij zich op de 4e Ecloga van Vergilius, waar de heidensche dichter blijkbaar een profetie geeft van den komenden Messias. Het is zeer wel mogelijk dat Vergilius de Sibyllijnsche Boeken heeft ingezien, waarvan er 2000 werden verbrand door Augustus en die wellicht o.a. uittreksels van Joodsche profetiën bevatten. St. Augustinus en anderen van de eerste Christelijke schrijvers halen de Sibyllae met eerbied aan. In de Italiaansche kunst worden zij dikwijls afgebeeld met de Joodsche profeten of met engelen, zooals in de Sixtijnsche Kapel en op een fresco van Raffael in S. Maria della Pace te Rome.
[18] Gedurende vele eeuwen werd de eeredienst van den zonne-god verward met dien van Jehovah en van Christus, vgl. Grieksch: Helios met het Joodsche El, Elias etc. Zelfs tegenwoordig verwart de Grieksche eilander Helios met Elias. In Ierland moest St. Patrick preeken tegen zonne-vereering.
[19] Op de munten van Constantijn wordt de zon genoemd "den onoverwonnen bondgenoot" een uitdrukking van den cultus van Mithras, den zonnegod, en een toespeling op den jaarlijkschen terugkeer van de kracht van de zon na den zonnestilstand.
[20] Deze groote spijkers, die voor de kruisiging gebruikt waren, had volgens de overlevering Helena gevonden. Constantijn zou er een voor een gebit van zijn krijgsros gebruikt hebben; doch dit lijkt ongelooflijk.
[21] Merkwaardig is de heftigheid, waarmee de interne twisten weer losbreken, nadat het Christendom door Jovianus hersteld is.
[22] Jovianus vereerde Athanasius bijna als een god.
[23] Men moet hierbij opmerken, dat door de stichting van Constantinopel, waar Constantijn veertien belangrijke kerken oprichtte en zijn nieuwe gebouwen versierde met vele oude kunstwerken van Griekenland, Rome zich niet alleen ontzet voelde uit haar positie als politieke metropolis, maar ook, als de zetel van de opvolgers van den Heiligen Petrus, gekrenkt was door het mededingende patriarchaat en nog meer door de poging van Constantijn om zichzelf Hoofd van de Kerk te maken.
[24] De vervolging van de "Katholieken" door Gaiserik en zijn opvolgers was verschrikkelijk. De naam "Katholiek" waarop de Trinitariers aanspraak maakten, is pas gerechtvaardigd na het verdwijnen van het Arianisme.
[25] Al de ketterijen, waartegen de Athanasische orthodoxie heeft gestreden, hier op te noemen is onmogelijk. Alexandrië was voortdurend het strijdperk van bloedige conflicten. Men denke aan Hypatia en haar moordenaar, den patriarch Cyrillus.
[26] In het voorbijgaan moet opgemerkt worden dat niet eerder dan in de 10e of 11e eeuw de Götterdämmerung nacht is geworden en de Olympische Goden naar de duistere onderwereld zijn afgedaald. Toen eerst breide het Christendom zich uit over zulke landen als Bulgarije, Hongarije, Saksen, Denemarken, Skandinavië en Rusland. Iersch en Britsch--en zelfs Anglikaansch--Christendom bestond reeds veel vroeger.
[27] Plotinus wilde niet dat men een afbeelding van hem zou maken, daar deze de herinnering aan zijn betreurenswaardig lichaam zou bestendigen en vermeed elke vermelding van den dag of plaats zijner geboorte, als dingen die te duister en ellendig waren om aan te denken.
[28] Mede-studenten van Julianus te Athene waren St. Basilius en de geleerde, welsprekende Gregorius van Nazianzus (in Cappadocië), later patriarch van Constantinopel, wiens vernietigend verslag van Julianus' karakter zeker moet worden toegeschreven aan den afval des keizers.
[29] De ceremonie van het afscheren van den philosophen-baard en het verwisselen van het Socratische kleed met de militaire en koninklijke uitrusting amuseerde een paar dagen lang het wufte hof.
[30] Fragmenten van Julianus' Verhandeling tegen de Christenen, opgesteld tijdens zijn toebereidselen voor den Perzischen oorlog, zijn nog over.
[31] De prachtige en verwijfde Aziatische kleederdracht, de krullen en het blanketsel, de sieraden aan hals en arm, dat alles, zoo belachelijk bij Constantijn, werd door den philosoof Julianus verworpen. Men zegt, dat hij gewoonlijk op den grond sliep, zelfs in het prachtige paleis te Constantinopel. Zijn afkeer om het zich gemakkelijk te maken, leidde dikwijls tot het niet in acht nemen van de voorschriften der reinheid. In zijn Misopogon (de baard-hater d.i. de philosophen-hater, een satire tegen het volk van Antiochia dat zijn gewoonten en slordig uiterlijk had bespot) spreekt hij met genoegen en trots over zijn lange nagels en zijn zwarte handen en zijn ruigen "dichtbevolkten" baard.
[32] In zijn brieven aan den Senaat volgt hij Caesar's stijl na en Libanius zegt dat hij, zooals Caesar, een verhaal heeft geschreven van zijn Gallische oorlogen. Zijn meeste werken zijn in 't Grieksch. Onze kennis van zijn Gallische en Perzische veldtochten danken wij voornamelijk aan het Latijnsche werk van Ammianus.
[33] Hij was reeds een gekroonde Koning voor zijn geboorte, daar de Magiërs den kroon plaatsten op het lichaam van zijn moeder.
[34] Bijgeloovige vrees voor hekserij en magische boeken schijnt in dezen tijd de Romeinsche wereld te vervullen. Hieraan is het verdwijnen van menig philosophisch werk te wijten.
[35] Hij verwekt eerst opschudding door het ambt van Pontifex te weigeren. Zijn ijver om tempels en beelden af te breken werd waarschijnlijk aangevuurd door de Gallische heiligen, Hilarius van Poitiers en Martinus van Tours.
[36] Misschien in de ronde koepelkerk van St. George, de oudste wellicht van alle bestaande prae-Byzantijnsche Kerken, dateerend van 400 of iets vroeger.
[37] St. Augustinus, die nu 33 jaar oud was, en onlangs door St. Ambrosius was bekeerd, werd juist in dit jaar 387 door hem in Milaan gedoopt.
[38] Zie Plaat 4 en verklaring.
[39] Het Ambrosiaansche gezang wordt nog gehandhaafd in de Kerk van Milaan.
[40] Of slechts Van Dijk's schilderij in de "National Gallery" te Londen, of Rubens' prachtig schilderij te Weenen.
[41] Deze brief bestaat nog (Ep. Ambr. 951). Wij zouden wenschen dat hij bij deze gelegenheid het buiten een visioen had kunnen stellen.
[42] Dit gebeurde waarschijnlijk in het prachtige atrium, dat nog voor een gedeelte bestaat, voor de portico van de boetelingen. Anderen verplaatsen de handeling naar de oude Basilica Porziana (S. Vittore).
[43] Dit leger, gedeeltelijk aangevoerd door den beroemden Stilicho, was bij deze gelegenheid zeer versterkt met West-Goten en Oosterlingen, die met wederzijdsche verbazing naar elkander keken.
[44] B.v. de oorspronkelijke gebouwen van het Lateraan (S. Giovanni in Fonte, waar Constantijn, naar men geloofde, gedoopt was door Silvester); de oude basiliek van S. Pietro in Vaticano (waar Karel de Groote werd gekroond in 800) gebouwd op de plaats van den grooten circus, waar men zegt dat Petrus gekruisigd is; de basiliek van S. Paolo fuori le mura, gebouwd op de plek, waar Paulus misschien geleden heeft, nabij de Via Appia; S. Croce in Gerusalemne, naar men zeide gebouwd door Helena om het ware kruis te bewaren, dat zij te Jeruzalem had gevonden (het opschrift bestaat nog onder de vele reliquieën in deze Kerk). Van zeer vroegen datum is S. Maria Antiqua, oorspronkelijk de bibliotheek in het paleis van Augustus, en onlangs opgegraven.
[45] Dit verklaart waarschijnlijk het feit, dat, ofschoon vele Kerken gebouwd zijn op de plaatsen van afgebroken tempels, in Rome slechts weinige tempels (vele in Syrië en andere provinciën) in Kerken zijn veranderd. Het Pantheon, nu het eenige ongeschonden oude gebouw in Rome, stond jarenlang ongebruikt. Het werd door Phocas aan den Paus gegeven en aan alle Heiligen gewijd in 609 onder den naam van S. Maria ad Martyres.
[46] Een van de meest belangrijke van deze was, en is nog, het voetstuk van den drievoet, die door de Grieken na den slag bij Plataeae te Delphi is gewijd. De Athene Parthenos van Phidias werd ook hierheen gebracht. Het is vernield door de Kruisvaarders in 1204, die erger barbaren bleken te zijn dan de Vandalen of de Hunnen.
[47] De algemeene opinie, die aan de vroege Kerk de roekelooze verwoesting van oude monumenten toeschrijft, is allerminst gerechtvaardigd. De meeste van de tempels waren nog lang in gebruik na de erkenning van het Christendom, en toen zij ten slotte werden gesloten, zijn zij nog lang onderhouden op kosten van een Christelijke Kerk. Gregorovius evenwel, een gezaghebbend schrijver, geeft, wanneer hij over Gregorius den Groote spreekt, den Christelijken fanatieken de meeste schuld.
[48] Waarschijnlijk was geen van beiden de oorspronkelijk bibliotheek van de Ptolemaeën. Eén werd er door de Arabieren in 651 verbrand.
[49] Van Brittannië kwam St. Patrick, aan wien de bekeering van Ierland gewoonlijk wordt toegeschreven. Hij was in Noord-Brittannië geboren, gevangen genomen door Iersche zeeroovers, en zes jaar slaaf in Ierland; hij ontsnapte naar Gallië, waar hij blijkbaar bij St. Martinus van Tours was, en keerde (c. 432) over Brittannië naar Ierland terug. Men moet opmerken, dat noch de oude Iersche noch de Britsche Kerk gevestigd is door de pauselijke Roomsche Kerk. Waarschijnlijk bestond het christendom in Ierland reeds vóór St. Patrick.
[50] In het voorbijgaan kan gewezen worden op een herleving van het oude bijgeloof, zooals b.v. het zgn. kleed van den Heiligen Johannes, dat buiten de deur van het Lateraan werd geschud om in tijden van droogte regen te brengen--misschien met hetzelfde succes, dat de lapis manalis van het oude Rome had, of de tegenwoordige regendokter in Afrika bereikt.
[51] Ook in praehistorische Kretische graven zijn zulke fetischen gevonden, die wijzen op een geloof in wonder-genezingen, zooals modellen van handen, voeten enz.--blijkbaar dankoffers, zooals men nu nog in de Roomsch-Katholieke Kerken kan zien. In de Grieksche geschiedenis vinden wij veel van dien aard, in verband met de Orphische en andere mysteriën.
[52] Ongeveer 750, zegt Gregorovius, brachten lange reeksen van wagens voortdurend van de Campagna en de Catacomben geweldige massa's schedels en skeletten naar Rome, die de Pausen sorteerden, etiquetteerden en voor uitvoer verkochten. De plundering van graftomben en het in stukken deelen van geraamten echter voor export en verkoop aan pelgrims was nog weinig en vogue in Rome vóór de 8e eeuw. De oudste Kerken werden gebouwd over de tomben van martelaren en men droeg er groote zorg voor het graf niet te schenden, dat dikwijls zichtbaar was door een traliewerk in het altaar--het "venster van de belijdenis." Zakdoeken etc. die men met de graftomben in aanraking bracht, verkregen de wonderkracht van echte reliquieën. Zij werden "brandea" genoemd en uitgevoerd.
In het grootste werk over de oude Christelijke Kerk, de Civitate Dei, verzekert St. Augustinus, dat ontelbare mirakels tot stand kwamen door zulke "brandea" van de tombe van St. Stephanus, wiens lijk bij Jeruzalem was ontdekt (in een visioen). In zijn eigen diocese hadden volgens zijn verklaring meer dan zeventig mirakels plaats op die wijze, waaronder drie verrijzenissen uit den dood; ook de handel in heilige olie (van de lampen, die vóór de tomben der Heiligen brandden) was zeer groot. Meer dan zeventig fleschjes (ampullae) van wonderdadige olie werden door Theodelinda voor haar Monza-Kathedraal gekocht en eenige zijn er nog van over.
[53] Abyssinische kloosters staan nog onder wetten, die zeer veel gelijken op die van Pachomius en Antonius.
[54] Bij dezen inval nam Alarik Athene in, maar plunderde het niet, ofschoon hij waarschijnlijk den beroemden tempel te Eleusis in brand stak.
[55] Constantijn vaardigde in het jaar van het Concilie te Nicaea een edict uit, waarin hij deze schouwspelen afkeurde, in "vredestijd". Ook dit is een bewijs van een groote verandering in zijn gevoelens, want voordat hij het Christendom aannam, had hij in de arena te Trèves (Trier) zooveel gevangen barbaren laten optreden, dat zij door hun aantal den razenden wilden beesten te talrijk waren. Cicero vertelt ons, dat zulke vertooningen in zijn dagen zelfs sommigen menschen wreed en onmenschelijk leken, maar hij verdedigt het, zooals velen tegenwoordig den oorlog verdedigen, als een uitstekende school voor tucht en dapperheid.
[56] Gevechten tusschen wilde beesten duurden nog voort, maar schijnen afgeschaft te zijn door den "barbaar" Theoderik en andere Gotische, Lombardische en Frankische veroveraars, die daarvoor tournooien in de plaats hebben gesteld. In 't Oosten werden wilde-beesten-gevechten door een Concilie in het jaar 700 ongeveer verboden. Stierengevechten zijn de meest weerzinwekkende en verachtelijke overblijfselen van zulke wreedheden.
[57] Dante, Inf. XIII. 143, Par. XVI. 47.
[58] De Spanjaard Orosius (schrijver van zeven boeken ter verdediging van het Christendom) en zijn vriend St. Augustinus schreven, toen zij in Afrika waren, een verslag van deze belegering (de civitate Dei V. 23.).
[59] Arcadius, de Keizer van het Oosten, stierf in Mei 408 en Stilicho in Augustus. Maria was gestorven en Stilicho had zijn tweede dochter, Thermantia aan Honorius uitgehuwelijkt.
[60] Gebouwd door Bisschop Ursus vóór 396; afgebroken c. 1734 om den tegenwoordigen Duomo te bouwen. Dicht bij den campanile staat het beroemde Baptisterium van de Orthodoxen, dat in Stilicho's dagen waarschijnlijk nog een Romeinsch bad was. (Zie pl. 10 en Verklaring).
[61] Voor Rome uit dien tijd zie Gibbon (c. XXXI) of Gregorivius' uitvoerig werk over Rome in de Middeleeuwen. De bevolking was toen misschien 2.000.000 en de exodus was geweldig. St. Hieronymus zegt, dat men in het Oosten overal vluchtelingen uit Rome zag.
[62] Rome schijnt een ernstig beroep te hebben gedaan op de oude goden om haar te helpen tegen den Christelijken barbaar Alarik. Zosimus "de kwaadaardige heidensche historieschrijver" zegt dat zelfs de Paus den Etruscischen toovenaars toestond hun kunsten te beproeven, om (zooals Numa) den bliksem van den hemel te lokken en tegen de vijanden te richten--misschien een vooruitloopen op de artillerie.
[63] De Oostersche cultuur van de XIe en XIIe eeuw stond hooger dan de Westersche en misschien kunnen de Mohammedanen in hun kronieken de kruistochten met evenveel recht barbaarsche invallen noemen, als de Westersche volken de invallen der Turken [Vertaler].
[64] Men is geneigd hier tusschen te voegen "belachelijke". Het is beter den armen Attalus in een noot af te maken. Hij werd òf door Athaulf teruggestuurd, òf bij zijn poging om te ontsnappen, op zee overvallen door de vloot van Honorius, die hem in triomf, op een kar gebonden, ten toon stelde, daarna twee van zijn rechtervingers liet afhakken en hem naar een van de Liparische eilanden zond.
[65] Pala = schop; het woord wordt ook gebruikt voor een schopvormig (schilder)stuk.
[66] Een dergelijk verhaal bestaat ook over de tombe van Karel den Groote te Aken.
[67] Zooals men weet, wordt de titel "roede van den toorn Gods" door den profeet Jesaja aan den Assyrischen koning gegeven. [Vertaler]
[68] Quell' Attila che fu flagello in terra (Dante, Inf. XII 134). Het epitheton flagellum Dei vindt men niet bij Schrijvers uit dien tijd. De tegenwoordige Hongaren, die ten onrechte zich afstammelingen van de Hunnen noemen, verzekeren, volgens Gibbon, dat de titel aan Attila door een kluizenaar in Gallië gegeven werd en dat hij dien aannam.
[69] Attila's gezanten moesten de volgende formule gebruiken: "mijn heer en uw heer, beveelt u....", en hij noemde Theodosius eens een ondeugenden slaaf, die tegen zijn meester een complot smeedde. Men vertelt, dat Attila te Milaan een schilderij zag, waarop Hunnen en Scythen knielden voor een Keizer, en daarop den schilder beval de houdingen te verwisselen.
[70] Aan hem kunnen wij de verwoesting van vele Grieksche tempels wijten, b.v. die te Olympia. Zijn gemalin Eudocia was reeds verbannen naar Palestina.
[71] In het Nibelungenlied en het Waltarilied (bekend bij de lezers van Scheffel's Ekkehard) heeft Attila of Etzel éen vrouw, Helche. Na haar dood dingt hij naar de hand van Chriemhilde, de Bourgondische prinses, die naar Etzelnburg gaat om hem te huwen.
[72] De Hunnen hadden een minachting voor het Grieksch en gebruiken liever Gotisch of Latijn, waar hun eigen taal niet begrepen werd. Latijn was de officieele taal in het grootste deel van het Oostersch Keizerrijk.
[73] Men zegt dat Attila eens de opmerking maakte: "Ik weet hoe ik menschen kan overwinnen, maar een wolf en een leeuw wisten, hoe zij den overwinnaar moesten overwinnen".
[74] Zie Plaat 8 en verklaring der illustraties.
[75] Cicero (in Verrem IV. 94) vertelt iets dergelijks van een bronzen beeld van Hercules te Agrigentum.
[76] Zie voor dezen naam de aanteekening bij munt 16, Plaat 9.
[77] Toch vertelt de schrijver dat hem iets dergelijks in Midden-Afrika is overkomen. De inboorlingen belegerden de versterkte plaats, waar hij zich bevond en vergiftigden de rivier, die de plaats van water voorzag, door de lijken van geslachte gevangenen erin te werpen.
[78] De nieuwe stad (Colonia Carthago), door Julius Caesar en Augustus gebouwd, stond niet, zooals sommigen meenen, op een afstand van de oude plaats (b.v. waar nu Tunis ligt), want de nog bestaande Romeinsche overblijfselen, het amphitheater, de groote Thermae, de circus, en de reservoirs, die gevuld werden door de reusachtige aquaeduct, die het water van de 90 K.M. verwijderde heuvels bracht, lagen allen binnen de oude muren, aan den voet van de acropolis en bij de haven. Dit Romeinsche Carthago, dat ongeveer een eeuw de hoofdstad van het Vandalenrijk was, wordt door verschillende oude schrijvers beschreven, die de prachtige gebouwen en de schitterende circus-spelen roemen en ook een nieuwe groote haven, vlg. de Appendix over Carthago in Cotterill's editie van het eerste boek der Aeneis (Blackie and Son).
Wat de aquaeduct betreft, ieder zwemmer zal met belangstelling de krachtproef lezen van Spendius en Mâtho in Flaubert's Salammbô. [Vertaler.]
[79] Daar Valentinianus in het begin van 455 gedood was en Gaiserik in Juni 455 bij Ostia landde, betwijfelde de groote Italiaansche historicus en archaeoloog Muratori (c. 1700) dit. Maar Gibbon herinnert ons aan de vijgen die Cato in de senaat op den grond wierp, terwijl hij uitriep: "Deze werden slechts drie dagen geleden te Carthago geplukt." Bovendien had Gaiserik zonder twijfel reeds strijdkrachten op Sicilië gereed.
[80] Vijlsel van de kettingen werd door de Pausen gebruikt als een zeer kostbaar geschenk.
[81] Verdere bijzonderheden over deze munten vindt men in de uitstekende catalogue of the Goths and Lombards van het Britsch Museum, door Mr. Wroth samengesteld en in het standaardwerk van Engel et Serrure Numismatique du moyen âge, Vgl. de aanteekeningen bij plaat 45 van de munten.
[82] De hoogste Romeinsche waardigheid na de keizerlijke. Gewoonlijk voerde de vader van den Keizer dien titel. Zeno besloot, dat niemand dien zou dragen, die niet consul, praefectus of magister equitum was geweest. In later tijden verleenen Pausen den titel "Patricius" aan sommige Duitsche keizers en andere monarchen.
[83] Zeno's opvolger Anastasius, verloor bijna de troon en zijn leven bij een oproer ontstaan door deze godsdiensttwisten--ditmaal liep de twist over de vraag of "een van de Personen van de Drieëenheid was gekruisigd of niet". Hij hield zich drie dagen verborgen en moest, beroofd van zijn insignia, en knielend voor een razende menigte van fanatieken, om zijn leven smeken.
[84] Zeno was door Basiliscus (broeder van Keizerin Verina) onttroond en verjaagd (475-477). Daarna was hij, gedeeltelijk door de hulp van Theoderik, weder op den troon geplaatst; hij nam Theoderik, die toen 23 jaar was, als zoon aan en gaf hem de titels van Patricius en Consul. (Odovacar had ook den titel van Patricius van Zeno gekregen!)
[85] De oude Duitsche ballade Rabenschlacht of "de strijd voor Rabene" (Ravenna) is gebaseerd op herinneringen aan bloedige uitvallen van Odovacar; maar in de ballade wordt de tijd van Attila en Odovacar hopeloos verward.
[86] Anastasius was een oude paleisdienaar, een Hesychopoios (die voor de stilte moet zorgen) van de Keizerlijke apartementen, met wien Zeno's weduwe, Ariadne, huwde. Hij regeerde ongeveer 28 jaar.
[87] Hij noemde den Keizer "den beschermer van de wereld" en verzekerde hem, dat zijn eigen regeering slechts "een nederige navolging is van het ééne groote Keizerrijk."
[88] Lilybaeum, de laatste bezitting der Vandalen op Sicilië, werd als huwelijksgeschenk aan Amalafrida gegeven.
[89] Procopius zegt, dat het gebeurde op aanstoken van Keizerin Theodora, die jaloersch was op Amalasuntha's schoonheid!
[90] Zijn naam beteekent misschien "Witte-Vorst" (Beli-tsar). Procopius was bij hem in Afrika. Justinianus had een casus belli gevonden tegen de Vandalen door partij te kiezen voor den verdreven Koning Hilderik, die Amalafrida, Theoderik's zuster, had laten dooden--een daad, die de heftige vijandschap tusschen de Goten en Vandalen ten gevolge had.
[91] De Petra pertusa, thans de Passo di Furlo (Lat. forulus), waar een tunnel van ongeveer 110 voet de rots in een nauw ravijn doorboort. Vespasianus had het laten maken, zooals een inscriptie nog vertelt. Dichtbij ligt Urbino, Raffael's geboorteplaats.
[92] De oude S. Ambrogio werd waarschijnlijk verbrand. Een gedeelte van de oude deuren kan men nog zien. Het tegenwoordige gebouw is Romaansch, uit het jaar 900 ongeveer. De oudste Kerk te Milaan, S. Lorenzo, van Byzantijnschen bouwtrant en een navolging van de S. Vitale (Ravenna) werd c. 560 gebouwd, gedurende de Byzantijnsche overheersching.
[93] Het karakter van Antonina, zooals het door Procopius in zijn Anecdota wordt geschilderd, is, naar wij hopen, erg zwart gemaakt. Zij was zeker frivole, en waarschijnlijk nog slechter, maar zij toonde ook grooten moed, oprechtheid, en kracht door het lot van haar man in Italië te deelen. Ook Theodora gedroeg zich bij vele gelegenheden moediger dan Justinianus, die meer dan eens uit Constantinopel wilde wegloopen.
[94] Zoo heet hij op zijn munten. (Zie Plaat 9, 21. Totila was misschien een titel of bijnaam "Dood-loos", zonder dood!)
[95] Latere middeleeuwsche schrijvers beschuldigen Totila van brandstichting en het vernielen van oude monumenten. Gregorovius en andere Duitsche schrijvers roemen natuurlijk zijn adel en heldenmoed. Maar zelfs de imperialistische Procopius prijst zijn bestuur. "Hij moedigde het landvolk aan het land te bebouwen en eischte van hen slechts, wat zij vroeger aan hun heeren betaalden." Hij maakte alleen aanspraak op de rijkdommen van deze groot-grondbezitters, en daar de Kerk een van de voornaamste latifondisti was geworden, had zij het zwaar te verantwoorden.
[96] Post quam devastationem XL aut amplius dies Roma fuit ita desolata, ut nemo ibi hominum nisi bestiae morarentur (Marcell. Conta, of hij, die zijn werk heeft voortgezet) En Rome anthropon oudena easas (Procopius.)
[97] Antonina schijnt weer verstandig te zijn geworden en de gevaren van haar man gedeeld te hebben; zij ging naar Constantinopel om versterkingen vragen, maar hoorde dat Theodora juist gestorven was (Juli 584) en dat Justinianus naar niets luisterde dan naar religieuze quaesties. Derhalve verzocht zij slechts, dat Belisarius teruggeroepen zou worden.
[98] Dit vertelt Paulus Diaconus (740-801), wiens "Geschiedenis van de Longobarden" onze voornaamste bron is voor de twee volgende eeuwen.
[99] Deze episode staat op de laatste pagina van den Gotischen Oorlog.
[100] Treffend is dit verhaal weergegeven door Felix Dahn, Ein Kampf um Rom.
[101] Er bestond in die tijd groote wrijving tusschen Justianus en de Romeinsche geestelijken, daar Justianus zich als hoofd van de kerk erkend wilde zien. Hij had Paus Vigilius zelfs naar Constantinopel ontboden, en, omdat hij recalcitrant was, voor een half jaar op een eiland gevangen gezet. De Paus stierf te Syracuse op zijn reis naar Italië in 555.
[102] Men zegt, dat hij Zuid-Italiaansche vruchten naar hen zond om hen te lokken, zooals avonturiers van de Noormannen Spaansche sinaasappels naar hun stamgenooten in Normandië stuurden.
[103] B.v. de "Liber Pontificalis", een werk door talrijke schrijvers samengesteld. Het is een belangrijke bron voor de Kerkgeschiedenis, vnl. van de negende eeuw. Een ander werk van denzelfden naam werd door Agnellus gecompileerd (c. 840), een priester van Ravenna, die veel geeft, wat van waarde is, ofschoon hij zeer naïef bekent, dat hij gewoon was, wanneer hij geen feiten kon ontdekken, zijn toevlucht te nemen tot het gebed om zijn verbeeldingskracht te bezielen.
[104] De vormen "Theoderik" en "Theodatus" (voor "Theodahad") zijn ontstaan uit het Grieksche en Latijnsche "Theodorus" en "Deodatus". Procopius schrijft Theuderichos en zonder twijfel komt Theuderik het dichtst bij het Gotisch. Vergelijk : Theudemir, Theudebald, Theudelinda enz. Theude zal wel het Gotische thiuda (volk) zijn. Vandaar is thiudsk (tedesco) diut-sch of deutsch de taal van het volk, ter onderscheiding van het Latijn. Diutrich (Dietrich) of Theode-rik beteekent dus "koning van het volk". Voor -rik vgl. p. 26 noot. Zie ook de munt van Theoderik, Plaat 9. 18 en Verklaring p. 104.
[105] Amala beteekent, zegt men, "macht". In het Nibelungenlied (dat op zeer oude sagen berust, ofschoon het gedicht in zijn tegenwoordigen vorm ongeveer 1200 ontstaan is) wordt Dietrich von Bern, zoon van Dietmar (d.i. Theoderik van Verona, zoon van Theodemir) der Amelunge genoemd en zijn mannen die Amelungen. Verona, niet Ravenna, wordt in de Germaansche sagen beschouwd als de hoofdstad van Dietrich. Hij had daar een paleis. Middeleeuwsche legenden geven hem de Arena als verblijf!
[106] In andere sagen wordt Dietrich met Siegfried zelf verward. Hij bezit tooverkrachten en verslaat draken.
[107] Zulke monogrammen komen voor op munten van Theodosius, Justinianus en andere Keizers, als ook op die van Odovacar (Plaat 9, munt 17), Athalarik, Baduila, Luitprand enz. en op munten van steden, zooals van Ravenna en Lucca. Theoderik's monogram ("Theodorus") is meestal zoo [Figuur]
[108] Ondanks alle plunderingen van Goten en Vandalen was er nog altijd in Rome, zegt Cassiodorus, een talrijk "volk" van standbeelden en "kudden" (bronzen) paarden.
[109] Procopius echter, hoewel vurig anti-Gotisch, zegt: "Theoderik was zeer rechtvaardig. Hij was in naam een tyran, doch in werkelijkheid een koning." Een inscriptie gevonden in de Pontijnsche moerassen noemt hem "semper Augustus" en in een van zijn latere edicten geeft hij zichzelf den titel "Romanus princeps."
[110] In het leger waren ook Romeinen, maar zij schenen trotsch te zijn op het privilege "Goten" genoemd te worden.
[111] Zijn geheimzinnig verdwijnen--zooals het overlijden van Koning Arthur--waarop in Germaansche sagen wordt gezinspeeld, moet men niet toeschrijven aan afgrijzen, maar aan de Germaansche voorstelling van hem als een grooten held.
[112] Later was het de kapel van het naburige Benedictijner-klooster; het werd ook langen tijd gebruikt als het Pantheon of S. Croce van Ravenna en was omgeven door vele graftomben.
[113] Op het zegel, niet in de afbeelding, staat in de zinspreuk, die Frederik Barbarossa aan de stad heeft gegeven na de vrede van Constanz. Dus kan het niet ouder zijn dan 1183. Maar het paleis bestond nog lang na Theoderik, en werd door de Longobardische en Karolingische Koningen gebruikt en later, nog in 1400, als vesting. Het werd afgebroken in 1801. Het gebouw op den voorgrond is een zuilengang verbonden aan de stadsmuren. De koepel en torens zijn waarschijnlijk Karolingisch.
[114] Teruggegeven aan de Katholieken na 540 en Spirito Santo genoemd. Theoderik's Baptisterium werd een kerk. Nu is er nog slechts de cupola van over met een prachtig mozaïek, Christus en de 12 Apostelen voorstellend.
[115] Het lijkt op het Maltezer kruis, en men kan het te Ravenna nog zien, ofschoon het later natuurlijk bijna "uitgeroeid" is.
[116] Apollinaris, de beschermheilige van Ravenna, was een leerling en vriend van den Heiligen Petrus en door hem uitgezonden om Noord-Italië te bekeeren. Hij werd door een bende heidenen doodgeslagen.
[117] Bij Dante (Inf. V. 121) is het niet alleen een weerklank, maar Francesca voelt even diep als Boëthius.
[118] Par. X. 125, waar St. Thomas van Aquino aan Dante de op een ster gelijkende ziel van Boëthius wijst en hem beschrijft als een, die aantoont, dat de wereld bedrog is voor hem die goed luistert.
[119] Zijn volledige naam is Magnus Aurelius Cassiodorus. Zijn vader bekleedde een hoog ambt onder Odovacar en Theoderik; zijn grootvader was een vriend van Aëtius en bezocht als gezant Attila.
[120] Vgl. Herodotus IV. 94-96.
[121] Het geheele werk over de Perzische, Vandaalsche en Gotische oorlogen van Belisarius bestaat uit acht boeken en het wordt (na 553) voortgezet door Agathias in vijf boeken.
[122] Ook Justinianus werd aangetast, maar herstelde.
[123] Camaldulensers, Vallombrosiërs, Kartuizers, Cisterciënsers. St. Macarius en St. Basilius hadden reeds een orde in het Oosten gesticht en ofschoon St. Augustinus (van Hippo) juist een halve eeuw voor de geboorte van St. Benedictus stierf en men zeide, dat hij een gemeenschap had samengesteld, bestond er geen Augustijner Orde voor de 9e eeuw, toen Leo III de geestelijkheid, die niet tot een orde behoorde, samenbracht in een orde onder den zgn. Augustijner Regel. Later deelden Innocentius IV en Alexander IV alle kluizenaars en onafhankelijke broederschappen bij dezelfde orde in. Om dit tot stand te brengen werd een wonder noodzakelijk geacht en St. Augustinus verscheen dan ook in een visioen en dreigde de weerspannigen met den geesel.
[124] Karel de Groote bevond, dat er geen andere monniken dan Benedictijnen in zijn rijk waren.
[125] Een andere lezing van de legende verzekert, dat de braamstruiken en doornboschjes, ijverig verzorgd, nog in den tijd van St. Franciscus bestonden; bij zijn bezoek aan Subiaco (1216) veranderden zij in rozen!
[126] De Sacro Speco heeft rotswanden versierd met de oude frescós, voornamelijk uit de 13e eeuw. In een van de zij-kapellen van de aangrenzende kerken is een oud portret van St. Franciscus zonder stigmata of nimbus, dus waarschijnlijk uit de tijd voor 1228.
[127] Waarschijnlijk zoo genoemd naar het land of huis (Campo of Ca' Maldoli), dat door een graaf van dien naam aan Romualdus is gegeven.
[128] Zie Dante, con il commento di T. Casini, Parad. XXII. 75.
[129] In de Middeleeuwen nam men algemeen aan, dat het Romeinsche Keizerrijk nog steeds bestond.
[130] Men leze het levendig verslag van de 4 partijen of race-clubs van den Romeinschen Circus (wit, rood, groen, blauw) en de onlusten ontstaan door de moorddadige veeten tusschen die partijen, bij Gibbon XL, 2, en de commentatoren op Juvenal. Sat. XI. 193 sq., verzen die, mutatis mutandis, nog heden van toepassing zijn. De uitroep "Nika" beteekent "Overwin!"
[131] Het Parthenon te Athene was reeds als kerk aan de Hagia Sophia gewijd.
[132] Op een van de groote mozaïeken wordt hij voorgesteld met een model van de kerk in zijn hand.
[133] Haar diadeem is rijk bezet met groote parels en edelgesteenten, zooals de latere Keizerskroon (zie fig. 19). Het haar met de lange oorhangers en den breeden kraag, maniakon, alles rijk voorzien van juweelen, vervangen volgens de nieuwe mode den breeden en zwaren gouden halsketting.
[134] De Saksen alleen bedroegen 20.000 man. Zij gingen later naar hun land terug. Alboin's geheele leger zal ongeveer uit 70.000 man bestaan hebben.
[135] De Grieksche titel "Exarch" werd aan de Byzantijnsche stadhouders in Afrika en later aan die in Italië gegeven. De eerste, die officieel dien titel droeg te Ravenna, was waarschijnlijk Decius (c. 584.) Het geheele Byzantijnsche gebied in Italië was in naam aan hem onderworpen en vormde het "Exarchaat", maar vele gedeelten waren feitelijk onafhankelijk.
[136] Als een bewijs voor de waarheid van deze geschiedenis verzekert Paulus Diaconus dat, toen hij als jonge man (dus c. 745) aan het hof van Koning Ratchis te Pavia was, de Koning na een feestmaal voor zijn gasten den beroemden beker te voorschijn haalde, dien Alboin had laten maken van den schedel van Cunimund, den Koning der Gepiden.
[137] De hertogen van Benevento en Spoleto waren blijkbaar de machtigste en onafhankelijkste. De namen van ongeveer 25 worden door de kroniekschrijvers vermeld.
[138] Een bewijs daarvan is het feit, dat in 579 de hertog van Spoleto Classe, de haven van Ravenna innam en negen jaren behield. En omstreeks 589 werd Monte Cassino door de Longobarden van Benevento geplunderd.
[139] In dezen tijd maakte Autharis volgens sommige kroniekschrijvers, een reis door zijn Koninkrijk en kwam zelf te Rhegium (Reggio) in Calabrië, waar hij, op het strand van de Middellandsche zee, met zijn speer de beroemde zuil zou hebben aangeraakt en zou gezegd hebben: "Dit is de grens van het rijk van Autharis." Maar misschien heeft men Reggio in Calabrië verward met Reggio in Emilia.
[140] Rome had nog een Byzantijnschen stadhouder en kommandant (Dux en Magister militum), die in naam onder den Exarch te Ravenna stonden, maar in de 7e eeuw zich langzamerhand meer macht aanmatigden, totdat Rome, na Venetië, de voornaamste Italiaansche republiek werd.
[141] Zij werden overwonnen door Heraclius, die na Phocas Keizer was (610-641) in het oosten. De overblijfselen van het ras vestigden zich in Salzburg en werden in 791 door Karel den Groote in het Frankenrijk opgenomen.
[142] Waarschijnlijk het eerst gebouwd toen Theoderik daar zijn paleis had (c. 500); afgebroken in 1811. Eenige overblijfselen ervan bestaan nog in Milaan en elders, De kunstwerken van marmer werden gebruikt voor den aanleg van het kanaal tusschen Pavia en Milaan!
[143] Vergelijk Lodewijk XIV: L'état et l'église, c'est moi.
[144] Grimwald voegde er iets bij en Liutprand nog 153. Ook Astulf maakte eenige wetten.
[145] Van het feit, dat hij de zuster van den vermoorden Godebert trouwde, vindt men in deze tijden zooveel analoge gevallen, dat men er zich nauwelijks over verwondert.
[146] Constans trok naar Rome, waar hij, die zijn broeder en een Paus had vermoord, de kerken rijkelijk begiftigde, doch tevens het vergulde dak van den koepel van het Pantheon liet afhalen. (Dit gebouw had Phocas aan Gregorius den Groote gegeven om het in een kerk te laten veranderen). Constans ging naar Sicilië, gedroeg zich daar vijf jaar als Verres, totdat een slaaf hem een kan met heet water op zijn hoofd smeet en hem in zijn bad verdronk.
[147] Dit monster, Aribert, was een gunsteling van de katholieke geestelijken en van verscheidene Pausen, hetgeen de fusie van Longobarden en Italianen kan bevoordeeld hebben. Onder zijn bestuur werden zeker vele kerken gebouwd.
[148] Abbacinato vgl. p. 15.
[149] Een merkwaardig feit is, dat in de periode 727-74 de data, zooals wij die gekregen hebben, een jaar vroeger zijn, dan zij moeten zijn. In dit verband is het de moeite waard op te merken, dat tot de helft van de 6e eeuw de data dikwijls worden berekend naar de Romeinsche consulaten en dat er van 312 af een lastig en verwarrend systeem bestond om te rekenen met Interdicties, perioden van 15 jaar, gedurende welke de census van eigendommen en de aanslag in de belastingen onveranderd bleven.
[150] Als Isauriër stond Leo onder invloed van den Iranischen (Perzischen, Zoroaster-) godsdienst, die beelden en tempels verwierp. Bovendien hadden de Muzelmannen een diepe minachting voor de wonderdoende beelden van de Christenen en werd Leo door de Romeinen ervan beschuldigd, dat hij zich daardoor liet influenceeren.
[151] Erkend door de Roomsch-Katholieke kerk. Irene is als Heilige (!) in de Grieksche kalender opgenomen. Maar een andere vrouw, Theodora (c. 840), heeft de volledige overwinning van de iconolatrie in de kerk van het Oosten bewerkt.
[152] Bij deze gelegenheid nam hij Sutri, in het hertogdom Rome en slechts 45 K.M. ongeveer van de hoofdstad. Maar deze stad gaf hij terug, en daar hij een vurig Katholiek was, gaf hij die niet aan de Romeinen, maar aan den H. Petrus, een feit, dat men kan beschouwen als de eerste kiem van de wereldlijke macht van de Pausen, want de Donatie van Constantijn is een verdichtsel.
[153] Een collectie van 99 pauselijke brieven etc. verzameld op bevel van Karel den Groote.
[154] Deze steden waren: Ravenna, Ancona, Bologna, Ferrara etc. Pepijn's schenking was "aan den Heiligen Petrus, aan de Heilige Roomsche Republiek en aan alle volgende Pausen." In antwoord aan een gezantschap uit Constantinopel verklaarde hij, dat hij alleen naar Italië gekomen was "uit liefde voor den H. Petrus en om vergiffenis te ontvangen voor zijn zonden." Het document van Pepijn's Donatie werd bewaard in den "Confessio" van de St. Pieter te Rome en bestond nog, toen de schrijver van het Leven van Paus Stephanus in den Liber Pontificalis leefde (c. 850-900?).
[155] In zijn eerste phase wordt het Pausdom gesteund tegen den Romeinschen adel door de barbaarsche vorsten en de Keizers, die door donaties zijn onverzadelijke begeerte naar wereldlijke macht aanmoedigt. Dante gebruikt bittere woorden over die wolvin, die in haar magerheid met alle begeerten scheen belast (Inferno I, 50.) en na de voedering meer honger heeft dan te voren. (Inferno. I, 99.) En nog sterker in zijn Bijbelsch puttaneggiar co' regi (Inferno XIX, 108.). Een van die regi was natuurlijk Karel van Anjou.
[156] In Verona waren de weduwe en de kinderen van Karloman, en ook Adelchis, de zoon van Desiderius. De eersten werden gevangen genomen en naar een klooster gestuurd; de laatste ontsnapte naar Constantinopel.
[157] Een legende, die merkwaardige overeenkomst toont met die van Tarpeia, verhaalt dat een dochter van Desiderius verliefd was op Karel en 's nachts de poort opende voor de Frankische ruiters, die bij het binnendringen haar verpletterden.
[158] Het Longobardische Hertogdom Benevento, ofschoon het vermeld wordt in de Donatie aan de Kerk, schijnt in deze geheele periode onafhankelijk gebleven te zijn. Het was later een deel van dat Zuid-Italië, welks geschiedenis zoo geheel anders is dan die van het overige schiereiland.
[159] In 785 verplaatste Karel vele Saksen naar Frankische landen en daarop volgde een algemeene bekeering tot het Christendom. In 788 en 791 onderwierp hij de Beieren en de Avaren en lijfde hen bij zijn Rijk in.
[160] "Where Charlemain with all his peerage fell by Fontarabia."
[161] Zie illustratie. Het is een copie van een stuk van het mozaïek, dat Leo III in zijn Triclinium (Feestzaal) in het Lateraan liet opstellen. Het origineel is c. 1740 vernield en copiën gemaakt naar oude teekeningen werden kort daarna door Benedictus XIV geplaatst onder de Tribune, die bij de Santa Scala (de marmeren trap van Pilatus huis) staat, dicht bij het Lateraan-Museum. De H. Petrus, wiens gestalte herinnert aan het beeld in het Vatikaan, biedt Leo de pauselijke stola en Karel het vaandel van Rome aan.
[162] Exodus XVII, 11.
[163] Waarschijnlijk is het juister te spreken van het Oostelijk Keizerrijk, hetgeen een soort van Babylonische ballingschap was van het oorspronkelijke Keizerrijk, en den titel "Romeinsch" voor dat Imperium te bewaren, waarvan Rome zelf de hoofdstad was. Zonder twijfel werd Karel door tijdgenooten als de onmiddellijke opvolger beschouwd van den ongelukkigen Constantinus VI (de 68e keizer van Augustus af), maar voor de Italianen was Rome de "Moeder" en Constantinopel slechts de "Dochter" van het Romeinsche Keizerrijk. Ook in de Lauresheimer Annales wordt als een krachtig argument voor de verkiezing van Karel aangevoerd, dat "hij Rome zelf in zijn macht heeft, waar de Caesars altijd gewoon waren te zetelen." Bovendien zijn er vele bewijzen, waaruit blijkt dat het Romeinsche volk zichzelf en Rome als den eenigen oorsprong van het Imperium Romanum beschouwde. Zoo toont b.v. een bulla uit Leo's tijd de beeltenis van Karel als Imperator en op de keerzijde een poort van de stad Rome met het opschrift Renovatio Romani Imperii. Niemand zal ontkennen dat het Oostelijke Keizerrijk dikwijls werd beschouwd als het Romeinsche Keizerrijk (zie b.v. Justinianus' beschrijving van den Romeinschen adelaar in Dante's Paradiso), maar te Rome heerschte het gevoelen, dat hier omschreven is.
[164] Handelingen IX, 25.
[165] Diploma's (men weet niet volkomen zeker of zij echt zijn) van Paus Hadrianus' tijd (772-95) geven Karel den titel van Imperator. De copie van den Bijbel, die Alcwin eenigen tijd voor de kroning, aan Karel als kerstgeschenk gaf, had tot opschrift: ad splendorem imperialis potentiae (Greg.).
[166] Hij verklaart, dat hij geen Grieksch kende: quamvis Graecae linguae nescius. Ep. VII.
[167] Een kleine kamer van het oorspronkelijke paleis is nog over, en in een kapel de marmeren tafel, waaraan hij dagelijks twaalf arme menschen spijzigde, en eens, zonder het te bemerken, een engel als dertiende.
[168] Gregorius zelf vertelt ons, hoe de duivel (of de Booze Geest van het Arianisme) in een kerk verscheen in de gedaante van een zwart varken en groote ontsteltenis verwekte. Hij schreef veel over relieken en mirakels en was een groote autoriteit op het gebied van het Hellevuur. Sommigen zeggen, dat hij het Purgatorium heeft uitgevonden. Hij geeft in allen ernst het verhaal, dat Theoderik door booze geesten in de Etna wordt geworpen. Uit Palestina bracht hij den arm van den H. Lukas, en dien van den H. Andreas naar Rome en hij geloofde even stellig in de regen-brengende kracht van het "kleed van den H. Johannes", dat in tijden van droogte buiten de deur van het Lateraan werd geschud, als een Kaffer in den hocus-pocus van een regendokter. Dante-lezers zullen zich de vreemde legende herinneren van Keizer Trajanus, die na 500 jaren door Gregorius' gebeden in het leven wordt teruggeroepen om gedoopt te worden.
[169] Evenals Agilulf weigerde Ethelbert de goden van zijn vaderen te verzaken.
[170] Zie de teekening; beneden zien wij den Doop en verschillende Heiligen; boven biedt de koningin den Heiligen Johannes een Kroon aan. Links knielt zij en achter haar zijn drie kronen--een daarvan is misschien de beroemde ijzeren Kroon (zie fig. 19) en een ander de kroon van de Koningin, die nog in haar schatkamer te Monza is, waar ook de Hen en de Kuikens (zie fig. 20), bekers, enz. zijn, hetgeen men, tegelijk met een voorstelling van het kruis van Gregorius, kan zien aan den rechterkant op het relief. De figuren op de basis lijken Romeinsch, waarschijnlijk van een oud monument.
[171] Dante, Purg. X en Par. XX. De legende wordt verteld door Paulus Diaconus en door Brunetto Latini (Dante's leermeester en vriend, dien hij in de Hel plaatste!).
[172] Op Leo's Triclinium (p. 216) lezen wij bone boluntatis en bictoria donas, hetgeen bijna ongeloofelijk schijnt op een werk, dat zich in een eetzaal van ontwikkelde prelaten bevindt. Opschriften en munten van 800 en later vertoonen dikwijls een dergelijke spelling en laten zien hoe snel het Latijn verbasterde.
[173] Voor Phocas en zijn zuil zie fig. 21 en de verklaring.
[174] Vgl. Mothes, Baukunst des Mittelalters in Italien, Rivoira, Le Origini dell' Architettura Lombarda, Ricci. L'arte dell' Italia settentrionale en het nieuwe werk van Jackson, Romanesque Architecture. Voor Ravenna is Ricci's Ravenna bijzonder bruikbaar, vooral over de mozaïeken van Theoderik.
[175] Ondanks den koepel met de karakteristiek Bizantijnsche hangbogen ben ik het geheel eens met Ricci, dat Galla Placidia's mausoleum, met zijn massieve bogen, un' opera della decadenza romana non propriamente bizantina is.
[176] Romeinsche gewelven en koepels bestonden, met uitzondering van het Pantheon, uit een vaste massa, samengesteld uit cement of lichte poreuze steen en gebouwd op een tijdelijk houten geraamte. Aldus werden het monoliethen, zooals de koepel van Theoderik's mausoleum in werkelijkheid nog is.
[177] De vestibule narthex, zooals in de S. Marco te Venetië was een Oostersche merkwaardigheid, voor boetelingen en profani. In de Westersche basilieken kwam daarvoor het atrium een hal, om de kerk te beschermen tegen rumoer enz. Het atrium van de oude St. Pieter was bijzonder ruim en fraai, met een wit-marmeren vloer en een fontein, waarboven zich het metalen dak met den beroemden bronzen kegel verhief, dien Dante ook vermeldt. De apsiden waren niet altijd aan de oostzijde.
[178] Zie fig. 4 en 5.
[179] Constantijn's kerken in Jeruzalem zijn p. 34 n. genoemd. De voornaamste gebouwen van Constantijn in Rome zijn het Lateraan-Baptisterium, waarin hij, naar men beweerde door Silvester was gedoopt (een tooneel, dat wordt voorgesteld op Raffael's fresco), de dikwijls herbouwde Lateraan-basiliek, en de S. Constanza.
[180] Wanneer men bedenkt dat er in Gratianus' tijd (c. 380) 424 heidensche tempels in Rome waren, lijkt het getal Christelijke basilieken wel verbazend klein.
[181] Sommige schrijvers gebruiken den term "Romaansch" voor alle bouwstijlen, die het beginsel van den Romeinschen boog en het gewelf aanvaardden. Ik geef er den voorkeur aan dezen naam te beperken tot dien stijl, die in Italië ontstond onder den Longobardischen invloed, die op den klassieken en basiliek-stijl inwerkte.
[182] Volgens een dergelijk plan zijn de S. Lorenzo te Milaan (c. 550) en de kathedraal van Karel den Groote te Aken gebouwd.
[183] Dit is natuurlijk de cirkel, die de toppen der vier bogen raakt en zich juist bevindt boven den ingeschreven cirkel van het vierkant, dat het grondvlak vormt.
[184] B.v. de wijn, visch, duif, pauw, Psyche, Cupido enz. Orpheus werd in de vroege kunst gebruikt om Christus voor te stellen en een 1000 jaar later riep Dante uit: "O, opperste Jupiter, die voor ons op aarde werd gekruisigd!"
[185] "De hoofden vertoonen veertien kleurschakeeringen" (Ricci).
[186] Maar zulke herhalingen bereiken in sommige gevallen de waarde van een rhythmus in de muziek en zijn als decoratief zeer indrukwekkend.
[187] Zie p. 203. In Justinianus' S. Sofia was waarschijnlijk slechts een groot Kruis van mozaïek, zooals er nog in sommige Oostersche Kerken bestaan. Alle beelden waren verboden, en eerst werden alleen symbolen toegelaten. Na het Concilie van Nicaea, door Irene bijeengeroepen in 787 en vooral na den terugkeer tot den beeldendienst in 860, werd het maken van beelden een zeer lucratief vak.
[188] Ik bedoel dien artistieken geest, die in Italië inheemsch was sinds den tijd van de oude Etruskers en de Grieksche kolonies en die, als het ware, de antiqua mater was van de klassieke Romeinsche kunst, en ook van alle latere Italiaansche kunst.
[189] B.v. zuilen, kapiteelen, snijwerk te Torcello, Toscanella, Brescia (de oude S. Salvatore), misschien te Grado, Cividale, Napels (kapiteelen in S. Restituita), en in andere Zuidelijke steden; bovendien vele prachtige sarcophagen, b.v. in S. Apollinare in Classe te Ravenna. Sommige van deze overblijfselen zijn misschien klassiek Romeinsch werk, hetgeen men zich dikwijls toeëigende; maar dikwijls lijkt het toch ook echt Italiaansch werk in ouden stijl, uit de 7e of 8e eeuw.
[190] Of Longobarden? En waren de oude Longobardische kerken gebouwd in een ruwen barbaarschen stijl in navolging van de nog oudere houten gebouwen in hun Noordelijk vaderland? Het is mogelijk, dat hun onbeholpen wijze van bouwen de oorzaak is van het volkomen verdwijnen van bijna al deze primitieve Longobardische kerken.
[191] De verdere geschiedenis van het eiland zal den lezer misschien interesseeren. In 962 vluchtte Berengarius daarheen, maar werd verraden. In 1169 werd de colonie uitgeroeid, omdat zij de zijde van Milaan had gekozen. Het laatste nieuws is, dat de eigenaar een prospectus heeft uitgegeven, waarin hij de bekoorlijke ligging van het eiland aanbeveelt voor een hotel en casino!
[192] T. G. Jackson vermoedt dat een "free-mason" oorspronkelijk een werkman was, die werkte met freestone (zachte zandsteen).
[193] vgl. het groteske Longobardische beeldwerk op den fraaie Baptisteriumtabernakel te Cividale (c. 740).
[194] Het verkleinwoord danken wij aan een Paus, dien Tuscania had getrotseerd.
[195] De prachtige kerk te Trier aan de Moezel maakt er aanspraak op de oudste in Duitschland te zijn, maar is geheel gereconstrueerd. Zij staat op de overblijfselen van een Romeinsch gebouw, dat reeds in de 4e eeuw als Christelijke kerk gebruikt is. In 550 ongeveer is zij afgebrand, maar later herbouwd, blijkbaar in Romeinsch-Longobardischen stijl, want er zijn bogen en beeldwerk over, die zeer gelijken op de werken in Noord-Italië uit Theodelinda's tijd. Het is in de 11e eeuw gereconstrueerd en als zoodanig een mooi voorbeeld van Germaansch-Romaanschen stijl, doch ontsierd door torens en moderne herstellingen.
[196] Door den Franschen bisschop S. Paulinus, wiens festa nog steeds te Nola in Juni gevierd wordt.
[197] In dezen tijd had Rome zijn hertog, die het bevel had over het leger en de burgerlijke macht deelde met de optimates. Het pauselijk gezag werd tegelijk met de oligarchische en republikeinsche macht grooter en overtrof het bijna.
[198] De zgn. stoel van Attila (fig. 27) is misschien de sella curulis van den tribunen van Torcello geweest.
[199] Cassiodorus XII. epist. 24.
[200] Dit heeft betrekking op Heneti, dat eenigszins lijkt op ainetos (geprezen).
[201] Toen Longimus, de opvolger van Narses, de eilanden bezocht om van hen als onderdanen van den Keizer hulp te vragen, weigerden zij dien eisch te erkennen, maar zonden gezanten met Longinus naar Constantinopel en aanvaardden in ruil voor belangrijke handelsprivileges als een ijdelen vorm de souvereiniteit van den Keizer.
[202] Een van deze, Altinum, werd door de inwoners verlaten wegens een voorteeken, dat hen deed denken aan Attila en Aquileia:--duiven en andere vogels verlieten de stad en droegen hun jongen mede.
[203] Hiervoor ontving Orso van den Keizer den titel "Hypatos" (Zijne Hoogheid).
[204] Het oude Malamocco, thans door de golven verzwolgen, lag ergens aan het tegenwoordige kanaal door den Lido, dat nog Il porto di Malamocco heet.
[205] Dante, Par. VI, 94. De ali zijn de vleugels van den Keizerlijken Adelaar, van welk gesternte in den zesden hemel (van de planeet Jupiter) de ziel van Constantijn den Groote, die hier spreekt, een van de vijf sterren is, die het oog vormen. Zoowel Karel als zijn paladijn Orlando worden door Dante in den hemel (in het vlammende kruis van Mars) geplaatst, als strijders voor het christendom.
[206] Oudtijds "S. M. ad Nives" geheeten, omdat een sneeuwval de juiste grenzen van haar ligging had bepaald; of "ad Praesepe" wegens het vermeende bezit van vijf planken van de Kribbe van Bethlehem.
[207] Vgl. de fresco L'incendio del Borgo. Het woord is van noordelijken oorsprong (burg, burgh) en werd misschien in Rome,