It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 9

Chapter 93,729 wordsPublic domain

In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.

In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt.

Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm, mits tot boete geevende 32000 goudguldens.

In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten, om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het woedende gepeupel wederom vertrok.

In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen, waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker, trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds, met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk; maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis; waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman op zyn hofstede.

Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats.

In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten.

In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den 28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno doende, pardon bequam.

In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen, waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich naderhand onder den Vorst van Gelder.

In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave persoonen van aanzien.

In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster, by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds; waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen, en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en andere in het Hempensermeer doen verdrinken.

In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.

In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand; als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 schepen verbrande.

Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.

Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van 't stadshuis gepubliceert is geworden.

In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.

En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.

In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, wordende te Embden begraven.

In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.

In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen; wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.

In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.

In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van Ligne, Graaf van Arenberg.

In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden, aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den tweede, Koning van Spanje.

In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en 't vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91].

In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.

2. Philippus de Tweede, Koning van Spanje.

In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand, als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden, met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen, deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder, blyvende zelve in Spanje.

In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, Groningen en Lingen hadde.

Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters [92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande, en dat in tyd van vrede.

In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.

De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden.

De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig klem zoude hebben.

Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, naar Spanje afgescheept in den jaare 1561.

In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.

In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93].

In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.

In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende, van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen.

In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging, hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam, en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden daar uit gestormt.

Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren; gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux.

Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan; en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje, bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers, zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen; daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum, tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere overschot ten behoeve voor monniken en paapen.

In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare 1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, tegens dank en wil der Overheden.

Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle Gereformeerden strengelyk vervolgen.

Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen.

In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.

De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen, om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste boven wentelde.

In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende, begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.

In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.

Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent 1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen, waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit, als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.

Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende, deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde, verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door 't zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen.

Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen, en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.

Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van 's Konings wegen, na de dood van Arenberg.

Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en 't Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren, en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere Woord des Heeren.

In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.

Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is.

Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert; men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal op 75 voeten breed.