It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 8

Chapter 83,873 wordsPublic domain

In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren, tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel.

Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen, en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.

Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er, behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen.

Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest, hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne benaaminge bekomen.

In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.

Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; waar door een groot oproer ontstond.

In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde, te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland, het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap.

In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door veele huizen verteerden.

Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen verkragten, en kerkschenderye bedreeven.

Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, 15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.

Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, op den 8ste van September is komen te sterven.

2. Georg, Hertog van Saxen.

Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had over gedaan.

In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in: maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren, waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges, Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal.

In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten, met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel 't bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën, ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden, in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan.

In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land een vryen koophandel zouden mogen dryven.

In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt is geworden.

In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande, waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde.

In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14 Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.

Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.

Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het slagveld lieten leggen.

Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen, te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland, voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van 't kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde en diepe gragten en hooge wallen.

In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden.

In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.

In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; maar naderhand ook te Keulen hervat.

In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar Bolswert begonnen gegraaven te worden.

In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor Groningen gevangen.

In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land.

In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die wel 200 huizen verteerde.

In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na, heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf van Rechteren.

In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: doch vrugteloos.

In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.

Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje in brand.

Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, waar door veelen sneuvelden.

Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt, en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt, om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden.

Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk.

In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten eenemaal verbrand.

Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten, de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen.

Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim 5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en Molkwerren ook afbranden.

Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, ingenomen.

Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn, Graave van Benthem, alhier.

Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd, ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de geheele Zuiderzee vry.

Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het erfrecht over aan den Prins van

2. het Huis van Bourgondien.

1. Karel de Vyfde.

In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren en sterktens zyn vast gemaakt [86].

En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord: Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88].

In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard, te Groningen gebouwd, wederom afgebroken.

In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel kan afmeeten.

Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen; en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt, en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande.

In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal van de Zuiderzee [89].

Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat hem voorquam.

In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan, geconfirmeert en gezegelt.

In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer, Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, en 4 schoone paarden.

In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd heeft geëindigt.

In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied, mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen, om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal, dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90]

Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.

Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.

In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.