It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 7

Chapter 73,730 wordsPublic domain

In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis wierd omverre geworpen en geslegt.

In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt, en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan.

In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet bleef leggen.

In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de stad ontzet en de belegeraars geslagen.

In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen.

In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen bequam, waar onder veele heeren van grooten rang.

In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge; want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen; doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben, is komen te sterven.

In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht, een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende.

In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden 500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester van Groningen.

In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden.

In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee.

In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; 't welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht: maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden, die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen.

In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen, willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van July deszelfden jaars wierd getroffen [80].

In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer, op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster aldaar begraven.

In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen, Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor de vyanden zouden wezen.

Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie, daar veele duizende menschen door stierven.

In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter neêr wierpen.

In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt.

Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en branden tegen elkander.

In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge, onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen naam aldaar waar te neemen.

In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan 't westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei, alwaar 't noch ten huidigen dage staat.

In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82].

In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt, en de vrye handel open gemaakt.

In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.

Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen, de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort, van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark.

Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om hem met een gemeene macht tegen te gaan.

In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust, ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers, van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt, en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende, naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende, trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel weêr vertrok.

In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken.

In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten.

In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 stuks vee, naar Hargelingeland.

Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het weder opgebouwd.

Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert; zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige Edelen.

In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.

In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt.

In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, en omtrent 250 gemeenen verlooren.

In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd.

In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven.

In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad.

Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid [83].

In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad niet meer aan hem.

In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel schade aan menschen en beesten.

In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen, schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn.

In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, zoude richten.

In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in gestelt.

In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente, waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk alhier te zwaar wierd geacht.

In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is voltrokken [84].

In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt.

In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers gewapenderhand ingenomen.

Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen.

Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos.

Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven.

In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland over 't ys aantreeden.

In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster begraven.

In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten aan de lucht, als voorboden van droevige tyden.

In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad.

In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun 100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude.

In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne aanhangers, by te leggen.

Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant, spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland.

In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des H. Roomschen Ryks.

In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen, by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten, met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond, tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren.

Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam van gemoed, en een haater van tweespalt.

In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde, dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was.

In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te gelyk Slooten.

In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen; die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat 'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve mede gequetst.

De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten, na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis, en de Groningers geraakten het Land uit.

In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens.

VI. ERFHEEREN.

1. Albrecht, Hertog van Saxen.

In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder, of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf: zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten, verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land; waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis te gebruiken.