It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 5

Chapter 53,811 wordsPublic domain

Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom.

In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst met wallen versterkt.

In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar noch hedendaags een bekende Straat.

In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en Lauwers te zien is geweest.

In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61].

Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper, om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper, zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt, dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen."

In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote, als het heden is.

Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel 100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst in poelen en meeren afgescheurt.

In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven.

Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen.

In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt, om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute wateren vervulde.

In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd.

In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat daar recht over wierd gedaan.

In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat meest van de beesten voorhanden was.

In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy door die van zyn aanhang binnen gelaaten.

Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde, en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan, en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren.

Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen een moerassig land tusschen beide.

Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in, en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66].

In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom, slaande de geheele bezettinge daar in dood.

Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne bagagie, ten voordeele van Rudolf.

Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken en de ligchaamen op raderen stellen.

In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden menschen en beesten, verdronken [67].

In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met hunne meeste Edelluiden in des vyands handen.

In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe, die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen, en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten.

Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis; want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande; daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge, lieden gespaart.

Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid, niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70].

In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen, en veele gekwetsten aan hunne vyanden.

In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen [71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word.

In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is.

In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren, tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers gerezen zyn.

De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt.

In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in 't latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit voorgevallen is in den jaare 1255.

In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe geraseert, en in brand gestoken.

In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt.

't Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen en goederen veele schade geschiede.

In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt.

Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde.

In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd.

Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten aangetast en veel beschadigt.

Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland, gebouwd.

In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden Groningen ook te belegeren.

In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en beesten verdronken.

In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden moeten overgeeven.

Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele goederen van de Gelkingen.

Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los; brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen, waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die van proviand en oorlogstuig voorzien.

De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't gevegt door.

In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande 9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd.

In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien begiftigt of voorzien.

In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede, Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken, voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid, te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen.

In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde.

In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de, inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen, en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, en eenige gevankelyk met zich sleepten.

In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken, met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte.

In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten.

In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar 't voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd.

In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek, en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft, volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden.

In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, te zien is.

In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen.

In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel 2000 menschen verdronken.

In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven.

In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278, heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten Inham, de Dollaart genaamt.