It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 4

Chapter 43,857 wordsPublic domain

In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld.

In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde, heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken, en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging, met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre, dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene.

In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik [44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang, en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort.

En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden, en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid, ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen gevlochten waren.

Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen, waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende

V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN.

Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal 's jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen.

Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten.

Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen, zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent; maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als 'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd 'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren.

Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan: maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen, die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen.

In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe.

In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat verkooren.

In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg, met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het niet waagen om te landen, maar trokken weder af.

In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen tyd zoo jammerlyk vermoord.

In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren, en had zyn woonstede te Sixbierum.

In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in 't volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge af [46].

In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum, Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken, en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel in zee verdronken.

In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks [48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen nederlaag in Zweeden konden brengen.

In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt.

In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede.

In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana, vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf.

Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend oog in 't zeil te houden, zeggende:

Wacht jimme fen dy noordere oord: Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50].

En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt Igle Gaalema.

In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51].

In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het Dokummer Diep en de Lauwers [52].

In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf.

Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van Botnia heden bekent is.

Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779 hebben gesprooken.

Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen van zyn.

En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman, de daaden der Friesen heeft beschreven.

Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder, weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van noch Brederoede of Brederode genaamt word.

In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren.

In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt nu het dorp Berlikum.

In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in veele landen is gevolgt.

In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede dood in de graven vielen.

En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden.

Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver in deze landen hebben gebragt.

In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54].

In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden.

In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik den tweede bediende.

In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen.

In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van godsdienst.

In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen, aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt, zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn.

In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren, datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden.

Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen.

In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven; hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders, onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn, na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen.

In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden.

En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen.

Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55].

In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen.

In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te floreeren en in rykdom toegenomen [56].

In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.

In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen, heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand groote onheilen zyn ontstaan [57].

Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden by Hemsen verslagen.

In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte afgebrand.

In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58] geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden, verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert, en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche oorlogen van Barbarossa.

In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59].

In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 menschen verdronken.

In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen, en veele menschen en beesten zyn verdronken.

Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende, met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en zilvergeld liet munten.