It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 30
De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden, en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven, dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren Zegelen bevestigd."
[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar, Vad. Hist. II, 350.
[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die gedurende het beleg van Damiate gestorven was.
[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts onder Frederik II.
[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken, natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264.
[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152.
[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda.
[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt gesproken.
[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel, zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen.
[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28; Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209; Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209.
[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101; Dumbar, Analecta, I. 333.
[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52, die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem, onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410.
[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen.
[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, bl. 111.
[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden, in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen, hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt (welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn."
[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien der burgers.
[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.
[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31.
[185] Wagenaar, V. H. III. 502.
[186] de Jonge, t. a. p.
[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt, Aant. I. bl. 25.
[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306; Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164; Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant, 20 April 1830.
[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk: de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind, Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660.
[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken, Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester, Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz., terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren.
[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen, uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op bl. 182 der kronijk.
[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567 in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal) werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik, doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598.
[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen, dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard.
[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake), geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene vernietiging deelen.
[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven, door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman, in de Mnemosijne, XIV Deel.
[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 Maart 1830.
[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169.
[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot 502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe."
[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper, bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury, IV. Aantt. bl. 220, 221.
[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den jare 1620.
[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna, den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde.
[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den 12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar den gewonen Gregoriaanschen Almanak.
[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit, B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten 't woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753, die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma, is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)."
»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis, kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van het Woord Grietman is dit hetzelfde."
B. A.