It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 29
[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.
[82] Zie op dit jaar Westend.
[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.
[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was van St. Maarten van Utrecht. West.
[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant.
[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: Versterken.
[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord.
[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho kenne da deels kijetten swomma.
[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt.
[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen, zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond.
[91] Wins. Chronyck fol. 519.
[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.
[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96.
[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius Chronyck, fol. 565 volgg.
[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden, omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz.
[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der familie in den adelstand.
[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso.
[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck fol. 897.
[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)
[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.
[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.
[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.--
[103] Mengel-Poezy, bl. 257.
[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland volgen laat.
[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg.
[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren, de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje, getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst, dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was, waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient de opmerking des onpartijdigen.
[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.
[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend bestaan te verschaffen.
[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't Charterboek, p. 65 en 66.
[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven, Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831: Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier 1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland.
Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht, Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498, wordt genoemd het Vrije Friesland.
Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, heet het Overheerde Friesland.
Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten, uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden.
Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen.
[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk, dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's Verh. van Leeuwaarden.
[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.--
[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.
[114] Gemelde Aantt. p. 44.
[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII.
[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en voor Groningen, p. 5.
[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij zonder onderzoek elkander nageschreven?
[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 14 enz.
[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus.
[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen, zie men onder anderen West., p. 19.
[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296 over de Sagen zegt.
[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde Ankomst der Fresen.
[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht naar den veranderden inhoud dier sage.
[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne rol speelt.
[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst, tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom, en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in al wat van Rhyn geoordeeld heeft.
[126] Zie gem. Nabericht, p. 350.
[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor 440.--
[128] Not. Bat. in voce Frisii.
[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de Ann. van Mattheus.
Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt.
[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg.
[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.
Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema, Geschiedenis der Zuiderzee. M. S.
[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125 en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus, Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar, Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126.
[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort.
[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot, Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg.
[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid, verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.
[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg.
[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de laatste Koning over Friesland.
[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek!
[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten, wat zijnen schrijftrant betreft.
[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid van geheel de Christenheid, alles te danken hebben.
[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant.
[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D., en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen, in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder ontwikkeld is.
[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten wij, met anderen, verschillen.
[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius, Chron. fol. 402.
[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen.
[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der eerste Hoplieden eener keurbende.
[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd, doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema, Geschiedenis der Zuiderzee. M.S.
[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene drukfout voor 626.
[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken.
[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61; West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546.
[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg.
[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt (Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent, want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus, dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire, de Zachtmoedige.
[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.
[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver, dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben.
[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14; Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296.
[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat dit punt onaangeroerd.
[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.
[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden.
[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen met de zijnen groene kruisen aan:"
Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas, Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian: ad ann. 1188.
[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."--
Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556.
[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491.
[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226 Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce.
[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II, 492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187.
[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan, en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate) geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut gebruiken kon, niet ten dienste staat.
[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12 schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen, stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212 schepen zullen bestaan hebben.
[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland, maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen.
[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand hebben veranderd.