It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 28

Chapter 283,736 wordsPublic domain

Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.

Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna, benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau, zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen bewaard gebleven.

Bl. 221.--Ao 1636.

Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk, enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de 200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen aangerigt kan afmeten.

Bl. 227.--Ao 1665.

De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt.

Bl. 229.--Ao 1672.

Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten, was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl genaamd.

De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar 1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl.

Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland, Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden, de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September 1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden, droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: in Rusland volgt men nog den Juliaanschen.

Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men 12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd.

Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft.

Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt.

Bl. 259.

In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering, den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat, Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze?

Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen, Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen.

of

Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen; In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen.

Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht veilig te kunnen weglaten.

Bl. 273.

De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van 1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia, moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog, van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728, toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart, welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van de oude kaarten wordt aangetoond.

Bl. 273.

Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.

Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist, welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma, Franeq. 1780.

Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat, dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten, hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4.

DRUKFOUTEN.

Op Bladz. 66, 281 tot 372, komt meermalen in den 2den en 3den naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den Vrome, Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, den Kale; men voege achter 't bijv. naamwoord eene n.

» » 284 staat: Barradeel, lees: Baarderadeel. » » » » Bijdragen tot de Gesch. lees: Nasporingen betrekkelijk de Gesch. » » 327 » dat men onder die waardigh. lees: dat die waardigheid. » » 336 » 1178 lees: 1170. » » 367 » bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne aanwerving, een. » » 415 » der landbouw, lees: van den landb. » » 439 » weauctoriseert, » geauctoriseert. » » 448 » Heer van Velle, » Heer van Ville.

De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt 191.

De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, Firsiabones voor Fris.; Theutonista voor Teuthon.; geene voor geen; noordwaards voor noordwaarts of dergelijken over het hoofd te zien.

AANTEEKENINGEN

[1] Een korte beschrijving van dit document.

[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap.

[3] Kort extract uit de tekst.

[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld, in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan spoedig moge verwezenlijkt worden.

[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland strekt zich deze behoefte uit.

[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.

[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de Bijv. en Aantt.

[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt.

[9] Gevolg.

[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.

[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw, de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de Bijv. en Aantt.

[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den alouden staat van Friesland.

[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top, noch teil (tegel) te zien is."

[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven."

[15] Holle is Olennius. Zie Aantt.

[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken.

[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm.

[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.

[19] d. i. aangehitst, opgestookt.

[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna twee eeuwen over.

[21] Lees Westerwierum.

[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia, fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat.

[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd.

[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd.

[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop."

[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, uit wantrouwen tegen de Germanen.

[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.

[28] Engeren, Angeren.

[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds (Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339.

[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie daarop de Bijv. en Aantt.

[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.

[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op 't jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110.

[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808.

[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt.

[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst.

[36] Chlotarius II.

[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.

[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet de Christenen vryjelijk toe."

[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der Franken, en was Groot-Hofmeester.

[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.

[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd.

[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830.

[43] Vergel. op 't jaar 463.

[44] Godfried.

[45] Deze belasting heette Klipschild.

[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb.

[47] Men zie Aant. op 't jaar 830.

[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.

[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche Landen.

[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt da Grimma herna comt ws alle quaed voort.

[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie voorts over dezen strijd de Bijv.

[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde, met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in 't gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.

[53] Een veldvlugtige is een overlooper.

[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp op de jaren 1040 en 1046.

[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk anders noodig zoude zijn.

[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112.

[57] Als voren op 't jaar 1143.

[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, ook Keizer Frederik de Groote.--

[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere Schrijvers.

[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.

[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft, vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195.

[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben.

[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig enz.--

[64] Of Grind.

[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.

[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.--

[67] Vergel. de Aantt.

[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen, had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280.

[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.

[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn.

[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst.

[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239.

[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.

[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist geraakt.--

[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.

[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232 en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand behielden.

[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden.

[78] Vergelijk over deze list Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar.

[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden.

[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar.