It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 27

Chapter 273,719 wordsPublic domain

»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche, en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen, inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een' blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren; opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen' arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan 't misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte, riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden, en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was."

Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga) bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft, aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk.

Bl. 191.--Ao 1580.

Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den 12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat: Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die, welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb.

In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172; Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort, XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te Land, bl. 243.

Bl. 196.--Ao 1584.

Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van Friesland, uit het Huis van Nassau:

WILLEM LODEWIJK. EERSTE STADHOUDER.

Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden, Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een' plotselingen dood werd overvallen.

In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den 16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.

Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend van de oprigting der Groninger Akademie.

Hij regeerde van 1584 tot 1620.

ERNST CASIMIR. TWEEDE STADHOUDER.

Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia, dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in 1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat, werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel, terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder gematigdheid dan zijn broeder.

Hij regeerde van 1620 tot 1632.

HENDRIK CASIMIR I. DERDE STADHOUDER.

Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.

Hij regeerde van 1632 tot 1640.

WILLEM FREDERIK. VIERDE STADHOUDER.

Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2 Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde.

Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren, waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor in hem eenen sterken voorstander en verdediger.

Hij regeerde van 1640 tot 1664.

ALBERTINA AGNES. VOOGDESSE.

Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29 April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen, voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren weduwlijken staat had doorgebragt.

Zij regeerde van 1664 tot 1679.

HENDRIK CASIMIR II. VIJFDE STADHOUDER.

Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe, voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn 22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger.

Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.

Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer verloren.

Hij regeerde van 1679 tot 1696.

AMELIA. VOOGDESSE.

Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor 170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven.

Zij regeerde van 1696 tot 1707.

JOHAN WILLEM FRISO. ZESDE STADHOUDER.

Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus 1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland, en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze, zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in 1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te Utrecht begaf.

Hij regeerde van 1707 tot 1711.

MARIA LOUISA. VOOGDESSE.

Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200].

Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.

WILLEM KAREL HENDRIK FRISO. ZEVENDE STADHOUDER.

Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau, werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen, aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731 aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren, behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid [201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.

Hij regeerde van 1731 tot 1751.

Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient, niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en 't bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond, die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren, die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te 's Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven.

Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was opgedragen.

CAROLINA. REGENTESSE.

Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg, gesproten uit de linie van Walram.

Zij regeerde tot in 1766.

WILLEM V. ALGEMEEN STADHOUDER.

Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina, Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.

Bl. 201.--Ao 1591.

En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4, 3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen, Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op 't woord.

Bl. 208.--Ao 1594.

En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar; vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518; Wins. fol. 817, enz.

Bl. 216.--Ao 1620.

Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch, volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:

1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk. 2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder. 3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder. 4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder. 5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir. 6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder. 7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik. 8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik.

Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen, waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken zullen hebben bevat.

Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:

1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren te Leeuwarden 24 Junij 1685. 2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder. 3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder. 4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven 22 December 1739. 5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden. 6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso.