It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 25
In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat, I. 493, en de daar vermelde Schrijvers.
Bl. 105--Ao 1348.
Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge (Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen, door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten, een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden:
Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand.
Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven, zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden, namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo, zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden voorwaarde van dit zelfde bestand.
Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van beider gebied.
Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij 's Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden.
Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer landen terug te keeren en er te verblijven.
Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in 't jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid.
Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld, met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar wij den Lezer verwijzen.
Bl. 105.
In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg.
Bl. 106.--Ao 1388.
Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling.
Bl. 107.--Ao 1397.
In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte, Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden, wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone wapenen [186].
Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel Rozenburg, nabij Voorschoten.
Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius, waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana, II. 399.
Bl. 109 en 110.
In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker, toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond:
Ick Joncker Sissingha, Van Groninga, Dronck dees hensa, In een flensa, Door myn kraga, In myn maga.
Bl. 111.--Ao 1404.
Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge, van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld:
»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania; en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden; tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt:
Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram."
d. i. vrij overgezet:
Eer dat ons dapper driemanschap, In Bacchus' school volleerd, Worde in een Frieschen bekerstrijd Verslagen of verheerd; Eer zal de woeste Hercules Herrijzen uit zijn graf, En slaan een tweeden monsterdier Tienduizend koppen af!
Bl. 112, op de Noot.
Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters.
Bl. 113.--Ao 1414.
Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.
De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In 1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd dezelve afgezet.
Bl. 115.
In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen, Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren, den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek: zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen, uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig.
Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven, en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October 1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer Hora Siccama van de Harkstede.
Bl. 116.--Ao 1420.
De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze, aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet.
Bl. 117.
In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447.
Bl. 120.--Ao 1434.
Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren, die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen, en bepaalde zich tot allerhande koopwaren.
Bl. 122-123.
In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius.
Bl. 128.--Ao 1478.
Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet, liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477.
Bl. 129.--Ao 1486.
Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste grootte. Westend. Jaarb. II. 645.
Bl. 129.
In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod, waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers, een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd, daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama, bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188].
Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480 vermelde sprookje, (dus te schrijven):
De Leidske Lape, In Harlimmer Tape, In schiere iel Bringt Frieslân yn'e wiel.
»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had.
Bl. 130.--Ao 1490.
In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur."
In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde, voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer, godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen, verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81, 112 en Bijl. VII.
Bl. 131.
In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren, West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren.
Bl. 133.--Ao 1496.
Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt, dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van: »Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316, noemt Fox Witterfox.
Bl. 138.--Ao 1499.
Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij) van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834.
Bl. 138.--Ao 1500.