It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 24
Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles, wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda, op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169) en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland, regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver, de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het, uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders, of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen, mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in, het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben, dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus (Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden.
In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig gewag maakt [178].
Bl. 95.--Ao 1263.
De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50 schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen; van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.
Bl. 95.--Ao 1268.
D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst.
Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan, niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht.
Bl. 96.
In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar 1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11.
In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand weder opgebouwd.
Bl. 96.--Ao 1273.
Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101.
Bl. 97.
Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen, zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten, want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander, hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen.
Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt (Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede, een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]:
van den Anfanck der Falsche Partije VAN FRIESLANT.
»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen; doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name; en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten, doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden, en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen, datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes; Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer, he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben, sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden."
Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval.
Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog.
De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen, der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in Engeland, en zoo vele anderen.
Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt, om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei, en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.
De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland gegeven werd.
In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de Kabeljaauwschen in Holland [182].
Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij: »dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper, en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende: zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek.
Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven en de ander hetzelve onder.
Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: 't Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814 uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende:
»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de beteekenis des woords gaat rondtasten."
»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil: horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen, doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is: de koeijen bornen, wateren."
De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342), hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit van haren post wijkt."
Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende, met de koezelen geen weg weet.
Bl. 100.
Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het, dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren; want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog, dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad, dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg.
Bl. 101.--Ao 1306.
Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op bl. 286, 288 en 359.
Bl. 101.
In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil; want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.
In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp, Jaarb. II. 102-109.
Bl. 102.--Ao 1318.
In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.
De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega, dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk (Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond, 't geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar, Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350.
Bl. 103.
In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December 1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers.
Bl. 104--Ao 1342.