It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 23
In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden, waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.
Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea, Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291 werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen waren vruchteloos [173].
Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke schatten gekost heeft.
Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.
Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden, en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--, dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare ellende verstrekt hebben!"--
Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen verdienen [176].
Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest het dus ook aandeel hebben.
Bl. 72.
Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds, Jaarb. II. 285.
Bl. 72.
In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.
Bl. 73.
In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318, welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34: »Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval (waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf (wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar" enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in de majestueuze Amsterdammer paruiken.
Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk) als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden, daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22; Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72.
Bl. 73.
In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de volkomene overwinning behaalden [177].
De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek, bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis.
Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds, Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131.
In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem, gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345.
In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter Landsvergadering de eerste plaats.
Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen, Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, 't welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162; Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv.
Bl. 76.--Ao 1170.
Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen.
Bl. 77.
In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad; doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden, houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar, en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk den slechten toestand der kerk.
Bl. 77.--Ao 1192.
Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche Mythologie, bl. 335.
Bl. 82.--Ao 1227.
Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve, burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren en Kiliaan.
Bl. 85.--Ao 1230.
In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema, Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543.
In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en turfgraverijen gewag gemaakt.
Bl. 86.--Ao 1231.
Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast, nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld: Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker.
»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom (Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling, d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal, boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal (zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom, waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant, en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, en zingen haar volkslied:
»Mayboom, Mayboom, holt die faste, Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"--
Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil, dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen, die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop wij kortelijk zullen trachten te antwoorden."
Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij Emmius op het jaar 1214 aangeteekend.
In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden, en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.; Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62.
Bl. 89.--Ao 1234.
Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499.
Bl. 89.--Ao 1239.