It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 22

Chapter 223,368 wordsPublic domain

Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen, die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten.

Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.

De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden, als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18 Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart 1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde, en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus, Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218, te Ptolomais aan.

In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.

Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel, zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte, van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit; Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!"

Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan, vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.

De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken: op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik, een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland, waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te varen, is gesprongen [168].

Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin [169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad, vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig, zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor, men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen eerlijk onder elkander verdeelden.

Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de Christenen trokken weder huiswaarts."

Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:

»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een' triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid, gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz.

»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing."

De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt:

--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, in gunst moogt ontvangen," enz.--

Zoo veel van dezen togt.

Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius, om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen 10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief:

»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht, ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende, dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid, den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden.

»Wij bidden u dan allen enz."

En Keizer Frederik schrijft onder anderen:

»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande dan uwe dapperheid!--

»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."--

Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis; voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.

Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven.

In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan, en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.

Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest, daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen, daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172].

Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed, legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas, meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij:

»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in persoon bezocht hadden."

Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, zich met het Kruis te laten teekenen.

Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij zou noodig hebben, medenemen moesten.