It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 21
Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald.
Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, werd tot Bisschop van Utrecht benoemd.
Bl. 69.--Ao 1006-1010.
Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval, welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar, II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in 't jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil, hetwelk wij willen overnemen:
Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943.
»Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land); maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof) te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend; daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar 't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden; daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren, zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden, maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen; en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land, en zeilden naar Denemarken."
Bl. 70.--Ao 1064.
Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.
Bl. 71.
In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een aaneengeschakeld verhaal van
DE KRUISTOGTEN DER FRIEZEN NAAR PALESTINA [158].
Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen: Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij, En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij.
Haller.
In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte, in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal te geven.
Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de handen der barbaren.
Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken, de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza, en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit: »God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken, welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige Krijgstogten genoemd.
Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf 20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op 200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in, en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië, Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van Jeruzalem werd uitgeroepen.
In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in Palestina in garnizoen.
Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden, Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt, met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.
Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare 1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder genezen en de gevangenen uitgewisseld.
In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.
Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en Hollanders laten gebruiken.
Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten hadden, aldus aanspreken:
»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet eis odor noster."
»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken [160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker aan den slag geweest zijn.
Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II (Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen Acre genoemd) aan.
Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand voor 6 jaren.
Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de hunnen terug.
Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had afgehouwen, medegebragt [161].
Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker, omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep, tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.
Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In 't jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag, onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven aan de Saracenen verkocht."
De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem:
»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot, onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des Graven van Holland.
Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro (of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën) des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen, en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken, niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid de stad in brand.