It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 20
In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus, Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn' jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder, verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer, op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.
Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153].
Bl. 51.--Ao 784.
Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit is de Duitsche tekst:
»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154], met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het laatste gedenkstuk.
Bl. 54.--Ao 808.
Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen, zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808, die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53.
Bl. 56.
In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd.
»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk, met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz."
Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen worden versterkt.
Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte nog vele jaren voortduurde.
Bl. 58.--Ao 810.
Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting, werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening.
Bl. 61.--Ao 808.
Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is, moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420; F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de aldaar aangehaalde schrijvers [156].
Bl. 62.--Ao 826.
Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster, werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en Hamburg, en stierf in 865.
Bl. 62.
In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten, van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij) zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg.
Bl. 63.--Ao 838.
De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in 325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden Arius en Arianen.
Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius, Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds, Jaarb. II. 22.
Bl. 64.
In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na 870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman, Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland, liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877 overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die, na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla, dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried, ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen, zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.
In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.
Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten, volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg, en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk, ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven.
Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen, 1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar, F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold, waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong van het Graafschap Holland.
Bl. 64--Ao 850.
De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van West. Jaarb. op 't jaar 850.
Bl. 64.
In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had, was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123; F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz.
In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts; toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds, Jaarb. II. 65.
Bl. 67.
In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst, welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt er dus weinige mede.
Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211, en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries, b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831.
Bl. 67.--Ao 910.
Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren, heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom, Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars, Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141.
Bl. 67.--Ao 920 en 970.
Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt, dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz, doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk.
Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds, Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende, dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen, waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen, dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67; onze Aantt. bl. 286-288.
Bl. 68.
Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417 volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco, zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden, is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene andere uitlegging heeft.
Bl. 68.--Ao 998.