It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 19
Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, 205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334) gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht, bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl 30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47.
Bl. 35
Watervloeden in Friesland.
In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth, in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt hetzelfde jaar.
Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe, door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In 435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516, in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen.
De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.
De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in 1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed (zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte, zeer hoonde en ontheiligde.
De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, 1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.
In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam, door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen Texel en den Helder.
Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in 1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan, waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden, zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464, 1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde, want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel, terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.
Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, 1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 (misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000 menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen: 1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.
Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In 1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en 1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk.
In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in 1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare 1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.
Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren, die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends, Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.
Bl. 37.
In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd, vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen, onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam, dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149], dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink, en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren, heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.
Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en men vorderde dus weinig.
Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172; Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323; Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90; Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66.
Bl. 37.
Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers.
Bl. 42.--Ao 695.
In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland, vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161, 193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie, regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen, afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag) van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart achter het I. deel.
Bl. 43.
In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven, of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, toevlugt nam?
Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken, bl. 339 volgg.
Bl. 44.
Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11 van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393; Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42.
Bl. 46.--Ao 736.
Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland met goed gevolg gepredikt te hebben.
Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius, IV en V Hoofdst.
Bl. 47.--Ao 749.
Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en Naber. bl. 349.
Bl. 50.
Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833) loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.
Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de krijgsmagt voerende, gesteld [151].
De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten, de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken; Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren.
Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst, doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg.
Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan die der twaalven, en het werk werd volbragt.
De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis in een kostelijk kleed gestoken:
»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt, zoo als ook bij Beninga en Kempius.
Bl. 50.